Conversatiepoëzie

1.

‘Waar heb je het over?’
‘Niks.’
'Waarom praat je dan?’
‘Ik zeg toch niets.’
‘Je stem was anders duidelijk hoorbaar.’
‘Nou en?’
‘Dat betekent dat je iets zei.’
‘Stel dat ik iets gezegd zou hebben, wat gaat jou dat dan aan?’
‘Nou ja, gezien ik de enige ben die met jou in de wachtkamer zit, leek het me niet onwaarschijnlijk dat je het tegen mij had.’
‘Je schat jezelf wel hoog in zeg.’
‘Wil je ruzie, klootzak?’
‘Hadden we geen ruzie dan? Heb jij ooit geen ruzie?’
‘Godverdomme. Ik zei toch dat je beter die rotbakkus van je dicht kan houden.’
‘Ik heb het je niet horen zeggen.’
‘Nee, niet letterlijk…’
‘Hoe had ik het dan moeten horen?’
‘Haal die stront eens uit je oren man!’
‘Ik ga roken!’

2.

‘Ben je op tijd thuis?’
‘Wat? Ik ben nog niet eens weg.’
‘Ik wil gewoon dat je op tijd thuis bent.’
‘Ik wil gewoon weg gaan.’
‘Je gaat nogal graag weg he?’
‘Wat bedoel je daar mee?’
‘Dat je graag weggaat.’
‘Waarheen?’
‘Hoe moet ik weten waar je heen gaat? Je zegt het me nooit.’
‘Als je zegt dat ik graag weg ga, moet je ook weten waarheen.’
‘Jij zei dat je weg wil gaan.’
‘Klopt, maar ik zei niet graag.’
‘O, ga je me nu op mijn woorden pakken?’
‘Ja, we hebben een gesprek.’
‘Pietje precies.’
‘Ik wil het ook wel iets minder precies voor je zeggen. Misschien begrijp je het dan?’
‘Ben jou nou nog niet opgerot?’
‘Ik blijf thuis! Jezus, dat onophoudelijk gezeik van je.’
‘Je gaat niet weg?’
‘Nee joh, wat denk je dan?!’
‘Dus je loog zojuist ook nog tegen me?’

3.

‘Ik wil succes.’
‘Komt wel joh’
‘Ja, het duurt nu al 3 jaar. Het enige wat ik heb bereikt is de rol van figurant in een soap voor huisvrouwen op middelbare leeftijd.’
‘Het is toch een begin?’
‘Van wat?’
‘Nou, van je acteercarrière.’
‘Noem jij dat acteren? Ik hoefde alleen op een stoel zitten en voor me uit te kijken.’
‘Iedereen heeft zo zijn specialiteiten, man.’
‘Je maakt een grapje?’
‘Nee. Iedereen is toch ergens goed in.’
‘Een kwestie van perspectief ja.’
‘Eens zal jij de gelukkige zijn.’
‘Gelukkige? Ik werk me een slag in de rondte en jij zegt dat het een kwestie van geluk is?’
‘Ik bedoel gewoon dat jouw tijd komt.’
‘Jij hebt makkelijk praten. Jouw tijd was al gekomen toen die stinkvader van je twintig jaar voor je geboorte de loterij won.’
‘Heb je ook een goed argument?’
‘Wat?! Is het niet waar dan, wat ik zeg?’
‘Ik heb die erfenis aanvaard, ja. Ik heb ‘ja’ gezegd tegen de last van rijkdom.’
‘O, sodemieter toch op man! Mijn carrière bevindt zich aan de rand van de afgrond en jij bent een slachtoffer.’
‘Als je het zo wilt zien: ja!’

4.

‘Sinds wanneer heb jij een bril?’
‘Heb ik een bril?’
‘Nou ja, je hebt er een op.’
‘Oh ja, zou kunnen. Ik heb vandaag nog in de spiegel gekeken.’
‘Ik neem aan dat je zoiets ook wel zonder spiegel weet.’
‘Hoezo? Jij weet toch ook niet hoe je haar op dit moment zit?’
‘Nee maar ik weet wel of mijn haar er wel of niet zit!’
‘Ik zou maar eens gaan kijken, Edwin.’
‘Sinds wanneer noem jij mij Edwin?’
‘Sinds je Edwin heet en ik jou ken.’
‘Maar ik heet geen Edwin.’
‘Hoe weet jij dat nou?’
‘Iedereen weet toch wel hoe hij heet?!’
‘Ik wel ja, maar jij kennelijk niet. Ik noem je altijd Edwin.’
‘Je bent niet helemaal lekker geloof ik. Heeft het iets te maken met je ontslag?’
‘Ik ben helemaal niet ontslagen. En als mijn baas ben ik persoonlijk van mening dat jij daar niet over gaat.’
‘Uhm…”

5.

‘Ik zit in de urinehandel.’
‘O ja joh. Wat voor soort urine verhandel je dan zoal?’
‘Tja, je kunt het zo gek niet bedenken of het produceert wel urine. Mannen, vrouwen, kinderen bejaarden. Ik denk dat ik wel kan stellen dat deze groep onbeperkt is.’
‘Zo. En gaat daar een beetje geld in om?’
‘Nou ja…ik rijd niet voor niets een Mercedes.  Het zegt verder niets, maar ja ik heb hem wel.’
‘Ik begrijp het. Voor welke doeleinden wordt urine eigenlijk gebruikt?’
‘Gebruikt? Weet jij dat niet?’
‘Nee, anders zou ik het niet gevraagd hebben.’
‘Je weet toch wel waar jezelf je urine voor gebruikt. Of niet soms?’
‘Zeker. Ik gebruik het voornamelijk om door te spoelen, nadat heerlijk in zo’n witte pot gestraald heb.’
‘Nergens ander voor? Denk eens goed na?’
‘Ik zou het echt niet weten, meneer.’
‘Je bent niet de slimste he?’
‘Ik zou niet meteen willen beweren dat het iets met intelligentie van doen heeft. Maar als je het zo stelt, dan ben ik misschien wel een beetje dom.’
‘Het is anders een behoorlijk snel opkomende markt hoor, de urinehandel.’
‘En wie koopt dat dan?’
‘Tja…men kan niet elke koper persoonlijk kennen. Het is een gevarieerde groep kan ik je zeggen.’
‘Je bent helemaal maf joh!’
‘Wie rijdt hier nou Mercedes?’
‘Dag, meneer!'

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Frank Komrij,

    Haha, heerlijk!
    Het doet me een beetje denken aan La Cantatrice Chauve van Ionesco.
    Hulde

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven