Flickr / Dave King

Bergbeklimmen

Mountains of the Mind: A History of a FascinationRobert Macfarlane2003
Klimmen: op zoek naar evenwichtRonald Naar1981

Wat drijft mensen ertoe een berg te beklimmen? Wellicht is dat eerder een schrijversvraag dan een klimmersvraag. Wie een wandeling over een glooiend bergpad in de alpen heeft gemaakt, heeft misschien al wel het verlangen ervaren om eens op zo'n besneeuwde top te staan of zo'n donkere, hoekige rotsformatie van dichterbij te bekijken.

De schrijver Robert MacFarlane probeert zijn opa te vragen waarom hij bergen beklom, en dat in een tijd van loodzware touwen en krakkemikkige ijspikkels. Maar zijn opa begrijpt de vraag niet eens. Natuurlijk wil je die desolate en schitterende plekken zien, jezelf overwinnen en een avontuur meemaken.

MacFarlane is fellow in Engelse literatuur in Cambridge en zelf ook bergbeklimmer. Hij schrijft over zijn opa in zijn geschiedenis van de relatie tussen mens en berg, Mountains of the Mind. Nu de halve wereld op wintersport gaat, nu BBC natuurfilms elk excuus aangrijpen om een shot van de Himalaya te tonen, en nu de iPhone als standaardachtergrondje al een besneeuwde berg in zijn geheugen heeft staan is het moeilijk voorstelbaar dat bergen ooit als lelijk en eng golden, en vermeden werden. Maar tot in de 18e eeuw waren er reizigers die zich lieten blinddoeken bij een doorkruising van de alpen om de onherbergzame toppen niet te hoeven zien. MacFarlane beschrijft feilloos hoe het tij keert, vanaf 16e-eeuwse zonderlinge pioniers tot een ware bergrage in de 19e eeuw, die eigenlijk nog steeds aan de gang is: 's Zomers staat er een rij op Mount Everest omdat honderden de hoogste berg van de wereld op willen – voor veel geld en met veel hulp.

Natuurlijk wil je die desolate en schitterende plekken zien

Het begint serieuze vormen aan te nemen, wanneer Edmund Burke beschrijft hoe men in de esthetiek naast het schone het sublieme – onbewerkte, heftige, enigszins angstaanjagende – gaat waarderen. De maatschappij wordt in de achttiende eeuw minder risicovol en bepaalde waaghalzen gaan vrijwillig risico's opzoeken in de bergen. De Engelse romantische dichters beginnen hoogte, diepte en ruigheid te verheerlijken. Shelley bedenkt zelfs een spel voor zichzelf, waarmee hij zich flink in de nesten werkt: Loop naar een bergtop, kijk om je heen, kies een kant waarlangs je naar beneden moet en wijk niet meer af van die keuze maar ga daar ook zo direct mogelijk naar beneden. Dr. Johnson, de grote woordenboekschrijver die altijd zo laat uit bed kwam, dwingt in 1773 zijn zware lijf op een nauw paadje en loopt zonder blikken of blozen een rots op die in zee steekt. Hij is diep onder de indruk van de ervaring.

Toch waren er al veel eerder pioniers. Zo schrijft Petrarca in 1336 in een brief dat hij de Mont Ventoux heeft beklommen. Inderdaad is het daar ventosus, winderig, klaagt hij in het begin. Hij beschrijft twee ervaringen die voor de hedendaagse bergganger vaak niet anders zijn: omhooglopen vindt hij afzien. Tot drie maal toe zoekt hij een weg die geleidelijker omhoog gaat, waardoor hij uiteindelijk begint af te dalen en alsnog steil omhoog moet, onder achterlating van zijn goede humeur. Op de top gebeurt iets wat ook MacFarlane weer beschrijft, en wat ook ondergetekende overkwam op de enige berg die hij ooit beklom: bovenop de immense berg worden ook de gedachten groot. Petrarca ziet de wolken onder zijn voeten, denkt aan de Olympus en de berg Athos, en bedenkt zich hoe hij tien jaar geleden zijn studie in Bologna afrondde. MacFarlane voelt zich op de top groot en nietig tegelijk:

Your topographic units are suddenly countries instead of counties. (...) Your sense of self is enhanced because of its extended capacity for sight, but it also comes under attack – is threatened with insignificance by the grand vistas of time and space which become apparent from a mountain-top. (...) Those who travel to mountain tops are half in love with themselves, and half in love with oblivion.

Goed, na zijn wezenlijke moment komt Petrarca letterlijk tot inkeer, zweert het aardse af en neemt zich voor zich nog slechts op zijn eigen ziel te richten, zoals God het zou willen. Maar dan is de doos van Pandora al open: Petrarca heeft ons als eerste de opwinding van het bergbeklimmen getoond.

's Zomers staat er een rij op Mount Everest omdat honderden de hoogste berg van de wereld op willen

MacFarlane is ook niet onverschillig over de morele vragen rond het bergbeklimmen. Doelbewust en herhaaldelijk brengt hij in beeld dat bergbeklimmers sterven op de berg. Al in het eerste hoofdstuk vertelt hij ons dat het een bijzondere eigenschap van de klimsport is dat die van haar deelnemers verwacht dat sommige niet levend terugkomen. Dit komt soms geforceerd over: we zouden dit toch ook over het verkeer kunnen zeggen? Maar MacFarlane wil ook zijn verantwoordelijkheid als bergschrijver niet ontlopen: hij beschrijft bijvoorbeeld hoe een jonge, pasgetrouwde Engelsman de Mont Blanc probeert te beklimmen. Hij is geïnspireerd door twee verslagen van heroïsche beklimmingen die goed afliepen, en vol goede moed. Maar hij vriest dood samen met tien anderen en beschrijft in zijn dagboek zijn wanhoop en verdriet. Opgezweept door heldenverslagen proberen jonge bergbeklimmers soms dingen waar veel geluk voor nodig is. MacFarlane doet daar niet aan mee. Toen hij zijn boek publiceerde was hij 27. Toen al had hij besloten geen dingen in de bergen meer te ondernemen waar je een touw bij nodig hebt. Niet om het risico van het bergbeklimmen, of om zichzelf te overtreffen, maar om de vreemde en desolate bergwereld mee te maken was en is het hem te doen. Door een genealogie te schrijven, die de absolute fascinatie met de bergen aan een specifieke tijd, context en esthetiek relateert, probeert hij afstand te nemen van de drang naar de top.

Hetzelfde kan niet gezegd worden van de beroemdste Nederlandse alpinist: Ronald Naar. In zijn eerste boek, Klimmen, beschrijft hij zijn ontwikkeling van jongetje dat in bomen klom tot jong volwassene die als eerste Nederlander de hoogste bergen en steilste wanden van de wereld beklimt. Hij is doortastend, meedogenloos en geeft nooit op. Noch verontschuldigt hij zich daarvoor: hij schrijft gewoon eerlijk op hoe hij erover denkt. Dat maakt hem een aansprekend schrijver. Hoewel zijn stijl knullig, archaïsch en vol herhaling kan zijn, laten zijn verslagen je niet los. Zoals je een steile noordwand, als je eenmaal onderweg bent, maar beter uit kunt klimmen, omdat teruggaan minstens even gevaarlijk is, zo kun je Naars klimverslagen niet terzijde leggen tot je hebt gelezen hoe hij op de top kwam, hijgend en uitgeput terugkeert naar de tent en daar drie dagen lang slaapt en eet.

Minstens even fascinerend als zijn verslagen van woeste beklimmingen, zijn de passages over de momenten dat Naar niet een berg aan het beklimmen is. Die periodes duren niet lang. Midden in een winter wordt de klimkoorts de jonge wiskundestudent Naar teveel en hij springt nog tijdens zijn tentamenweek in de trein naar de Alpen. Er moet geklommen worden. Wanden dringen door in zijn verbeelding en laten hem niet meer los totdat hij boven is geweest. Als klimmaten afhaken of niet sterk genoeg blijken gaat hij alleen verder. ‘Op zoek naar evenwicht’ luidt de ondertitel van zijn boek, maar het enige evenwicht dat Naar interesseert is dat waardoor hij niet van de berg afvalt. Verder is de enige imperatief hoger, moeilijker, meer. En, vermoedt men, als er een wollige ondertitel voor nodig is om meer boeken te verkopen en zo meer te klimmen, dan is dat prima.

In hoofdstuk 8 – waar Klimmen eindigt, terwijl Naars klimcarrière nog 30 jaar doorging – hoeven we ons niet meer te verwonderen dat Naar als enige bij de expeditie naar Nanga Parbat, een meer dan 8000 meter hoge berg, op de top staat. Langzaamaan blijken alle andere expeditieleden te verzwakt om door de ijle lucht door te klimmen van het laatste tentenkamp naar de top.

Het enige evenwicht dat Naar interesseert is dat waardoor hij niet van de berg afvalt

‘Ik moet alleen door naar de top. Ik ben er niet bang voor, ik ben slechts bedroefd dat ik alleen verder moet. In Nederland had ik vaak aan deze dagen vooruitgedacht. (..) Het was niet ter wille van mijn eigen glorie dat ik die gedachten koesterde, ik had een dergelijke situatie in de Andes te levensecht meegemaakt om het nu uit te sluiten. Bovendien had ik, al nadenkend, het idee dat de anderen eerder tot terugkeren geneigd zouden zijn geneigd dan ik. En dat het verschil in ervaring op den duur een grotere rol zou gaan spelen dan verwacht.’

Het is gemakkelijk om hierin toch verhulde eerzucht te zien. Maar het zou ook kunnen dat Naar hierop gewoon realistisch anticipeerde. En tenslotte moest er iemand naar boven om de sponsors van de expeditie gunstig te stemmen. Achteraf kregen de expeditieleden ruzie en jarenlang claimde fotograaf Frank Moll dat Naar niet boven is geweest, totdat de rechter hem dat verbood. Helemaal sluitend bewijs dat Naar op de top stond is er niet. Maar wie Klimmen leest realiseert zich dat Naar een bijzonder harde en succesvolle klimmer was. Het zou vreemd zijn als er een bergbeklimmer was die daar niet een beetje jaloers op was.

Een ander incident kleefde Naar aan: Tijdens een expeditie op Mount Everest vonden zijn gidsen een stervende man naast hun tentenkamp. Naar en zijn expeditieleden stelden terecht vast dat hij, gezien de tijd dat hij daar al lag, het niet ging overleven. Naar besluit dat hij en zijn medeklimmers hun krachten op de grote hoogte zullen sparen en niet eens naar de man toe zullen gaan. Daarover hadden de andere deelnemers van de expeditie berouw, maar hij niet. Op een walkietalkieconversatie vraagt iemand vanuit het basiskamp hem of er daar dan naast de tenten iemand ligt te sterven. Naar antwoordt verbeten: ‘Ben je weleens in een ziekenhuis geweest? Daar liggen ook mensen te sterven!’ Het kwam hem op veel kritiek te staan.

Zou Naar eisen dat een vreemde een praatje met hem kwam maken als hij zelf lag te sterven op een berg? Dat betwijfel ik. In 2011 werd hij onwel tijdens de beklimming van de Cho Oyu en overleed. Sterven tussen de bergen waar je zo van houdt is, hoewel natuurlijk onwenselijk, misschien zo gek nog niet. Robert MacFarlane beschrijft de dood van Everest-pionier Maurice Wilson. Die beklom de berg in 1934, ondanks een verbod van de autoriteiten. Zonder klimervaring en zonder veel hulpmiddelen haalde hij 7000 meter. De zinnen in zijn dagboek worden vager en zijn hand onvaster. Maar als laatste staat heel helder: ‘Off again, gorgeous day.’

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven