Flickr / Tina H

Alleen de exorbitante poëzie redt ons van het dogma

De dood van VergiliusHerman Broch1989
Over: Der Tod des VergilAnneke Brassinga1986
AeneisVergilius29-19 v. Chr.

Gelooft u in het woord? In het vleesgeworden woord van een God die minder en minder gehoord wordt? Heeft u weleens de woorden over uw tong laten vloeien als ware het zonder doel? Om via kronkelwegen, hinkelbanen, verdwazende en verhelderende exposés en excursies, door de cirkelende, zoekende drift van uw woorden juist datgene uit te drukken wat zich niet zeggen laat, wat u niet gezegd zou willen hebben of wat zich zelfs alleen maar als een mislukt streven tot spreken kan tonen?

Het enkelvoudige woord van een God dat alles in zich sluit en de eindeloze stroom van woorden van een raaskallende dichter die niets wezenlijks te zeggen heeft: op het eerste gezicht lijkt niets verder uit elkaar te liggen. Toch worden beide samengebracht in Herman Brochs De dood van Vergilius (in 1989 vertaald door de recentelijk met de P.C. Hooftprijs bekroonde dichter Anneke Brassinga). Het werk staat bekend om zijn pagina’s lange zinnen (gemiddeld 91 woorden) die middels alliteraties, neologismen en oxymoronen de lezer door de gedachten van de dichter van de Aeneis heen sleuren. We volgen Vergilius in de laatste dag van zijn leven. Het vooruitzien van de dood doet hem terugzien in berouw. Zijn hoofdwerk, de Aeneis, is ijdele schoonschrijverij die louter de staat heeft gediend, maar niet de waarheid of de mens. Hij komt tot het besef dat hij zijn leven had moeten wijden aan het streven naar kennis en het uitdragen van liefde, dat hij als de hoogste werkelijkheid komt in te zien. Deze waarheid overmant hem zo heftig dat alleen Caesar Augustus in staat is om hem ervan te weerhouden het dichtwerk te vernietigen. In zijn laatste uren ontvouwt visioen na visioen hem de structuur van de schepping als herschepping: de onveranderlijkheid van de veranderlijkheid van het zijn als wordingsproces.

De eerste indruk van de roman is echter die van een mislukking! Broch is zo excessief in zijn taalgebruik en beeldkettingen dat het zijn eigen denkbeelden ongeloofwaardig maakt. Zelfs Brassinga spreekt in dit verband van een "reliek ... van verlangen naar een eenheid die eeuwen geleden nog bevattelijk was, misschien, maar die in Brochs werk onmogelijk en ongeloofwaardig aandoet." Maar waar Brassinga spreekt van een mislukking wil ik betogen dat Broch ergens in geslaagd is. Hij toont namelijk de wijze waarop we om kunnen gaan met ervaringen en denkbeelden die normaal verloren gaan in religiekritiek en het verwerpen van grote verhalen. Hij laat ons zien hoe we om kunnen gaan met ons onvolmaakt streven naar volmaaktheid. Daarmee zeilt hij tussen de dogmatische Scylla, volgens welke we religie weer serieus moeten nemen om zin te geven aan een grootse opvatting als liefde als scheppingsmacht, en de sardonische Charybdis, die ertoe neigt dit soort ervaringen en denkbeelden te ironiseren tot het punt dat we ze lachwekkend vinden in de ander en beschamend in onszelf.

Broch laat ons zien hoe we om kunnen gaan met ons onvolmaakt streven naar volmaaktheid

Om dit te laten zien duiken we een tamelijk willekeurig gekozen gedeelte van een zin in:

‘maar hij wist ook dat de schoonheid van het zinnebeeld nooit doel op zich mag worden, hoe scherp het daarnaast ook de waarheid verzinnebeeldt; hij wist dat steeds als dat gebeurt, als de schoonheid een doel in zichzelf wordt, de kunst in haar wortels wordt aangetast, doordat de scheppingsdaad onherroepelijk in haar tegendeel omslaat: het scheppende wordt overwoekerd door het geschapene, de inhoud door de lege vorm, het ware en het gekende door het louter schone, in hopeloze verwarring, hopeloos de cirkelgang van omkering en verwisseling, zo in zichzelf besloten dat er geen vernieuwing mogelijk is, dat er niets meer wordt ontsloten, niets ontdekt, noch het goddelijke in het verworpene, noch het verworpene in's mensen goddelijkheid; niets rest dan de roes van lege vormen, lege woorden, en in die verloochening van alle onderscheiding, van de eed, verlaagt de kunst zich tot onkunst en de poëzie verwordt tot schoonschrijverij, waarlijk, dit wist hij, en zijn weten was vol smart,’

Wie weet in het midden van dit citaat nog dat we zijn begonnen met "hij wist"? En wie houdt precies uit elkaar welke zaken des werelds zijn en welke verheven?

Van een perspectief op Vergilius verglijden we naar het perspectief van Vergilius, meanderend via de wereldse kunst en de bovenwereldse metafysische ideeën. Zo behandelt Broch zijn tegenstellingen: ze verdwijnen haast in elkaar, heffen elkaar op, maar bevestigen elkaar daardoor juist eerst. Soms duurt dat pagina's lang en op andere momenten kan het in twee woorden. Dat maakt het mogelijk om de manische zoektocht naar kennis en de koortsige zelfkritiek van Vergilius die daarbij komt kijken weer te geven.

Brochs poëzie, die een manische indruk maakt, blijkt wel degelijk in staat eenheid uit te drukken

De roman, of liever: het exorbitante gedicht probeert bij monde van Vergilius uitdrukking te geven aan het woord dat alles grond en zin geeft. Maar Vergilius komt tot het inzicht dat het niet-kennen ‘de grondslag [is] van zijn weten, want het is de stromende groei van zijn ziel, het onvoleindbare, het onvoltooide van zijn zelf, dat toch als eenheid zich ontvouwt.’ Brochs poëzie, die in eerste instantie een manische indruk maakt, blijkt dus wel degelijk in staat een woord van eenheid uit te drukken, omdat deze eenheid blijkt te liggen in het onvoltooide, het strevende, het wordende: juist in haar onvolkomenheid ontvouwt zich die eenheid.

Het niet-weten als onvolmaakte grond neemt daarbij meteen twee vormen aan in het gedicht. Het wordt ten eerste als menselijk falen getoond via het hoofdpersonage: de onwetendheid van de dichter die desalniettemin streeft naar kennis. Maar ook demonstreert en benoemt het gedicht de fundamentele onvolkomenheid in de schepping zelf: ‘het ongeschapene dat geen vorm heeft, zich weert tegen de vorm.’

Het zijn is voor Broch een wordingsproces en deze veranderlijkheid probeert hij als klassieke eeuwigheidsgedachte te formuleren: ‘herschepping die scheppingskracht ontleent aan zijn onveranderlijkheid.’ Om deze grondgedachte van wording uit te kunnen drukken is Broch genoodzaakt om de onvolmaaktheid in het streven naar volmaaktheid tot vorm van zijn dichtwerk te maken: juist de vormeloosheid vormt de vorm. De exorbitantie, het exces aan uitdrukking, maakt dat het gedicht een constant herformuleren vormt van dezelfde grondgedachte. Het gedicht is daarmee onderhevig aan hetzelfde principe van herschepping als het zijn dat het probeert te bezingen.

Zelfondermijning is geen mislukking maar de kans voor een uitzonderlijk werk om ons te inspireren

Juist Brochs poëzie is onovertroffen in het tonen van eenheid door vormeloosheid en het tonen van de vorm van het streven. De Romantiek, opgevat als literaire stroming die tegenstellingen als het eindige en het oneindige probeert te verzoenen, heeft eenzelfde doel op een andere wijze geprobeerd te bereiken. Zij heeft vaak een fragmentarische stijl gehanteerd om het onvoltooide uit te drukken. Denk bijvoorbeeld aan Tieck's Franz Sternbalds Wanderungen waarvan het slot nooit uitgeschreven is maar alleen beknopt meegegeven in een nawoord. Of Friedrich Schlegel's Lucinde waarin de hoofdpersoon zijn eigen brieven, dagboekaantekeningen, etc. ad hoc de revue laat passeren om erover te kunnen reflecteren. Maar de kunst van Broch is nu juist dat het werk niet fragmentarisch is, maar compleet en toch onvoltooid. De exorbitante beelden en excessieve herhalingen halen namelijk hun eigen zin deels onderuit en het verhaal verwordt vaak tot raaskallend betoog.

Maar als poëzie zo haar zin ondermijnt, wat blijft er dan nog over? Hoe komt het dat Broch, nu hij Scylla heeft ontweken, niet op Charibdis afvaart? Het antwoord is denk ik te vinden in het volgende citaat:

'was de stem werkelijk in al zijn werkelijkheid aan hem verschenen? waarom zweeg hij dan nu? waar was de stem? waar?! Hij vroeg, hij vroeg en vroeg! hij vroeg, nog steeds, en toch - al zoekend, zocht hij niet meer! Want wat hem was geopenbaard, al meende hij het niet meer te geloven, was overal om hem heen, overal hoorde hij het: in het knerpen van de wagens, in de slepende gang van de lastdieren, in de slapende, gegroefde gezichten van de boeren, in hun ademen, in het ademen van de duisternis, in het ademen van de nacht, en alles, of het nu noodlot droeg of niet, al het aardse en al het menselijke was tot hem ingegaan, en was opgenomen in zijn daadkracht.'

Profeten zijn dichters die in hun verzen zijn gaan geloven

Een openbaring wordt hier teruggebracht tot de ervaring. Het woord van liefde is Vergilius ontnomen maar juist daardoor kan hij liefhebben. Zo is ook de zelfondermijning van Broch's roman geen mislukking maar de kans voor een uitzonderlijk werk om ons te inspireren.

Profeten zijn dichters die in hun verzen zijn gaan geloven. Het is doordat de exorbitante dichter zijn denkbeelden doet overlopen in zijn eindeloze woordenstroom dat hij zich onttrekt aan het dogma, namelijk de naïeve veronderstelling dat de ware kennis al is bereikt. Hij ontkracht telkenmale wat hij eerst na een lange zoektocht heeft weten uit te drukken en juist die ontkrachting wordt uitgedrukt en is daarmee een uitdrukking van het enige werkelijke uitdrukbare.

De boodschap waarvoor Vergilius in Brochs werk sterft lijkt te zijn: liegt u niet! Beseft u dat alles, ook elke god, zal sterven. U moet de beperktheid van alle woorden inzien – religieuze, poëtische, filosofische en wetenschappelijke – zonder om hun beperking te lachen. Zoals Vergilius de liefde ontdekte en zijn geloof daarin ook weer moest opzeggen om het te kunnen voelen, zo moeten we al onze woorden in de ervaring invoegen zonder ze daarbuiten te laten dwalen. Alleen zo kunt u in waarheid spreken, alleen zo kan uw spreken uitdrukking van uw streven zijn. Zoals de exorbitantie van Brochs poëzie Broch verhindert enig denkbeeld te dogmatiseren, zo moet uw eigen poëzie u niet dichten maar weer open maken. Niet de ironie van de sardonische scepticus met vileine theorieën en postmoderne grollen, maar de exorbitantie van het beperkte streven redt ons van het dogma.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven