Flickr / James Hightower

Barmhartige stad: model voor de moderne mens

De IndringerJean-Luc Nancy2002
DorpslevenAmos Oz2011
SchuldWalter van den Berg2016

Identiteit is niet meer grondgebonden: een Nederlander woont niet noodzakelijk in Nederland, een inwoner van Nederland kwam er niet per se ter wereld. Families die hun kinderen grootbrengen op hun eigen geboortegrond en hun plaats in een dorpsgemeenschap generatie op generatie overdragen, worden schaarser. Wie zich op nostalgische wijze beklaagt over de eenzame en egocentrische stadsmens, gedegenereerd ten opzichte van de loyale dorpeling met trouwe vrienden en hechte familiebanden, moet vandaag de dag erkennen een hekel te hebben aan meer dan de helft (54%) van de wereldbevolking. Postmodern filosoof Jean-Luc Nancy beschouwt de moderne wereld juist graag als stad. De stadse literatuur van Walter van den Berg en het dorpse schrijven van Amos Oz maken duidelijk waarom ‘stadsdenken’ als model voor het hedendaagse bestaan inderdaad overwegenswaardig is.

Dorpelingen die door hun geboortegrond worden verbonden, hoeven doorgaans niets te maken te hebben met onbekenden, met ‘anderen’: buitenstaanders zijn indringers en indringers houd je buiten de deur. Een beetje stadse flat huist juist duizenden zielen, en onder de gebouwgenoten zijn dus massa’s ‘anderen’. Voor de moderne, ‘stadse mens’ is het, anders dan voor de ouderwetse ‘dorpeling’, onzinnig, zelfs onmogelijk om ‘anderen’ af te doen als insignificant. Contact met anderen is aan de orde van de dag, een voorwaarde voor het moderne bestaan, de moderne mens leeft in nabijheid van en met de ander. Die nabijheid noodzaakt niet dat mensen zich ‘aanpassen’ aan de waarden van anderen; de stedeling onderkent dat zijn waarden ontstaan bij de gratie van zijn contact met anderen. Wie zijn moderne conditie omarmt, erkent dat zijn eigen ‘zelf’ getekend wordt door een zekere ‘andersheid’.

Iedere dorpeling keert na een avond samenzijn ‘ongeschonden’ terug naar zijn geboortegrond

Amos Oz’ Dorpsleven volgt via losstaande verhalen verschillende bewoners van het Israëlische dorp Tel Ilan, ‘een oud dorp dat al meer dan honderd jaar bestond’. Families houden er al generaties lang alleen hun eigen huis en haard. Het voorlaatste verhaal in de bundel beschrijft een oud dorpsgebruik: de buren komen samen in het huis van Dalia en Avraham Levin om een avond lang traditionele liederen te zingen, onder het genot van verschillende gangen hapjes die op gezette tijden worden geserveerd. Hoewel de dorpsbewoners alle in dezelfde kamer samenkomen met de mensen met wie ze opgroeiden, voelt geen van hen zich verbonden met de rest. Hun contact is oppervlakkig. De enige uitwisseling die plaatsvindt is die van beleefdheden; uitwisseling van voorkeuren, ideeën, inzichten, blijft uit. Karakters die in het ene verhaal de hoofdrol hebben, komen in de andere verhalen hooguit langs als vluchtige voorbijgangers. Iedere dorpeling keert na een avond samenzijn ‘ongeschonden’ terug naar zijn geboortegrond.

Het dorpsleven in Dorpsleven wordt gekenmerkt door stabiele identiteiten. Ben je in de dorpsstraat geboren, dan kun je je hele leven een bewoner van de dorpsstraat blijven, zonder dat je daarvoor iets hoeft te ondernemen, je je plek moet heroverwegen of bevechten. Die stabiliteit staat in contrast met het soort stad dat Jean-Luc Nancy beoogt als verbeelding van de moderne menselijke conditie. In het essay Stad in de verte uit 1987, dat in 1999 een vervolg kreeg, vormt Los Angeles het uitgangspunt van zijn filosofische overwegingen. L. A. is een stad zonder centrum. Hooguit huist de stad een veelheid aan centra, waar suburbs, getto’s en shopping districts niet door duidelijke grenzen van elkaar gescheiden zijn, maar overal in elkaar overlopen. Een identiteit als ‘gettobewoner’ is in zo’n stad verre van vanzelfsprekend: om met recht te kunnen zeggen dat je gettobewoner bent, moet je met méér aankomen dan alleen je geboorterecht. Een bepaalde stadse identiteit moet telkens opnieuw tot stand worden gebracht; in relatie tot en in gesprek met anderen. De veelal aan het stedelijke leven toegeschreven eenzaamheid blijkt zo bezien juist een consequentie van het dorpse stabiele identiteitsdenken: als identiteit niet tot stand komt in relatie tot anderen, dan hoeven relaties met anderen ook niet tot stand te komen.

Droogneuken als het onvermogen tot ware doordringing in/tot de ander

En eenzaamheid is tragisch genoeg het enige wat de personages in Dorpsleven gemeen hebben. In het eerste verhaal wacht dokter Gili Steiner tevergeefs op de komst van de zoon van haar zus, die buiten het dorp woont en met wie ze alle contact verbrak. Haar speculaties over het uitblijven van de komst van haar neef blijven speculaties: ze besluit haar zus niet te bellen en uiteindelijk de voor haar neef bereide maaltijd in haar eentje soldaat te maken. De jonge Kobi Ezra uit het verhaal Vreemden is vurig verliefd op de bibliothecaresse. Als Kobi eindelijk de moed verzamelt om haar aan te spreken, onthoudt hij zich ervan zijn gevoelens met haar te delen. Hun contact beperkt zich tot een oppervlakkig gesprek en een woordeloos incident in de bibliotheek, waarbij Kobi zijn lijf tegen dat van de vrouw aan beweegt en zij hem zijn gang laat gaan tot hij ejaculeert: droogneuken als het onvermogen tot ware doordringing in/tot de ander. Na sluitingstijd van de bieb gaat Kobi terug naar zijn moeder en de bibliothecaresse naar haar vriend. Deze contactloze conditie van de personages en die van de andere dorpsbewoners wordt het nauwkeurigst verwoord door de oude, stervende vader van Rachel in het verhaal Graven. Rachel verzorgt haar vader in zijn laatste dagen plichtsgetrouw maar volslagen liefdeloos: ‘Zielige mensen, zei hij, geslagen door het lot, allemaal eenzaam tot in het merg van hun botten, in de steek gelaten sinds ze uit de buik van hun moeder kwamen, niemand kan het verdragen. Niemand verdraagt nog iemand. Iedereen is vreemd voor elkaar.’

De ik-verteller, het enige personage wiens gedachtegangen we direct volgen en die maar in twee verhalen een rol speelt, laat zich expliciet niet tekenen door contact met anderen. Hij is vastbesloten een van de oudste huizen van het dorp, dat van een overleden schrijver, te kopen, om het voor commerciële doeleinden te slopen. Zijn vastberadenheid blijft, ook nadat hem kort door het hoofd schoot dat het jammer zou zijn om het huis te slopen en nadat de dochter van de overleden schrijver hem vertelt dat het goed en belangrijk is om het huis intact te laten. Zijn eerste, ‘oorspronkelijke’ opvatting is chronisch en behoeft volgens hem geen heroverweging na contact met anderen. Het zijn zijn eigen opvattingen die hem tekenen, zijn identiteit ‘is wat die is’. Even vastberaden zondert de ik-verteller in het voorlaatste verhaal zich op de zangavond in een smartelijke scène af in een verlaten kamer, in zijn eenzaamheid heeft hij ‘geen enkele reden meer om de wanhoop de rug toe te keren’.

Hun zelfbeeld is helder en stabiel, maar daarom ook eendimensionaal

In het afgelopen januari verschenen Schuld van de Amsterdamse schrijver Walter van den Berg lopen de personages op tegen bezwaarlijke implicaties en onhoudbaarheid van ‘dorps’ identiteitsdenken. De plaats van handeling is Nieuw-West, aan de buitenkant van de Amsterdamse ring. Continu onderweg in auto’s over verkeersaders als de Johan Huizinga- en de Pieter Calandlaan, brengt hun stadse omgeving hen in ‘botsing’ met elkaar. Ik-verteller Cor is schrijver, zijn broer Ron is vader van Kevin, een econometriestudent die ondertussen de kost verdient met het oplossen van illegale klusjes in de garage bij Witte Mo. Alle personages hebben aanvankelijk een heldere, maar heel eendimensionale opvatting van wie ze zijn en wat ze daarom mogen of zelfs moeten doen, die uitgaat van een weinig overwogen vanzelfsprekendheid. Schrijver Cor vindt zichzelf snuggerder dan zijn dommige broer Ron, volkszanger en schuldenaar bij Witte Mo. De schulden noodzaken Ron zijn eigen huis onder te verhuren aan Poolse immigranten. Met zijn domme broer ‘hoeft’ Cor geen nauw contact te onderhouden. Bovendien heeft hij het druk met schrijven en ‘hoeft’ zich zodoende niet te mengen in de moeizame opvoeding van zijn neefje. Ron is een vrijgezel, verlaten door zijn vrouw, wat hem het recht geeft de opvoedkundige teugels wat te laten vieren. Zijn zoon Kevin is een halve wees en dat geeft hem het recht om met alle vrouwen respectloos om te springen.

Terwijl ze zich langs de Amsterdamse marges bewegen en in verschillende hoedanigheden met elkaar in contact komen, begint elk van hen die eendimensionale opvatting, voortspringend uit een vermeend stabiele identiteit, te heroverwegen. Vanwege een hernieuwd contact met zijn broer, waagt Ron een poging de band met zijn zoon te herstellen. Kevin besluit na een gesprek met zijn oom de misdaad niet meer expres ten koste van vrouwen in te zetten, alleen nog ten bate van zijn vader. In een ontroerende autoscène, Cor achter het stuur en Kevin naast zich als passagier en gesprekspartner, blijken zijn argument voor zijn afhoudende gedrag wat betreft de opvoeding van Kevin niet langer steekhoudend. Als Kevin hem met zijn gedrag confronteert, strandt Cors poging zijn afwezigheid bij het opgroeien van zijn neefje te rechtvaardigen. Het idee dat Cor van zichzelf heeft, dat hij schrijver is en geen verzorger, blijkt te moeten heroverwogen: ‘Jezus, Kevin, je studeert econometrie. Dan ben je te slim voor heel Nieuw-West, man. / Hij keek me aan. Dat is hoe jij je voelt, toch? Met je boeken? Hij spuugde het woord uit. / Sorry? / Dat is hoe jij je voelt, zei hij. Jij voelt je te slim voor heel Nieuw-West, en daarom heb ik je niet gezien toen mijn pa weg was – ik heb je twee jaar niet gezien terwijl je mijn voogd bent. Was je lekker boeken aan het schrijven?’ Cor ondervindt dat zijn identiteit niet chronisch is, maar in relatie tot zijn medemensen telkens opnieuw tot stand gebracht moet.

De stad leert ons dat wie zich niet realiseert dat andersheid zijn identiteit vormt, alleen eenzaamheid wacht

Het verschil tussen dorpsdenken en stadsdenken geeft expressie aan een metafysisch verschil: waar dorpelingen in de eerste plaats hun eigen ‘ik’ zijn en pas in de tweede plaats (optioneel) in contact komen met anderen, kom je in de stad simpelweg niet weg met zulk identiteitsdenken. Het dorpsleven gaat óók door als niemand zich verdiept in het zielenleven van een ander. Maar in de stad verkeer je niet alleen continu in het bijzijn van anderen, je ‘identiteit’ blijkt zelfs bepaald door je contact met anderen. De nabijheid van ‘de ander’ die de stadse conditie tekent, noodzaakt je om je ‘zelf’ steeds opnieuw te definiëren. De stadsmens is geen eigen ‘ik’, hij is zijn relatie tot anderen. Dat deze denkwijze geen degeneratie betekent, geen vervreemding van het hechte dorpse bestaan, mag blijken uit voorstelbare, egalitaire implicaties ervan voor politieke situaties in onze moderne wereld: beleid voor de omgang met vluchtelingen in Europa zou heel anders vorm krijgen op basis van een stadsdenken dan middels een dorpsdenken. De stad leert ons dat wie zich niet realiseert dat andersheid zijn identiteit vormt, alleen eenzaamheid wacht; een realisatie die uiteindelijk natuurlijk niet per se geldt voor ofwel stedelijke ofwel dorpse omgevingen. Wie onderkent dat anderen geen absolute anderen zijn maar deel uitmaken van henzelf, maakt van de moderne wereld een leefbare plaats.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven