Ben Corman / Flickr

Alleen in mijn kleding kan ik wonen

Wie zich een beetje verdiept in het reilen en zeilen van de mode-industrie kan zich een voorstelling maken van deze zeer vervuilende bedrijfstak waarin een neokoloniaal wereldbeeld werkelijkheid is geworden. De mode-industrie is voor een aanzienlijk deel verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde. Het valt te betwijfelen of uit de verduurzaming van mode fundamentele alternatieven voort zullen komen. Hoe kan mode wél een krachtig antwoord op de klimaatcrisis bieden?

Laten we beginnen bij het begin: wat is mode eigenlijk? Volgens de Amerikaanse cultuurwetenschapper Minh-Ha T.Pham is mode vooral tot een normatief systeem verworden. De mode-elite heeft de term weggekaapt en synoniem gemaakt voor ‘westerse moderniteit’, ‘vernieuwing’ en ‘keuzevrijheid’. Op die manier is een binair onderscheid ontstaan tussen ‘mode’ en ‘niet-mode’: tegenover de (artistieke) vernieuwingsdrang, dynamiek en veerkracht van ‘geavanceerde’ samenlevingen staat alles wat per definitie niet ‘modern’ te noemen is en associaties oproept met onderdrukking, ‘primitieve’ normen en waarden en een gebrek aan innovatievermogen.

Mode is tot een normatief systeem verworden

Onze volstrekt doorgeslagen koop-en hebzucht en obsessie met trends is voor een deel terug te voeren op dit betoog. Hierbij gaat het niet zozeer om de zojuist genoemde binaire opposities, maar om ‘mode’ als normatief systeem. Sommige modehuizen produceren wel vier of zes collecties per jaar; dat zijn absurd grote hoeveelheden kleren. Bedrijven als Zara, H&M en Primark spelen met hun ‘snelle mode’ in op de trends die door andere modehuizen, modebloggers en beroemdheden worden gedicteerd – de normatieve werking van ‘mode’ in een notendop.

Menigeen zal stellen dat ‘duurzame’ mode een uitweg uit dit verdorven systeem biedt. Maar we kunnen ook vraagtekens plaatsen bij recente ontwikkelingen op het gebied van ‘duurzame’ mode. Zo zetten kledingbibliotheken en de productie van ecologisch verantwoorde kleren wellicht een rem op de razendsnelle productieketens van de mode-industrie – maar met welke intensiteit? Het kapitalisme lijkt sterker dan ooit te zijn, vermomd als kansrijk, waardevrij, veerkrachtig en emancipatoir systeem in een ogenschijnlijk ideologieloos jasje waarvoor uiteindelijk een hoge prijs moet worden betaald. De zojuist genoemde initiatieven bewerkstelligen geen definitieve breuk met de status quo – de koopkrachtige, ‘westerse’ mode-elite, consumenten van ‘fast fashion’, amoreel handelende multinationals en grote luxeconglomeraten – omdat ze de logica van het kapitalisme niet daadwerkelijk ondermijnen.

Het is hoog tijd om tot een fundamenteler besef van de klimaatcrisis en de urgentie van de omslag naar een ander modesysteem te komen. Om die verandering wezenlijk te kunnen begrijpen, moeten we verder gaan dan de ambitie om alles, dus ook de mode-industrie, te willen verduurzamen. Dat streven raakt namelijk vooral aan oplossingsgezindheid, en niet zozeer aan de emotionele impact van een veranderend klimaat, aan gevoelens van onzekerheid, angst en (wan)hoop.

De Britse auteur Zadie Smith beschrijft treffend hoe er wel een wetenschappelijke, ideologische taal bestaat waarmee klimaatverandering van context voorzien wordt, maar, zo stelt ze, ‘[…] there are hardly any intimate words’. Smith lijkt hier op de noodzaak voor een alternatief vocabulaire te zinspelen; een vocabulaire dat de dingen in perspectief plaatst, van de plaatselijke, ‘kleine’ veranderingen tot de ergste doemscenario’s en de wijze waarop die gestalte krijgen in onze geest. Misschien schuilt een alternatief vocabulaire bijvoorbeeld in de visuele taal van mode. Die taal kan in potentie ruimte creëren voor ideeën die zowel hoopvol als confronterend kunnen zijn en, bovenal, de grenzen van de menselijke verbeeldingskracht oprekken.

We moeten verder gaan dan de mode-industrie te verduurzamen

Heldere voorbeelden van zulke ideeën vinden we bijvoorbeeld in het werk van de Japanse modeontwerper Kosuke Tsumura, die voor het door hemzelf opgerichte cultmerk FINAL HOME de zogenaamde ‘Survival Coat’ heeft ontworpen. Deze multifunctionele jas voorziet de drager letterlijk van een laatste – of wellicht toekomstig – (t)huis: ‘When people lose their home, their final protection is their clothing’, zo luidt de boodschap die op het label van de jas is gedrukt. Het is een buitengewoon utilitair concept, gebaseerd op het idee dat kleding fundamentele bescherming zou moeten bieden tegen externe, fysieke gevaren in tijden van rampspoed. Voor Tsumura kan mode dus ook betekenisvol zijn als het gaat om de primaire levensbehoeften die vrijwel ieder mens heeft indien ze ontheemd is geraakt en niet langer verzekerd is van een veilig onderkomen. Is hier sprake van een revolutionair idee? Tsumura dwingt je in ieder geval na te denken over de vraag wat mode voor ons betekent en zou kúnnen betekenen. Bovendien geeft hij met de ‘Survival Coat’ impliciet gehoor aan een ander soort verlangen – naar bijvoorbeeld een postkapitalistische samenleving; een verlangen dat onlosmakelijk verbonden is met de angst voor dat-wat-er-komen-gaat.

Met zijn ontwerp voor een ‘overlevingsjas’ anticipeert Tsumura op een wereld die we (nog) niet in concrete hoedanigheid beleven en kennen, en misschien ook niet willen kennen. Deze benadering van mode roept bovendien ook fascinerende en urgente vragen op: de vraag wat een waardig bestaan nu werkelijk in zou kunnen houden; wie of wat de mens moet beschermen en koesteren; door wie of wat mensen worden beschermd; hoe de hegemonie van het eurocentrische en Anglo-Amerikaanse denken ondermijnd kan worden. En de vraag wie nu eigenlijk bij machte is deze vragen te stellen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven