Cambridge Analytica en het probleem van de publieke sfeer

Het heeft uiteindelijk meer dan een jaar mogen duren voordat er écht iets gebeurde. En toen er dan ook écht wat leek te gebeuren, stelde het eigenlijk niets voor. We hebben het hier over het schandaal omtrent het ‘consultancy’-bedrijf Cambridge Analytica (CA). Een jaar terug kwam het bedrijf in opspraak nadat was gebleken dat het zich bezig had gehouden met het wereldwijd manipuleren van burgers via sociale media, wat uiteindelijk leidde tot CA’s faillissement. Hoewel CA inmiddels is opgedoekt, lijkt onze relatie met data verzamelende bedrijven en overheden nog niet echt te zijn veranderd. Wat zegt dit over het karakter van de hedendaagse publieke sfeer? Hebben we hier te maken met een probleem omtrent het verspreiden van kennis, of is er iets anders aan de hand?

Al in mei 2017 schreef de Britse journalist Carole Cadwalladr over hoe CA via Facebook de Britse en Amerikaanse verkiezingen had beïnvloed. Een klein jaar later werd Mark Zuckerberg verhoord door het Amerikaanse congres en onlangs nog door het Europees Parlement. Hij zei ‘sorry’ en beloofde verbetering, maar lijkt zich tot op heden niet al te veel aan te trekken van het schandaal. Naast Zuckerberg werd CA-klokkenluider Christopher Wylie ondervraagd door de Amerikaanse senatoren. Hij bevestigde Cadwalladrs analyse en benadrukte nogmaals het gevaar dat gepaard gaat met een bedrijf als CA: "(...) fundamentally, information warfare is not conducive to democracy".

Wylies analyse is kenmerkend voor een specifieke wijze waarop het CA-schandaal kan worden begrepen. Vanuit dit perspectief zit het probleem in het feit dat er foutieve en sterk gekleurde informatie werd verspreid via Facebook. Burgers begrepen hierdoor niet goed meer wat er politiek gezien op het spel stond. Dat resulteerde uiteindelijk in het maken van een verkeerde beslissing in het stemhokje (ik neem voor het gemak even aan dat de door CA geïnitieerde informatieoorlog ook daadwerkelijk effect heeft gehad – het meten en dus bewijzen hiervan is ontzettend ingewikkeld).

Hij zei ‘sorry’ en beloofde verbetering, maar lijkt zich tot op heden niet al te veel aan te trekken van het schandaal.

Het schandaal lijkt zo voornamelijk kennis gerelateerd te zijn. De burger wordt hier gezien als iemand die zijn gedachten over een bepaald onderwerp vanuit de privé- naar de publieke sfeer brengt, deze met anderen bespreekt, om vervolgens gezamenlijk te stemmen op het beste idee. Waarden die waarheid bevorderen zijn vanuit deze kijk op democratie van groot belang. CA’s verstoring van de wijze waarop burgers normaliter met elkaar het debat voeren is zo bezien dan ook een van de meest verwerpelijke activiteiten die je kan ondernemen.

Ik denk echter dat de analyse van het CA-schandaal vanuit een dergelijk perspectief op de democratie nog te wensen overlaat. Bovenstaande interpretatie van de democratie richt zich te sterk op het belang van het vergaren van kennis en negeert hierbij nadrukkelijk de meer fundamentele reden waarom we collectief verbaal met elkaar op de vuist moeten gaan: het belang van vrijheid. Het werk van Hannah Arendt is in dit kader van grote waarde.

Mens en publieke ruimte zijn voor Arendt van elkaar afhankelijk.

Arendt maakt in haar essay ‘Truth and Politics’ (1967) onderscheid tussen waarheid en opinie. Waarheden hebben volgens haar een dwingend karakter. Opinie daarentegen is overtuigend van aard. Arendt legt uit dat het probleem van sterke waarheidsclaims is dat deze elke uitnodiging tot een publieke discussie van tafel vegen. Dit is problematisch omdat het debat volgens haar een essentieel onderdeel vormt van ons bestaan als politieke wezens. Door het grossieren in waarheden maak je het per definitie lastiger zo niet onmogelijk om in dialoog te treden met anderen. En het contact met de ander moet worden gezien als een belangrijke voorwaarde van dat debat. Vrijheid is voor Arendt vele malen belangrijker dan waarheid. Het laatste tast namelijk het karakter van de publieke sfeer aan door al voorafgaand aan het debat zaken als onomstotelijk te presenteren.

Een publieke sfeer die met dwingende waarheden wordt overspoeld brengt onze vrijheid in gevaar.

Dit vrijheidsbegrip hangt ook samen met hoe Arendt identiteitsvorming begrijpt. De gedachte dat we ons in de publieke sfeer begeven om ideeën te delen over hoe de wereld eruit moet komen te zien, gaat volledig voorbij aan de manier waarop niet alleen die ideeën, maar ook wie wij zijn, worden gevormd en afhankelijk zijn van hoe anderen op onze uitingen reageren. We zijn, met andere woorden, nooit volledig soeverein over onszelf en onze handelingen: anderen zijn altijd nodig om deze te vervolmaken. Als, ten slotte, onze vrijheid wordt bepaald door wie wij zijn, en wie wij zijn weer afhangt van hoe wij samen met andere handelen in de publieke sfeer, dan volgt hieruit dat een publieke sfeer, overspoeld met dwingende waarheden, onze vrijheid in gevaar brengt.

De publieke sfeer is dus een ruimte die het mogelijk maakt voor burgers zich te uiten en die ook juist door deze uitingen word geconstitueerd. Mens en publieke ruimte zijn voor Arendt van elkaar afhankelijk. De kwaliteit van deze publieke sfeer wordt bepaald door de mate waarin je (samen met anderen) in vrijheid deze handelingen kan verrichten zonder dat het resultaat al op voorhand vaststaat. Oftewel, de mate van pluraliteit van de publieke sfeer.

We komen in problemen, en weer terug bij onze casus, wanneer deze publieke sfeer wordt gedomineerd door leugens en sterk gekleurde waarheden met een hoofdletter W. Zo’n publieke sfeer is strikt genomen niet meer politiek van aard: er is onvoldoende ruimte voor burgers om in vrijheid gezamenlijk betekenisvolle handelingen te verrichten. De vraag is dus niet wat er over is van de democratie wanneer de publieke sfeer geen waarheid of kennis meer bevat. Veeleer moeten we ons afvragen wat er over blijft van onze menselijkheid wanneer we ons niet meer kunnen uiten in een pluralistische publieke sfeer.

Gerelateerde artikelen
Reacties
2 Reacties
  • Henk Schoep,

    Als ik het goed begrijp, dan vindt Van Maanen dat in het publieke domein (lees ‘de sociale media’ ) niet meer het echte gesprek plaats vindt rond opinies, maar dat er teveel geclaimd wordt ‘de waarheid te verkondigen’. En ook dat wat anderen te melden hebben onwaarheden (fake news) zijn. Van Maanen hecht aan het gesprek waarin we ideeën delen en tot gezamenlijke betekenisgeving en besluitvorming komen. In november 2015 pleitte hij hier al voor toen hij het referendum onvoldoende oplossing vond voor het ‘falen’ van de democratische besluitvorming. Hij heeft het dan over de kwaliteit van de publieke sfeer en heeft wat dat betreft een punt, maar gaat m.i. voorbij aan het feit dat niet alleen de wijze van debatteren/gespreksvoering van belang is voor kwaliteit en draagvlak van de democratische opinie- en besluitvorming, maar ook dat wat tot de ‘publieke sfeer’ wordt gerekend en zaken als de intentie, belangen e.d. van de deelnemers aan het ‘debat’ of gesprek (willen zij wel in contact en tot overeenstemming komen, bivoorbeeld). .

  • Gijs van Maanen,

    Beste Henk Schoep. Dank voor uw reactie. U schrijft dat het niet van belang is om het karakter van de publieke sfeer zelf mee te nemen in discussies over fake news en gebrekkige democratische besluitvorming, maar dat er ook moet worden gekeken naar hoe burgers zich zelf verhouden tot elkaar (en die publieke sfeer).

    Het klopt dat ik daar in dit stuk niet veel aandacht aan besteed. Desondanks denk ik dat juist het karakter van de publieke sfeer bepalend is voor de identiteit van de mensen die gezamenlijk die publieke sfeer constitueren. Met andere woorden: de intenties en belangen van burgers worden gevormed door het karakter van de publieke sfeer waar ze met elkaar handelen. Hoewel ik ze hier dus niet expliciet noem, maken ze er wel onderdeel van uit.

    U verwijst ook naar mijn oudere stuk uit 2015. Hierin scheef ik over Habermas zijn discoursethiek. Ik denk dat juist voor Habermas de belangen en de intenties van participanten aan het democratische debat van groots belang zijn. Niet alleen het feit dat hij in zijn theorie gebruik maakt van een versie van het zogenaamde 'all affected principle' waarin iemand betrokken dient te worden bij de discussie wanneer zijn of haar belangen in het spel zijn toont dit aan. Ook in de praktijk van deliberatieve democratie (de G1000 bijvoorbeeld) wordt er veel ruimte vrijgemaakt voor hoe de individuele participanten aankijken tegen de wijze waarop het debat wordt vormgegeven.

    Samengevat denk ik dat de kwaliteit en het karakter van de publieke sfeer mede wordt geconstitueert door hoe individuele burgers zich tot elkaar verhouden, en juist door zich op een bepaalde manier tot elkaar te verhouden, de publieke sfeer van karakter doen laten veranderen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven