Bijeenkomst Maatschappij Nederlandse Letterkunde in 1970; de tweede van links is Karel van het Reve, de man in het midden Hans Gomperts

Oer-Hollands cynisme vs. de literatuurwetenschap

Grandeur van misère van de literatuurwetenschapH. A. Gomperts1979

Op het moment van schrijven is het laatste restje van de Uitmarkt bezig. Gisteren sleet ik het grootste deel van de dag daar, achter de boekenmarktkraam van Amsterdam University Press. Op die kraam was een hoekje ingericht voor de Nederlandse Boekengids, een van de papieren partners van deFusie: een blad met uitgebreide besprekingen en boekgerelateerde essays. Als redacteur vertelde ik voorbijgangers over het bestaan van het blad en de optie om abonnee te worden. Veel marktbezoekers reageerden op die informatie met ‘goh’, om daarna kenbaar te maken dat ze eigenlijk op zoek waren naar een programmaboekje. Anderen reageerden zwijgzaam met een graai in het bakje complementaire winegums. Eén voorbijganger wist me te vertellen dat ik mijn tijd verdeed: de Nederlandse cultuur is immers een verloren zaak, al helemaal nu ‘de moslims eraan komen’. Goddank bladerde een enkeling het blad door om daarna goedkeurend zijn of haar gegevens achter te laten op een abonneekaart. Maar veruit de meesten zeiden zich wel twee keer te bedenken voor ze hun schaarse vrije tijd zouden verdoen aan iets dat zo ernstig en weinig ontspannend is als de Boekengids.

Mijn Uitmarktervaring geldt vast als symptoom van deze ‘druk-druk-drukke’ tijd - of toch als uitwas van zo ongeveer alle tijden? Een derde mogelijkheid: is het niet typisch Nederlands om serieuze (vrije)tijdsbesteding af te doen als onnodige poppenkast? Vergelijkbare vragen kwamen op toen ik de recente discussie over de zin en onzin van de hedendaagse literatuurwetenschap volgde, gevoerd in met name de Volkskrant. De literatuurwetenschap is geen wetenschap, zo verkondigde filosoof Sebastien Valkenberg op 13 augustus in dat blad. De nieuwste poging dat wél te zijn, zou enkel uitdraaien op tendentieuze bias confirmation in onleesbaar, pretentieus vakgebrabbel. De in het stuk geciteerde Karel van het Reve, die in zijn Huizinga-lezing van 1978 de eigentijdse literatuurwetenschap iets vergelijkbaars verweet, kreeg volgens Valkenberg nog altijd geen ongelijk. Het bewijs dat Valkenberg aandroeg: hij had de website van één studie aan één universiteit erop nageslagen en daar een paar ingewikkeld geformuleerde en volgens hemzelf weinigzeggende titels van recente publicaties aangetroffen.

Valkenbergs cynisme lijkt me zowel typisch voor deze tijd als volkomen tijdloos

Valkenbergs stelling en werkwijze leken mij zowel typisch voor deze tijd, die begrippen baart als autoriteitsargwaan, post-truth, en ontlezing, als volkomen tijdloos. Tijdloos, omdat het onwetenschappelijkheidsverwijt in de geschiedenissen van veel disciplines met literatuur op het curriculum aanhoudend de kop opsteekt, vaker dan in andere. In de discussie die volgde op Valkenbergs verwijt wees men meermalen op het cynisme onder Valkenbergs stelling en aanpak. Marieke Winkler merkte de laatdunkende houding ten aanzien van serieuze studie, die Valkenberg deelt met Van het Reve, het eerst op: ‘Valkenberg toont zich een ware Karel-adept, ook Van het Reve ging er prat op dat hij geen literatuurwetenschappelijke studie ooit uitlas.’ Jamal Ouariachi beaamde daarna dat er ‘een verstikkend[e] doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-lucht boven die hele Volkskrant-discussie’ hangt.

De facto is Valkenbergs stelling dat alle hedendaagse literatuurwetenschap onnodige, pretentieuze poppenkast is omdat ze weinig méér zou doen dan modieuze theorieën opdringen aan al voor zichzelf sprekende literaire werken, alleen waar voor degene die zijn huiswerk niet doet. Wie wél uitzoekt wat er binnen het vakgebied zoal speelt, merkt dat de meeste literatuurwetenschappers zich met andere dingen bezighouden – zie voor een indicatie de reactie op Valkenberg van Saskia Pieterse. Wie een serieuze poging doet om hedendaagse literatuurwetenschappelijke stukken te doorgronden, moet concluderen dat ze alleen gelden als onleesbaar en pretentieus voor ongeoefende of lakse lezers. Openlijk ongeïnformeerde ‘pretentieontmaskeringen’ als die van Valkenberg zijn zelden uitwassen van terechte kritiek; wat zou er precies de bedoeling van zijn?

Gomperts' argumentatie staat onomstotelijk, en is helder en humoristisch geformuleerd

Had Valkenberg echt een punt willen maken over de ontwikkeling van de Nederlandse literatuurwetenschap, dan had hij niet alleen de eerste paar alinea’s van de provocerende Huizinga-lezing, gegeven door Karel van het Reve in 1978, opgerakeld om zijn punt te maken. Hij had zich dan verdiept in de uitgebreide discussie die destijds op de lezing volgde, al was het maar om te voorkomen dat hij een al lang en breed weerlegd punt zou maken. Waarschijnlijk was hij dan gestuit op een boek van de door Rosa van Gool al aangehaalde toenmalige hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde H. A. Gomperts, uitgebracht in 1979 in reactie op Van het Reves lezing. Dat boek, Grandeur en misère van de literatuurwetenschap, laat weinig heel van Van het Reves verhaal. Gomperts’ argumentatie, die behalve van moeilijk te evenaren belezenheid, ook van kennis van algemene en vakspecifieke wetenschapsgeschiedenis getuigt, staat onomstotelijk, én is helder en humoristisch geformuleerd – kenmerken die iedere literatuurwetenschapper volgens Van het Reve en co volkomen vreemd zijn.

Hoewel Grandeur en misère van de literatuurwetenschap een pontificale aanval is op de Huizinga-lezing, haalt Van Gool een van de conclusies uit het boek juist aan ter verdediging van Valkenbergs punt. Ook Van Gool vindt dat veel literatuurwetenschappers zich verliezen in hun wetenschappelijke hoogdravendheid, en ze stelt met Gomperts dat de academische bestudering van literatuur niets is zonder haar minder analytische, des te interpretatievere en evaluerende pendant: de literatuurkritiek, waarvoor anno 2017 weinig ruimte over is in dag- en weekbladen. Dat Van Gool met een dergelijk punt zou komen, viel voor mij in de lijn der verwachting. Van Gool was lang mijn collega-redacteur bij deFusie, een collega van wie ik veel geleerd heb, de collega die mij er regelmatig op wees dat ik - ik ben blijkens, bijvoorbeeld, het boven- en onderstaande beduidend minder bedreven in korte, heldere zinnen en stukken schrijven - auteurs liet wegkomen met onnodig complexe zinsstructuren, niet-toegelicht jargon, en argumenten waarin denkstappen werden overgeslagen.

Goed, voor ieder begrijpelijk schrijven is nogal moeilijk en vergt serieuze studie en toewijding

De voornaamste ervaring van een deFusie-redacteur, dagelijks bezig met de redactie van artikelen van beginnende academici, is dan ook dat goed, voor ieder begrijpelijk schrijven nogal moeilijk is en oefening, serieuze studie en toewijding vergt. Dat je tijdens je studie jargon overneemt en ingewikkelde zinnen schrijft, valt te verwachten; het onderschrijft dat waar je mee bezig bent moeilijk is en tijd vergt.

Mensen als Valkenberg en Van het Reve lijken het begrip toewijding te verwarren met het begrip pretentie. Van het Reve zegt in de eerdergenoemde lezing: ‘De eerste akelige eigenschap der literatuurwetenschap die ik ter sprake wil brengen, is de eigenschap der pretentie.’ Hij bedoelt daarmee niet dat literatuurwetenschappers alleen maar doen alsof ze geïnformeerd zijn, want zij zijn, toegegeven, wel degelijk gestudeerd en belezen; hij bedoelt dat literatuurwetenschappers vaak laten doorschemeren hun eigen vak belangrijk te vinden. Volgens mij getuigt dat laatste eerder van toewijding dan van pretentie, en kun je pretentie beter toeschrijven aan degenen die een mening verkondigen over iets waarmee ze zich niet inlaten, over iets waarin ze zich klaarblijkelijk niet verdiept hebben.

Met dit verschil tussen pretentie en toewijding in de hand, wil ik de vraag opwerpen waarom juist cynici als Van het Reve steeds nieuw leven krijgen ingeblazen, waar serieuze intellectuelen als Gomperts het goeddeels moeten doen met de vergetelheid. Ligt daaraan niet een soort haat-aan-hoogdravendheid ten grondslag, en zo ja, is die dan van nu, van alle tijden, of van specifiek Nederlandse makelij, zelfs vormend voor de identiteit van (‘kenniseconomie?!’) Nederland? Waarom zijn nota bene mijn collega’s bij de Nederlandse Boekengids, zo bleek tijdens een rustig, collegiaal moment achter de boekenkraam op de Uitmarkt, wél bekend met polemisch werk van Karel van het Reve én met essayistisch werk van vele auteurs uit andere taalgebieden, maar kunnen zij maar met moeite op namen van invloedrijke essayisten uit het Nederlands taalgebied komen? Is het toevallig dat andere cynici/Karel-adepten (categorie Theodor Holman, Max Pam) al jaar en dag ruim baan krijgen in nationale dagbladen? Me ervan bewust dat mijn tekst al te lang en te ernstig is, zeker voor op internet, wil ik hem nu enigszins abrupt afsluiten, met achterlating van de vraag: drukken wij, Normaal.-Doen.-Nederlanders, ambitie en toewijding, brandstof van al wat waarachtig en de moeite waard is(!), niet al te graag de kop in?

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven