Flickr / Sander Lamme

De angst regeert

Het strafrecht draait om schuld en boete. Misschien wel de meest curieuze verbinding tussen deze twee kwam tot stand in 2003, toen het woord ‘terrorisme’ in ons Wetboek van Strafrecht werd geïntroduceerd. Tien jaar later kunnen we concluderen dat het tijd is om deze term weer te verwijderen uit het strafrechtelijk jargon.

Bij de aanslagen in Londen van 7 juli 2005 werden vier bommen tot ontploffing gebracht in metrowagons en een bus. Opvallend was dat de BBC in haar verslaggeving van deze gebeurtenis de woorden 'terrorism' en 'terrorists' niet gebruikte. De BBC noemde de daders die de bommen af lieten gaan simpelweg 'bombers'. Op haar eigen website gaf de BBC een verklaring voor dit taalgebruik, daarbij verwijzend naar haar eigen richtlijnen voor taalgebruik bij het berichten van terrorisme:

The word "terrorist" itself can be a barrier rather than an aid to understanding. We should convey to our audience the full consequences of the act by describing what happened. We should use words which specifically describe the perpetrator such as "bomber", "attacker", "gunman", "kidnapper", "insurgent", and "militant". We should not adopt other people's language as our own; our responsibility is to remain objective and report in ways that enable our audiences to make their own assessments about who is doing what to whom.’

De BBC vermijdt het woord terrorisme, juist om objectief gebeurtenissen te kunnen beschrijven.

De BBC vermijdt het woord terrorisme, juist om objectief gebeurtenissen te kunnen beschrijven. Hoewel objectiviteit ook in het strafrecht van het grootste belang is, waagt de Nederlandse wetgever zich wel aan de beladen term. In het Wetboek van Strafrecht wordt terrorisme als volgt beschreven:

 ‘...het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.’

De invoering van het terroristisch oogmerk heeft niet alleen gevolgen voor veroordeelden, maar ook voor verdachten. Dankzij de ‘Wet ter verruiming van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven’ hebben politie en justitie nu meer mogelijkheden als een persoon of groep alleen al wordt verdacht van terrorisme. Dat heeft bijvoorbeeld verstrekkende gevolgen voor de voorlopige hechtenis. Een gewone verdachte mag maximaal 90 dagen vastzitten voordat er een proces plaatsvindt, een verdachte van terrorisme kan door constante verlenging tot twee jaar vastzitten zonder proces. Daarvoor is geen veroordeling nodig, slechts een verdenking.

Opvallend is dat dit ‘terroristisch oogmerk’ wordt gebruikt als een zogenaamd ‘bestanddeel’ in delictsomschrijvingen. Een bestanddeel is een deel van een delictsomschrijving waar een gedraging aan moet voldoen om het beschreven delict bewezen te achten. Een bekend voorbeeld is het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ in de delictsomschrijving van moord. Is er geen sprake van voorbedachten rade, dan is er geen sprake van moord, maar hoogstens van doodslag, waarvoor een aanzienlijk lager strafmaximum geldt. Het ‘terroristisch oogmerk’ is ook een dergelijk bestanddeel. Wanneer bewezen is dat iemand schuldig is aan doodslag, maar de bedoeling had de bevolking ernstige vrees aan te jagen, dan is er geen sprake meer van het delict doodslag, maar van een geheel nieuw delict, beschreven in een ander wetsartikel, namelijk ‘doodslag met een terroristisch oogmerk,’ waar uiteraard een aanzienlijk hoger strafmaximum op staat.

Het gebruik van een ‘oogmerk’ als bestanddeel is allesbehalve nieuw. Een voorbeeld is het delict diefstal: iemand kan alleen voor diefstal worden veroordeeld als hij de bedoeling (het oogmerk) had om zich ‘enig goed wederrechtelijk toe te eigenen.’ Of de dader inderdaad deze bedoeling had is bijna altijd een subjectief oordeel, de rechter moet dit afleiden uit de omstandigheden van het geval. Het is ook niet nieuw dat een bepaalde geestesgesteldheid als bestanddeel geldt, zo blijkt bijvoorbeeld uit het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ in de delictsomschrijving van moord.

De vraag is niet langer óf er sprake was van voorbedachten rade, maar van wélke voorbedachten rade.

Bij het bestanddeel ‘terroristisch oogmerk’ gebeurt echter iets anders: de vraag is niet langer óf er sprake was van voorbedachten rade, maar van wélke voorbedachten rade. Met de invoering van het ‘terroristisch oogmerk’ wordt dus het motief als bestanddeel geïntroduceerd. Dit gebeurt nergens anders in het strafrecht, en dat heeft een reden: de vraag naar het motief achter een gedraging, is per definitie subjectief: de kans dat er fouten worden gemaakt bij de beantwoording van deze vraag, is groot. Het is onvermijdelijk dat het motief soms van invloed is op de bepaling van de hoogte van de straf, maar het motief centraal stellen bij de vraag welk misdrijf er überhaupt is gepleegd, is onverantwoord risicovol.

Daarnaast is het onvermijdelijk om in te gaan op de principiële bezwaren tegen te repressief beleid tegen terrorisme. Mensonterende taferelen bij het inchecken op vliegvelden over de hele wereld, het bestaan van gevangenissen als Guantánamo Bay, maar ook de verregaande opsporingsbevoegdheden voor de Nederlandse politie, zijn stuk voor stuk trofeeën voor terroristen. Terroristen willen angst zaaien en uit dit soort maatregelen blijkt dat het lukt. Juist omdat terroristen dit soort reacties beogen uit te lokken moeten we goed overwegen of bepaalde maatregelen tegen terrorisme in verhouding staan tot het te beschermen belang: de veiligheid van de burger.

Toch is het best begrijpelijk dat in roerige tijden overhaaste en ondoordachte beslissingen zijn genomen. Een volk dat zich onveilig voelt gunt graag wat meer machtsmiddelen aan de overheid. Rechtsfilosoof Afshin Ellian schreef in 2003: ‘Burgers willen gewoon in veiligheid en vrijheid leven en daarvoor zijn zij soms ook bereid om tijdelijk een tiran aan te stellen.’[1] Tien jaar later zijn de gemoederen weer een beetje bedaard, en kissebissen de Hoge Raad en het Hof nog steeds over de vraag of de amateuristische pubers van de Hofstadgroep nou wel of niet terroristen zijn. Daarom zou de wetgever er goed aan doen om een voorbeeld te nemen aan de BBC, en de zaken weer gewoon weer te benoemen zoals ze zijn. Met het terroristisch oogmerk in ons strafrecht regeert de angst, waar de ratio zou moeten regeren.


[1] A. Ellian: ‘Oorlogsrecht en strafrecht in de strijd tegen het terrorisme: hoop en wanhoop van de nieuwe oorlog”, in: in: M.M. Dolman (red.), Terrorisme, Europa en strafrecht, Amsterdam 2003, pagina 37-38

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven