Flickr // Alec Perkins

De prijs van gelijkheidsidealisme

In een moderne, liberale samenleving zijn vrijheid en gelijkheid onbetwist de twee belangrijkste maatschappelijke waarden. Die waarden lijken hand in hand te gaan, maar in werkelijkheid staan zij elkaar vaak in de weg. Een hypothetische keuze tussen een samenleving die vrij en ongelijk is of een samenleving die gelijk en onvrij is, is nog niet zo makkelijk gemaakt. Uiteraard willen wij niet voor deze keuze komen te staan: naar ons idee kunnen deze waarden vredig naast elkaar bestaan. Dit is niet het geval. We kunnen de idealen van vrijheid en gelijkheid niet tegelijk volledig nastreven.

Onze voorouders hebben gevochten voor gelijke rechten en wij zetten deze strijd voort. Deze strijd richt zich tegenwoordig op gelijke kansen. Neem bijvoorbeeld de arbeidsmarkt. De gelijke rechten waar de vrouw voor heeft gevochten staan nu zwart op wit in de wet, maar heeft deze codificatie ons werkelijk gelijk gemaakt? Volgens velen niet, omdat werkgevers nog steeds in staat zijn om uitsluitend, of beduidend meer, witte mannen in dienst te nemen. Hier botsen vrijheid en gelijkheid. Hoe meer gelijkheid wij op de werkvloer afdwingen, hoe meer vrijheid we van de werkgever afnemen om zelf te besluiten wie hij of zij het meest geschikt vindt voor de betreffende functie.

Wat voor de één opgaat, gaat op voor allen

Tot welke hoogten willen we dit gelijkheidsideaal uitbreiden? Vrouwen- of etniciteitquota zijn inmiddels gemeengoed, maar kunnen we ook quota verwachten voor diversiteit van religie, seksuele oriëntatie en meer? Want dat is hoe gelijkheid werkt: wat voor de één opgaat, gaat op voor allen.

We kunnen onze schouders ophalen en denken dat dit de prijs is die werkgevers moeten betalen voor sociale gelijkheid. We streven die gelijkheid na, juist zodat iedereen kan genieten van zijn of haar vrijheid. Maar wanneer we zo de ander zijn vrijheid inperken, verzwakt de claim op vrijheid in zijn geheel. Vrijheid en gelijkheid zijn op sommige vlakken heel moeilijk te verenigen.

Gelijkheid bezit, in tegenstelling tot vrijheid, een unieke kracht. Het is als een rivier die slechts in één richting stroomt en zich niet door ons laat verleggen. We kunnen deze kracht proberen te blokkeren met een papieren wet, maar uiteindelijk breekt deze door en vindt die iedere dag haar weg in de harten en geesten van steeds meer individuen. Gelijkheid zal alleen om meer gelijkheid vragen en elke samenleving die haar invloed heeft gevoeld, zal er vroeg of laat voor moeten knielen. Nu beschrijf ik deze ontwikkeling alsof dit een slechte zaak is. Maar het maakt niet uit of ik deze ontwikkeling als goed of slecht bestempel: ik sta hoe dan ook machteloos tegenover haar krachten. Het enige dat wij kunnen doen is die de juiste richting in leiden. Daarvoor dienen we eerst te begrijpen wat de drang naar meer gelijkheid inhoudt. En dat kan alleen als we in staat zijn om ons kritisch te verhouden tot het onderwerp, zonder vooringenomen overtuigingen. Daar schiet de moderne geest vaak in tekort.

We zijn niet in staat gelijkheid te bekritiseren

Het denken in termen van vrijheid en gelijkheid is zo gewoon geworden, dat we het onbewust meteen als ‘goed’ bestempelen. Zoals een religieus persoon niet in staat is om God in twijfel te trekken, zo zijn wij niet in staat om onze eigen overtuigingen over gelijkheid te bekritiseren. Gelijkheid is bijna transcendent geworden. Maar gelijkheid is een menselijk concept. De mens is gebrekkig, dus zijn concepten en ideeën ook. Daarom kunnen wij het ons niet veroorloven om ons gelijkheidsideaal onbetwist te laten.

Ik spreek voor mezelf als ik zeg dat ik het gelijkheidsideaal niet voor lief neem. Als transvrouw met verschillende culturele achtergronden profiteer ik als geen ander van het gelijkheidsideaal. Juist daarom ben ik geneigd – voel ik mij zelfs verplicht – me kritisch te verhouden tot die ontwikkeling waar ik zoveel baat bij heb. Ik omarm de gelijkheidsdrang, maar dat betekent niet ik bang ben om haar zwakheden in kaart te brengen. Juist dat proces stelt ons in staat om deze ontwikkeling beter en sterker te maken.

Met elke vorm van progressie gaat tegelijkertijd iets verloren in de samenleving. Het voorbeeld van de arbeidsmarkt toont aan dat progressie een prijskaartje heeft. Een hoge prijs, nu vrijheid ons even dierbaar is als gelijkheid. Zijn wij bereid zo veel vrijheid op te offeren voor een meer progressieve samenleving?

Ik zou mij persoonlijk beledigd voelen als ik door een werkgever aangenomen zou worden uit diversiteitoverwegingen. Ik ben me volledig bewust van de mogelijkheid dat ik als transvrouw met een kleurtje wellicht niet dezelfde kansen als een ander heb, maar wil om mijn kwaliteiten worden aangenomen. Het idee dat ik misschien geen gelijke kansen heb, motiveert mij juist om de beste versie van mijzelf te zijn. Toen ik nog een jong jongetje was dat naar de basisschool ging, leerde mijn vader me al dat ik minstens twee keer zo goed moest zijn als mijn medestudenten om net zo succesvol te worden. Hij motiveerde mij om het onderste uit de kan te halen, zodat toekomstige werkgevers mij zouden willen aannemen. Mijn vader was bezorgd om het feit dat ik een andere huidskleur had. Ik wil me niet voorstellen wat hij nu denkt, nu de kleur van mijn huid niet zijn enige zorg is, maar ook mijn geslacht en genderidentiteit. Ik moet op zijn minst drie of vier keer zo bekwaam zijn als hij mij heeft geleerd.

Waarom zouden we onszelf niet nog beter kwalificeren?

Wij komen niet verder door in een permanente slachtofferrol te kruipen en met de vinger naar de  ‘boze witte man’ te wijzen. Daarmee schuiven we de verantwoordelijkheid die wij zelf in deze kwestie hebben van ons af. Als we de helft van de tijd die we nu besteden aan het benadrukken dat we een minderheid zijn, zouden spenderen aan diepere kennis, meer ontwikkelde vaardigheden en aan het worden van de beste versies van onszelf, dan wordt er een emancipatie in gang gezet die een verschil zal maken. Zelfs als dit betekent dat wij harder moeten werken dan anderen. Ik ben bereid om mijn tijd te investeren in deze kennis en vaardigheden, niet alleen voor mezelf, maar voor een emancipatoire ontwikkeling die blijvende invloed zal hebben. Zo zullen toekomstige generaties minder hard hoeven strijden. De realiteit van nu is nog steeds dat we beter gekwalificeerd dienen te zijn, om voor gelijke plaatsen in aanmerking te komen. Dus waarom zouden we onszelf niet nog beter kwalificeren?

Het is niet genoeg te zeggen dat we even gekwalificeerd zijn voor gelijke posities, we moeten dit laten zien door beter gekwalificeerd te zijn. Dat is niet eerlijk, of makkelijk. Integendeel. Het is echter wel de realiteit en die verander je veel effectiever van binnenuit dan van buitenaf. We kunnen ons ofwel vervreemden van deze realiteit waarin wij zo graag een gelijke plaats willen hebben en schreeuwen vanaf de zijlijn met het risico dat niemand ons hoort, of we kunnen ons richten op deelname aan deze realiteit, hoe moeilijk dat ook mag zijn. Als we op deze manier steeds meer gekwalificeerd worden geacht en worden aangenomen op basis van onze kwaliteiten in plaats van onze achtergrond, dan impliceert de keuze van werkgevers om ons aan te nemen hun vrijheid. Vrijheid en gelijkheid kunnen zo in harmonie naast elkaar bestaan. Zij botsen niet, maar reiken elkaar de hand.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Beste Jasmine,

    Wat een fantastisch(e) artikel en levensinstelling! Ik heb zelf een ontzettende verachting voor mensen die het erbij laten zitten omdat ze (op papier of niet) een achtergestelde positie bezitten.

    De politiek van schuld enerzijds, en ''ressentiment'' anderzijds, viert hoogtij deze tijd, en ik vind het ontzettend verfrissend om eindelijk eens van iemand te lezen die juist haar eigen positie ziet als een aansporing om iedereen die twijfelt het tegendeel te bewijzen.

    Mij heb je in ieder geval al overtuigd van je energie en moed. Daar kunnen velen een voorbeeld aan nemen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven