Flickr / decar66

Bonnidal

Ik heb hem nog nooit zo gezien. De zoon van Madame Bonnidal zit tegenover me aan een klein tafeltje. Hij kijkt me aan met zachte ogen. Een milde glimlach speelt even om zijn mond.

“Ik wist wie er binnen zou komen, als ik de deur op een vrijdag zou openen”, zei hij. En inderdaad was het een onweerstaanbare uitnodiging geweest toen ik de hostellerie voor het eerst deze zomer niet gesloten vond.

“Hoe oud is Madame geworden?”, vraag ik hem.

“Vierennegentig”, zegt hij zacht. Het komt me voor als een mooie leeftijd voor de laatste adem.

Tot kort voor haar dood leefde ze nog in haar eigen auberge in het hart van Cervières. Vorig jaar bezocht ik haar nog enkele keren. Ze reageerde altijd blij als ze me zag.
Quoi de neuf?”, vroeg ze me dan. Maar ik had meestal geen nieuws. We spraken dan enige tijd met vaste ingrediënten. Ze liep moeilijk, maar haar hoofd was nog helder. Op zo’n leeftijd nog zo vitaal zijn en dan sterven. Ik vermoedde er een troostrijk einde in.

“Jawel”, bevestigt de zoon, “maar er is weer een bladzijde van het leven omgeslagen en ik kan hem niet meer teruglezen. En...” voegt hij er bijna verontschuldigend aan toe: “Ze was dan wel heel oud, maar ik was nog erg aan haar gehecht, weet je”. Om zich haastig te realiseren: “Neem me niet kwalijk dat ik u zomaar tutoyeer!”.

Even krijg ik zo een glimp terug van de man die ik in hem kende. In de beginjaren van Bleu et Vert runde hij Hotel La Chaumière in Noirétable. We gingen er soms op zaterdagavond eten met de staf. Hij ontving de gasten met de deftige afstandelijkheid die zijn onberispelijk kostuum al van verre aankondigde. Toen het hotel zijn Michelinster verloor vanwege achterstallig onderhoud, verkaste hij naar een beter onderhouden logement nabij St Etienne. Ik kwam de man nog maar eens per jaar tegen op de dag dat hij met vrienden afsprak in de ouderlijke hostellerie. Die dag kwamen ze de streek vervuilen met een enorme hoeveelheid decibellen op hun vierwielige motoren. Hij was dan stoer, gaf een robuuste handdruk waar ik niet van terughad en volhardde in de afstandelijke taal die zijn vak hem had aangeleerd.

In de ogen van Madame was de hele maatschappij aan het verloederen.

Nu heeft hij mijn aansporing nauwelijks nodig om naar ‘je’ en ‘jij’ terug te schakelen: “Je hebt Maman heel lang gekend.”

“Zeker, ik kom hier al 25 jaar”, geef ik toe. En ik vertel over de jaren dat we met de schilders koffie kwamen drinken op haar piepkleine terrasje. Soms moest het wasgoed even opzij worden geschoven. Op regenachtige dagen waren we welkom om binnen te schilderen. We vonden inspiratie in het bruine bloemetjesbehang en de koperen ketels met pioenrozen. Na haar pensioen sloot Madame de herberg, maar ging onverstoorbaar door met onze koffieafspraken.

“Eigenlijk is dat verboden in Frankrijk”, zegt de zoon.

“Ik weet het”, beaam ik, “Maar Madame zei dat ik, mocht ik er ooit vragen over krijgen, moest vertellen dat we bevriend waren en dat zij ons daarom aan een bakkie hielp.” De zoon lacht.

C’est Maman”, concludeert hij. “En ze kon eigenzinnige ideeën hebben”, voegt hij eraan toe.

Het wekt mijn herinneringen aan de gesprekken met Madame Bonnidal. Na een eerste beleefdheidsuitwisseling waren er twee vaste onderdelen in onze conversaties. Zo wist ze elke keer enkele opzienbarende voorbeelden op te lepelen van prijsstijgingen van levensmiddelen. Ze rondde dat af met: “C’est trop cher!” en keek dan zo oprecht verontwaardigd dat de Franse minister van Financiën er een schuldgevoel aan zou overhouden.
Niet alleen de prijzen waren vroeger beter. In de ogen van Madame was de hele maatschappij langzaam maar zeker aan het verloederen. En de schuldvraag was voor haar eenvoudig te beantwoorden: “Les Algériens: ils volent tout!”

Wetende dat de dichtstbijzijnde zich minimaal 25 km verderop moest bevinden, informeerde ik dan weleens vriendelijk hoeveel Algerijnen er woonden in Cervières, en wat ze allemaal al van haar hadden gestolen. Maar dat ontmoedigde haar overtuiging niet.

“Heb je wellicht nog foto’s van Maman?”, wil de zoon weten. Ik beloof hem in mijn archief te duiken en schrijf zijn e-mailadres op.

Hij schudt me hartelijk de hand. Opnieuw kijkt hij me aan met een zachte en open blik die ik niet van hem kende.

Even later loop ik over de begraafplaats. Het is een ommuurde stenen oase in een groen, glooiende zee. Madame Bonnidal heeft er haar plekje gekregen bij haar man. Ze zal er geen last hebben van Algerijnen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven