Flickr / Ivy Dawned

Een sterk staaltje kwaad met kwaad vergelden

Categorie crisiswetgeving, hoofdstuk twee. Belastingheffing op uitstaande schulden en variabele beloningen moet gaan zorgen voor beteugeling van bonussen en risicobeheersing in het bankwezen. Een bankenbelasting. Het klinkt krachtig en lijkt gerechtvaardigd; de banken zijn toch schuldig? Of hebben we behoefte aan een zondebok? Hoe het ook zij, de effecten van een belasting zijn ons niet geheel bekend. Dit maakt het tot een gevaarlijk middel waarbij voorzichtigheid is geboden. Helaas lijkt die voorzichtigheid in het huidig politiek handelen te ontbreken.

“Wanneer de koers van beschaving een onverwachte wending maakt, berispen we van nature alles behalve onszelf.” Met deze woorden laat filosoof Hayek in zijn The Road to Serfdom (1944) zien dat hij beschikt over een scherp inzicht in de menselijke geest. Decennia later gaf psychologisch onderzoek naar cognitieve dwalingen zijn idee formeel gestalte. De self-serving bias beschrijft ons onvermogen om aan persoonlijke prestaties een juiste oorzaak toe te schrijven. Kort gezegd zijn we geneigd om onszelf bij persoonlijk succes een schouderklopje te geven, maar zoeken we bij persoonlijk falen maar al te graag de oorzaak elders. Vaak handig, die eigenschap stelt ons namelijk in staat om niet bij de pakken neer te zitten als het eens mis gaat. Tegelijk kan het ervoor zorgen dat we foutieve informatie gebruiken bij het maken van een keuze.

Alle vingers wijzen naar de banken.

Een sprekend voorbeeld hiervan ontvouwt zich in de nasleep van de kredietcrisis: alle vingers wijzen naar de banken. Zij namen risico, ‘wij’ kregen de crisis. En nu? Zijn zij schuldig? Dat weet ik niet. De politiek weet het wel en houdt het simpel: Ja, ‘zij’ zijn schuldig en ‘zij’ zullen daarvoor boeten. En dus komt er een bankenbelasting.

Het past in een groter raamwerk van maatregelen dat moet bijdragen aan risicobeheersing op de financiële markten. Of het instrument het gewenste effect heeft valt te betwisten.  Zeker is wel dat er neveneffecten optreden. Een bank zal een toename van kosten, net als ieder ander bedrijf, laten neerslaan bij haar belanghebbenden. Denk aan werknemers, aandeelhouders, verschaffers van vreemd vermogen en afnemers van kredieten. Een randvoorwaarde die de minister aan de bankenbelasting stelt is dat het instrument geen substantiële negatieve impact op de kredietverlening mag hebben. Maar is het eigenlijk wel mogelijk om dit effect in een cijfer uit te drukken? Een schrijven tussen Raad van State en Minister van Financiën illustreert de moeilijkheid die hiermee gepaard gaat.

Op 16 maart 2011 spreekt De Jager: ‘De voorgestelde tariefstructuur, 0,022 procent op kortlopende schulden en 0,011 procent op het resterende belastbare bedrag, heeft volgens onderzoek van DNB een relatief beperkte negatieve impact op de kredietverlening aan Nederlandse huishoudens en bedrijven.’[1]

Op 5 oktober, tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen, voegt hij daaraan toe: “De Nederlandsche Bank heeft inmiddels al gezegd dat het geïsoleerde effect van de bankenbelasting op de kredietverlening waarschijnlijk niet meetbaar is.”[2]

De Raad van State reageert op 9 november in een advies: “Dit verdraagt zich niet met (…) de voorgestelde tariefstructuur, die ervan uitgaat dat het effect wel meetbaar is. Verder is geenszins duidelijk hoe en waarom de hier bedoelde randvoorwaarde heeft kunnen leiden tot de voorgestelde tariefstructuur.”[3]

De Jager geeft een reactie op 15 december: “Inmiddels heeft DNB het effect van de bankenbelasting op het uitstaande kredietvolume (…) wel kwantitatief kunnen inschatten. DNB verwacht dat het uitstaande kredietvolume zal afnemen met 0,05%, hetgeen neerkomt op omstreeks € 500 miljoen. De inschatting van het effect op de kredietvraag is wel slechts kwalitatief, al verwacht DNB dat de bankenbelasting zal leiden tot een toename van de leenspread met één basispunt. Naar aanleiding van het voorgaande schat DNB in dat de bankenbelasting een relatief beperkte negatieve impact op de kredietverlening aan Nederlandse huishoudens en bedrijfsleven zal hebben.”[4]

Wat betekent het voorgaande? We zien ten eerste dat de partijen cijfers willen om een economisch besluit op te baseren. Er moet in een behoefte aan zekerheid worden voorzien om tot overeenstemming te komen. Wat verder in het oog springt is de moeilijkheid om het effect in cijfers uit te drukken. Er gingen negen maanden overheen alvorens de minister van financiën de voorgestelde tariefstructuur cijfermatig kon onderbouwen. Zelfs na zoveel tijd is het resultaat ‘zacht’: één kwantitatieve en één kwalitatieve ‘inschatting’. Waarom is het zo moeilijk om met harde cijfers te komen? 1. Er bestaat geen ‘identieke’ situatie uit het verleden die de juiste data verschaft; 2. De complexe werkelijkheid is niet in het laboratorium na te bootsen.

Er bestaan, derhalve, fundamentele bronnen van onzekerheid. De uitgebreide rekenmodellen ten spijt: de exacte gevolgen van sociaal economische besluitvorming zijn niet te kennen. Dit vraagt om voorzichtigheid bij interventies. In het bijzonder als het gaat om de financiële markten, het kloppend hart van ons economisch systeem. De beslissingen van financiële instellingen zijn bepalend voor de economische keuzevrijheid van allen: consumenten, producenten en overheid.

Een sterk staaltje kwaad met kwaad vergelden.

Nu heeft de PvdA een amendement ingediend om het voorgestelde tarief te verdrievoudigen. Om welke reden? ‘Om risico's verder te dempen.’ De enige zekerheid die dit amendement biedt is een toename van overheidsinkomsten. Het biedt de PvdA ook een kans op electoraal gewin. Omdat de krachtige woorden gehoor lijkt te geven aan de roep van de samenleving: ‘Zij’ zijn schuldig en ‘zij’ zullen daarvoor boeten. We weten echter slechts ten dele wat de effecten van de heffing zijn. Ofwel: we weten voor een deel niet wat de effecten van de heffing wel en niet zijn. Aanname van het amendement betekent dat de samenleving zelf wordt blootgesteld aan onbekende risico’s. Het tegenovergestelde van het doel dat de PvdA voor ogen heeft. En, ironisch genoeg, exact datgene waarvoor zij de banken wil straffen. Een sterk staaltje kwaad met kwaad vergelden.

Met de roep om een eenduidig instrument als bankenbelasting maakt de politiek een fout die in de kern lijkt op fouten die door banken zelf zijn gemaakt. Ondanks al hun inspanningen om risico’s te verkleinen bleven onbekende risico’s bestaan en groeien. Dat komt doordat hun analyses zich richtten op de werkelijkheid die we kennen. En, zoals ik eerder schreef, ons begrip van de werkelijkheid is een verkleind begrip. Met al wat we niet kennen houden we in onze inschattingen en keuzes onvermijdelijk geen rekening. Die bronnen van onzekerheid spelen in ‘de bestaande werkelijkheid’ wel degelijk een rol. Pleiten voor een bankenbelasting als hét middel om risico te dempen geeft daarom blijk van een onterechte claim op objectieve kennis. Hoe groot de behoefte ook mag zijn om ‘iets’ dat ‘de markt’ een lesje leert; simpel overheidsingrijpen is niet het middel. Een ambtenaar maakt namelijk dezelfde inschattingsfouten als een handelaar, als een sporter, als een professor, als jij en ik. En daarom, juist daarom, zijn nuance en voorzichtigheid de sleutelwoorden bij de keuze voor een nieuw en ingrijpend beleidsinstrument.

 


[1] Voorstel van wet inhoudende invoering van een bankenbelasting: memorie van toelichting

[3] zie [2]

[4] zie [2]

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven