Paul Cézanne - Nature morte au crâne (Wikimedia Commons)

Begrip voor de dood

Op 16 maart 2017 sprong om tien uur 's avonds een jonge vrouw van een flatgebouw in Amsterdam-West. Ze was op slag dood. Met haar daad confronteerde zij velen uit haar familie en vriendenkring met de sterfelijkheid van een jongvolwassene: de dood waar die van tevoren onmogelijk werd geacht. Er was verdriet, woede. Maar ook begrip. Begrip dat helaas niet altijd vanzelfsprekend is.

De medische wetenschap is steeds vaker in staat de dood in levensbedreigende situaties te voorkomen, of misschien zelfs in de toekomst te genezen. Dit heeft tot gevolg dat de dood ‘kunstmatig’ wordt en meer en meer een keuze. We leven in een tijd waarin we zijn vervreemd van de dood, de natuurlijke dood sterft uit. Maar juist door de dood kent leven betekenis. In het debat rond ‘voltooid leven’ moet dit besef een belangrijker rol gaan spelen. Suïcide en de zogeheten ‘goede dood’ zullen in de toekomst aan betekenis winnen. Want juist de zelfdodingspraktijk herinnert aan de menselijke sterfelijkheid en staat daarmee voor een unieke ervaring.

We zijn vervreemd van de dood

De uniciteit van het sterven door eigen hand, werd in 1979 door Michel Foucault ter sprake gebracht in een kort interview. In de transcriptie, gepubliceerd als 'The Simplest of Pleasures', bepleit Foucault de uitzonderlijke waarde van de dood. Terwijl hij zich afzet tegen (morele) veroordeling van suïcide, stelt hij dat de erkenning van het unieke aspect van de ervaring een alternatieve interpretatie vereist. Zie de dood door zelfmoord buiten het morele kader, als een 'onpeilbaar genot' dat door voorbereiding, geduld en ruimte nieuwe ervaringen kan opleveren. Foucault spreekt in dit verband over zelfmoordfestivals en orgies waarin de 'vormloze vorm' van 'volslagen simpel genot' mogelijk moet worden gemaakt. In het interview ergert hij zich tevens aan de omgang met suïcidanten en bewondert de speciale plekken waar – buiten het zicht, zonder klok, noch kalender – de tijd en ruimte bestaat om 'los te laten'. Daar (in Japan bijvoorbeeld) weten zij veel meer over zelfmoord, zo stelt hij.

Foucault's opmerkingen doen denken aan het werk van Sigmund Freud. In ‘Oorlog en Dood’ (1915) stelt de Oostenrijkse psychiater dat de hedendaagse mens vervreemd is van de dood. Sterk geneigd om het levenseinde te ontkennen en dood te zwijgen, loochent de mens die directe relatie. De toevalligheid van de dood wordt ten onrechte benadrukt, de natuurlijkheid wordt ontkracht en over de doden wordt niets dan goeds gesproken. Freud ziet een problematische verhouding. Daarin verliest de mens contact met de waarheid en de essentie van het leven, namelijk het riskeren van het bestaan. Zonder dit laatste treedt verarming en ontgoocheling op en boet het leven ten slotte in aan betekenis.

Zowel Foucault als Freud bekritiseerde de contemporaine interpretatie van de dood. Hier ligt de gemene deler van de kritiek in hun teksten, in de verdringing van het levenseinde. Foucault hekelt de morele veroordeling van de (in het interview, homoseksuele) suïcidanten en de negatieve betekenis van zelfmoord in de samenleving. Voor hem is dit als een self-fulfilling prophecy. Freud vestigde op zijn beurt het idee dat de ‘gecultiveerde’ mens de (eigen) dood voor onvoorstelbaar houdt en zichzelf zo voorliegt.

In het huidige publieke debat over ‘voltooid leven’ is veel tegenstand te ontwaren. Dan gaat het niet alleen om wat ‘voltooid leven’ überhaupt betekent, wanneer het mag worden gebruikt maar ook over eventuele hulp bij zelfdoding. De zogeheten commissie-Schnabel had de opdracht de bestaande euthanasiewet te onderzoeken en sprak zich uiteindelijk uit tegen verruiming. Net zoals de artsenfederatie KNMG. Eerder dit jaar riep SGP-fractievoorzitter Kees van der Staaij bovendien het buitenland op zich te mengen in het debat. Het is geen verrassing dat ook hij de verruiming principieel de andere wang toekeerde.

Zieken en ouderen worden haast hongerkunstenaars

De dood wordt niettemin steeds meer een keuze. In het gebied tussen levenseinde enerzijds en kunstmatig leven anderzijds, worden zieken en ouderen haast hongerkunstenaars die, vrij naar Kafka, de schijndood aanzien voor (schijn)leven. Artsen en patiënten worden artiesten in het uitstellen van de dood. Dat is wat tegenstaat aan de tegenstanders van de (verruiming van de) euthanasiewet. In een wereld waarin de dood aldoor onbereikbaarder is en meer en meer zal worden, is het onhoudbaar het leven tegen alles te beschermen. Als de dood voorkomen of genezen is, zijn Freudiaanse termen als onbehagen en ontgoocheling dat immers niet. Om dat te vermijden is oorlog een optie. Dan wordt de mens volgens Freud geconfronteerd met de dood. Maar het zelfverkozen levenseinde vormt in dezen een vreedzame keuze.

Als wordt erkend dat de dood bij het leven hoort, speelt de morele veroordeling van suïcide of euthanasie geen rol meer. In die vorm wordt het mogelijk de aandacht te besteden aan een sterfproces dat voorheen onmogelijk leek, zonder angst voor afkeuring of straf, maar meer in de richting van het ‘simpele genot’ van Foucault. Met de euthanasiewet is hiertoe al een grote stap gezet. Maar in de erkenning van de tijdelijkheid van leven en de 'voordelen' van de sterfelijkheid valt nog veel te verbeteren.

'De hoofdzaak is dat ik die idioten begrijp' citeert Jeroen Brouwers in 'De laatste deur' de schrijver E. du Perron over mensen die tot zelfmoord overgaan. Brouwers deelt zijn woorden. Het wordt tijd dat dit begrip zich meer laat gelden.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven