Wikimedia Commons

Academische vrijheid

Mijn oren spitsen zich wanneer ik een flard van het gesprek opvang van het meisje dat al enige tijd op het zelfde tempo achter mij fietst. Ze is op de Carolina Mac Gillavrylaan, vanuit een AUC* studentenflat voor mij het fietspad opgedraaid en op de hoek met de Valentijnkade heb ik haar ingehaald. We fietsen richting het centrum. ‘Heb je gehoord van die lezing die bij ons niet door mocht gaan, van Daniel Irvine ofzo?’ Ze stelde de vraag aan haar vriend of vriendin aan de andere kant van de lijn, achteloos. ‘Het was een studentenlezing, maar er zouden veel mensen op af komen om te demonstreren, linkse mensen’ Ik hoorde het goed, dit meisje was betrokken geweest bij de kort daarvoor verboden lezing van David Irving, de befaamde Holocaust ontkenner. De journalist in mij werd wakker. Ik had ontdekt dat de lezing zou plaatshebben op het AUC, waar ik daarvoor slechts weet had van een geheime privé locatie. Na het gesprek, wat al gauw weer over het aanstaande weekend ging, nog even te hebben gevolgd versnelde ik mijn tred richting huis. Ik had iets ontdekt!

De volgende dag vertelde ik dit verhaal verder, enthousiast als ik was over mijn scoop. Helaas, ik kwam al snel tot de ontdekking dat Folia, toch geen onderzoeksjournalistieke veelvraat, het nieuws met de AUC verbinding al twee dagen eerder op haar website had beschreven. Niets nieuws dus. Bleef over: mijn overpeinzingen op de fiets naar huis. Moeten AUC studenten aan de Universiteit van Amsterdam per se een Holocaust-ontkenner uitnodigen? Is dat relevant of nuttig? Hebben zij daar recht op?

Ja, vanwege hun academische vrijheid. Een breed begrip waar veel onder te schuiven valt, maar Wikipedia zegt hierover: Academische vrijheid is het beginsel volgens welk de docenten en de onderzoekers aan de universiteit (en de studenten? AM), in het belang van de ontwikkeling van de kennis en van de verscheidenheid van de meningen, een zeer grote vrijheid moeten genieten om onderzoek te verrichten en om in de uitoefening van hun functies hun mening te uiten. Dat lijkt duidelijk. Of niet?

Academische vrijheid is volgens een zelfde ruimhartigheid gedefinieerd als de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van onderwijs, binnen een normatief kader. Dat roept vaak direct de vraag op ‘waar ligt de grens’ en gaat een AUC student daar overheen in zijn uitnodiging aan een Holocaust ontkenner. Of is het verbieden van een dergelijke lezing een te grote inperking van deze vrijheid, door de gemeente?

Het voorval deed mij direct denken aan de affaire Ramadan uit 2009. Op 18 augustus 2009 maakte de gemeente Rotterdam een einde aan de samenwerking tussen gemeente, universiteit en Tariq Ramadan. Zij ontsloeg Ramadan als gasthoogleraar en bruggenbouwer. De reden was de Ramadan ook bruggen had proberen te bouwen richting Iran – hij verscheen met regelmaat op de Iraanse staatstelevisiezender PressTV – en aan dat soort bruggen hadden ze in Rotterdam anno 2009 weinig behoefte. Volgens Ramadan had Geert Wilders Rotterdam in zijn greep.

De reacties na dit ontslag, in verschillende nationale kranten en bladen, kunnen kort worden samengevat als: het ontslag van Ramadan tast de academische vrijheid aan.  Zelf merk ik, na intensieve zelfstudie, dat ik wel aan de kant van de gemeente Amsterdam sta, maar niet aan die van de gemeente Rotterdam. Ramadan gun ik zijn leerstoel, maar Irving verdient volgens mij geen podium. Echter, in beide gevallen kan ik wel begrijpen waarom een gemeente na afweging besluit om de beladen lezing te verbieden, of de ter discussie staande leerstoel op te heffen. Er zijn grenzen aan academische vrijheid.

In het korte pleidooi ‘Hoe oefenen academici hun recht op vrije meningsuiting het best uit – en hoe wordt dit recht het best gereguleerd? ‘ bespreekt Herman de Dijn onder andere de ‘grenzen aan de rationaliteit.’ De Dijn schrijft hier dat academici vaak uitgaan van twee premissen: ‘(1) de kritische bevraging (‘confrontatie met de waarheid’) primeert in alle omstandigheden op alle andere waarden en (2) dat alleen dat wat op rationele gronden verdedigd kan worden, de moeite waard is om behouden en gewaardeerd te worden.’ In het licht van al het bovenstaande is vooral de eerste vooronderstelling interessant, want is het zo dat het initiëren van een rationele discussie met een Holocaust ontkenner per definitie een goed idee is, omwille van academische meningsvorming? Of kan het zijn dat andere waarden, zoals maatschappelijke onrust of de kosten die worden gemaakt aan bijvoorbeeld beveiliging, wel degelijk meegewogen moeten worden ook al zullen lang niet al die argumenten altijd rationeel en onderbouwd zijn, maar soms slechts op gevoel berusten.

Centraal in de hierboven beschreven overweging moet volgens mij altijd de wetenschapper zelf staan. In het kiezen van het onderwerp wat bestudeerd wordt, het al dan niet gebruiken van proefdieren of het al dan niet uitnodigen van een kwestieuze gast zal het altijd de wetenschapper zelf moeten zijn die deze afweging maakt. Bovendien, zo schrijft ook De Dijn in zijn korte pleidooi, er bestaan (morele) grenzen aan de vrijheid van academici en wetenschappers zijn zich hier volgens de Dijn niet altijd van bewust.

Wanneer men academische vrijheid volgens het zelfde normatieve kader beziet als vrijheid van meningsuiting kan denk ik minimaal worden gesteld dat de verantwoordelijkheid ligt bij de gebruiker van dit recht. Wellicht dus dat de studenten van het AUC volgende keer wat voorzichtiger met dit recht om moeten springen en zich eerst moet afvragen hoe relevant hun gast werkelijk is.

* Amsterdam University College

Verder lezen:

Hoe oefenen academici hun recht op vrije meningsuiting het best uit – en hoe wordt dit recht het best gereguleerd? ‘ Herman de Dijn, Etische Perspectieven, 2005.

Gerelateerde artikelen
Reacties
2 Reacties
  • ik had dit artikel al eerder gelezen, maar toen moest ik er nog even over nadenken. ik ben het met je eens dat je vrijheden over het algemeen moet afwegen tegenover elkaar. in je betoog verdedig je dat wel door de gelijktrekking met bijvoorbeeld van vrijheid van meningsuiting, maar de precieze casus in dit geval werk je niet uit, wat denk ik misleidend is. in dit artikel suggereer je dat 'maatschappelijke onrust' en 'kosten van beveiliging' als tegenargumenten gebruikt zouden kunnen worden. ten eerste vind ik dit nou precies de categorie argumenten die niet tegen academische vrijheid gebruikt zouden mogen worden. een universiteit die vanwege kosten een debat weigert staat misschien wel in zijn recht, maar doet hierbij zijn naam als universiteit niet eer aan door te laten zien waar de prioriteiten liggen.

    ten tweede kan je je afvragen of dit werkelijk de overwegingen waren. is het niet waarschijnlijker dat de goede naam van het AUC of een bepaalde maatschappelijk-conventionele opvatting oorzaak waren van de weigering? alhoewel ik zelf elk engagement aanmoedig om het ontkennen van de Holocaust tegen te gaan, denk ik dat het laten spreken van ontkenners dit alleen maar ten goede zou komen. het wegstoppen en ontkennen van een dergelijk discours lijkt mij gevaarlijk en bovendien onnodig.

    het ingewikkelde in dit geval is dat het de vraag is wie hier de vrijheid toekomt. het lijkt mij uiteindelijk de vrijheid van de universiteit om een debat al dan niet te organiseren. Irving kan ook ergens anders zijn praatje houden. de studenten kunnen het debat ook in een andere context organiseren. het antwoord blijft mijns inziens ja: de studenten hebben het recht om dit debat te organiseren. echter, de universiteit heeft ook de vrijheid om het te weigeren, ookal siert het haar niet. in een maatschappij waar studenten niet de vrijheid hebben om omstreden debatten te organiseren en dit gewogen wordt tegenover 'maatschappelijke onrust', bestaat geen daadwerkelijke academische vrijheid of vrijheid van meningsuiting. deze vrijheid is in principe onbeperkt, wat mij betreft.

  • Arjan Miedema,

    Beste Leon,

    bedankt voor je reactie!

    Wat zijn volgens jou argumenten die wel tegen de Academische vrijheid gebruikt zouden kunnen worden?

    Maatschappelijke-conventionele opvattingen als argument, lijkt mij van hetzelfde soort als het argument dat er onrust ontstaat wanneer men zich buiten die conventies begeeft.

    Met dit stuk probeer ik enkel het punt te maken dat rechtmatige eigenaren van vrijheid, in dit geval Academische Vrijheid, zich altijd de vraag moeten stellen in hoeverre het maximaal gebruiken van dit recht opweegt tegen de kosten hiervan. Daarbij moet niet enkel rekening worden houden met puur rationele argumenten.

    Jouw argument dat het wegstoppen van de 'ontkenners' gevaarlijker is dan uitnodigen, vind ik overtuigend. Wat niet wegneemt dat er in het algemeen een grens aan vrijheid kan bestaan.

    Arjan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven