nontelodiromai / Flickr

Benjamin

Thomas en ik waren nog geen dag terug van vakantie toen we merkten dat er iets veranderd was. Thomas zag het als eerste. Hij liep met vier tassen tegelijk de trap op en toen hij weer beneden kwam omhelsde hij me.
‘Ach Lena, wat ben je ook een lieverd,’ zei hij. ‘Maar even serieus, wanneer heb je dat gedaan?’
Ik keek hem niet-begrijpend aan en vroeg wat hij bedoelde.
‘Het bed, wanneer heb je die poot gemaakt?’
‘Welke poot?’
‘Je weet wel,’ zei Thomas. ‘Die poot die kapot was.’
Thomas en ik sliepen al maanden in een doorgezakt bed. Op een zaterdag, toen Thomas erop ging staan om bij de plafondlamp te kunnen, hoorde hij zomaar iets doormidden breken. We konden er nog gewoon op liggen, maar een van de poten moesten we vervangen door een stapel boeken. Zijn boeken.
‘Ik heb helemaal niets gedaan,’ zei ik.
‘Lena, toe even. Ik vind het niet erg. Het was nodig.’
‘Maar ik zeg toch net, ik heb niets aan die poot gedaan!’

Thomas en ik sliepen al maanden in een doorgezakt bed

Zonder nog iets te zeggen trok Thomas me mee naar boven. Hij duwde me naar slaapkamer, waar hij de vier tassen in de deuropening had laten staan.
Ik keek eerst naar de tassen, toen naar het bed. De boeken lagen opgestapeld op de lakens. Eromheen een verzameling verschrompelde rozenblaadjes.
‘Dat bedoel ik. Die poot, Lena, en die bloemen, dat had je toch niet hoeven doen?’
Ik haalde mijn schouders op en liep naar de badkamer om mijn handen te wassen. Thomas ging terug naar de auto, alsof ik zojuist had toegegeven dat het echt een verrassing was geweest, voor hem, het repareren van ons gebroken bed.
Ik gooide een plens koud water in mijn gezicht. Beneden hoorde ik een bonk, Thomas die de koelbox naar binnen tilde en daarbij per ongeluk tegen de deurpost beukte.
Pas toen ik een tweede lading water in mijn handpalmen liet stromen viel me het handdoekenrekje op.
‘Thomas!’ riep ik. ‘O Thomas, kom eens! Alsjeblieft, wil je even komen?’
Toen hij zijn hoofd om de deur stak wees ik met natte vingers naar de muur. De stang waar we onze handdoeken overheen hingen was zo’n twintig centimeter naar beneden verplaatst. Ik klaagde al maanden dat het ding te hoog hing, het leek wel een gordijn waar een denkbeeldig badkamerraampje achter zat.
‘Dit doen ze ons niet aan,’ zei Thomas.
‘Wat zeg je?’
‘Er is iemand in het huis geweest.’

Er is iemand in het huis geweest. Denk je dat we iemand moeten bellen?

De poot en het handdoekenrekje waren niet de enige dingen die veranderd waren. In de keuken stond een nieuwe waterkoker, de kussenslopen van de bankkussens waren gewassen en bij de achterdeur vonden we een ons allebei onbekend schoenenkastje. Thomas keek erin, haalde een van zijn gympen eruit en hield hem omhoog alsof het een haring was.
Thomas en ik besloten de rest van onze spullen nog niet uit de auto te halen. We liepen met een lijstje door het huis, schreven alles op wat er anders was. Toen we daarmee klaar waren hadden we twee volgeschreven A4’tjes.
‘En nu?’ vroeg ik aan Thomas. ‘Denk je dat we iemand moeten bellen?’
‘Misschien moeten we daar nog even mee wachten.’
Ik knikte.
‘Ja. Misschien wel ja.’

Er gingen drie dagen voorbij zonder dat we erover spraken. De eerste avond maakte ik macaronischotel, waar Thomas en ik nauwelijks iets van aten. We keken allebei constant om ons heen of we niets gemist hadden. Of we iets nog niet hadden gezien dat er wel was, misschien zoiets onschuldigs als een verschoven vaas.
Later die avond lagen Thomas en ik naast elkaar in ons gerepareerde bed.
‘Thomas?’ vroeg ik.
‘Ja, Lena?’
‘Ik voel me bekeken. Heb jij dat ook?’
‘Ja.’
Thomas ging op zijn zij liggen met zijn gezicht naar me toe. In het donker zag ik zijn ogen schitteren. Hij blies me een kus toe, zodat ik zeker wist dat hij het was.
‘Probeer maar te slapen,’ zei hij.

We keken allebei constant om ons heen of we niets gemist hadden

Het was niet meteen in me opgekomen. Ik had er wel aan gedacht, over nagedacht, maar zodra ik het probeerde voor me te zien vond ik mezelf belachelijk.
Ik durfde er niets over tegen Thomas te zeggen. We waren al elf dagen terug van vakantie en het voelde nog steeds alsof we moesten wennen. Soms zag ik Thomas door het huis lopen, zoekend naar iets dat hij niet kwijt was, maar dat deed ik ook. Af en toe, gewoon, ter controle.

Op een avond kwam een van Thomas’ vrienden langs. Ze waren collega’s, hij was hier vaker geweest en ik kende hem half wel en half niet.
Thomas’ collega heette Paul. Paul bleef bij ons eten en na het eten gingen hij en Thomas in de tuin zitten.
Nu het nog zomer was zaten Thomas en ik daar vaker. We waren liever buiten dan binnen, maakten onszelf wijs dat dat door de vakantie kwam. ‘Na drie weken buitenlucht lijkt zo’n huis te zijn gekrompen,’ zei Thomas vorig jaar. Dit jaar zei hij er niets over toen we terugkwamen.
Ik ging boven op bed liggen en begon te lezen. In de tuin hoorde ik Paul. Hij lachte hard, waarschijnlijk om zijn eigen grap, en er werd met vlakke hand op tafel geslagen.
‘Maar even serieus, Paul, ik meen het,’ zei Thomas.
‘O ja? Denk je echt dat–? Dat zoiets kan?’
Ze gingen zachter praten en ik keek naar mijn boek zonder iets te lezen.
‘Ik weet het niet,’ zei Thomas. ‘Ik denk het– ik denk het haast wel.’
Het bleef even stil.
‘En Lena? Heb je het er al met Lena over gehad?’
Thomas ging nog zachter praten, waardoor ik nu echt moeite moest doen hen te verstaan.
‘Ik wil er niet over beginnen. Ik weet niet of zij het ook denkt, maar ze lijkt alles nu eindelijk een beetje verwerkt te hebben. Het ongeluk, de begrafenis, het opruimen van zijn spullen.’
‘Je wilt haar niets aanpraten,’ zei Paul.
‘Nee! Misschien moeten we het maar gewoon vergeten.’
Er klonk opnieuw een klap op tafel en daarna het overdreven gelach van Thomas.
‘Maar zeg, kan ik je nog iets inschenken?’

Soms zag ik Thomas door het huis lopen, zoekend naar iets dat hij niet kwijt was

Thomas kwam op blote voeten de slaapkamer in. Hij zei zacht mijn naam en toen ik geen antwoord gaf, deed hij de deur achter zich dicht en liet de lichten uit.
Hij ging aan zijn kant op de bedrand zitten. Paul en hij hadden het laat gemaakt, zo laat zelfs dat ik me zorgen ging maken toen Thomas hem bij het afscheid niet vroeg om niet te toeteren. Normaal gesproken vergat Thomas dat nooit, hoe hij verantwoordelijk moest zijn.
Ik hoorde hem zijn broek losknopen en de stof over zijn benen naar beneden glijden. Met een plof landde de broek op het vloerkleed. Thomas legde hem niet terug op de stoel.
Toen hij naast me kwam liggen overwoog ik even het gewoon maar te vragen.
‘Thomas, geloof jij in geesten? Geloof jij dat er geesten bestaan, en dat de geesten van dode mensen in de buurt van hun leven blijven?’
Thomas zuchtte een paar keer diep en ik voelde hoe hij zijn naakte lichaam tegen het mijne drukte.
Na ongeveer tien minuten viel hij in slaap. Zijn ademhaling werd heser.
‘Thomas?’ fluisterde ik. ‘Geloof jij het ook?’

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven