Flickr / jpmm

De bank aan banden: een overzicht van de Interventiewet

Op deze website zijn in de loop van het afgelopen jaar verschillende en verscheidene artikelen verschenen die handelen over de kredietcrisis. Er werd gesproken over mogelijk verklaringen, oorzaken  en vooral ook gepleit voor noodzakelijke verandering. Een geperverteerd systeem zoals dat van de laatste twee decennia kan niet langer dienen als basis voor het economische handelen. Volgens de mildere vormen van kritiek kan het systeem nog wel behouden worden. De rotte plekken moet er dan wel uit.

Ofschoon de vele kritiek terecht en wenselijk is, al is het maar voor de bijdrage aan het debat, wordt er relatief weinig aandacht besteed aan welke oplossingen en instrumenten nu daadwerkelijk zijn ontwikkeld om een verandering teweeg te brengen in ons economische bestel, nog los van het economisch denken op zich. Oplossingen op het gebied van verandering in het economisch denken zijn er in de academische wereld legio, zo ook op deFusie. Maar worden de mouwen in de politiek ook opgestroopt? Toch wel, zo lijkt het.

DNB is eigenlijk permanent op de hoogte.

Onlangs heeft een meerderheid in de Tweede Kamer voor het wetsvoorstel[1] gestemd dat beoogt meer stabiliteit in de financiële sector te brengen, de Interventiewet dus. Tijdig overheidsingrijpen is het sleutelwoord bij het creëren van stabiliteit. Op dit moment bestaan er ook mogelijkheden voor de autoriteiten (De Nederlandsche Bank (DNB), Autoriteit Financiële Markten (AFM)) om in te grijpen als het niet de goede kant op dreigt te gaan met een financiële instelling. Het probleem is echter dat het huidige instrumentarium niet effectief is, vooral omdat de bevoegdheden niet ver genoeg gaan. Zo kunnen er nu op grond van de huidige Wet op het financieel toezicht (Wft) zogeheten “aanwijzingen” worden gegeven door DNB aan een financiële instelling, indien DNB het nodig acht bij te sturen. Vaak gaat het dan al niet goed met de instelling, omdat er zonder dat er sprake is van ingrijpen of sturing al veel contact is tussen financiële instellingen en DNB. DNB is eigenlijk permanent op de hoogte. Ook kan er nog een stille curator worden aangesteld en kan het normale bestuursrechtelijke instrumentarium (denk aan last onder dwangsom en bestuurlijke boetes) worden aangewend als de regels niet worden nageleefd.

Het gebrek aan doeltreffendheid dat nu bestaat wordt in feite veroorzaakt doordat niet is voldaan aan twee criteria: 1) er is geen doorzettingsmacht en 2) er kan geen moratorium worden ingesteld. Het eerste betekent dat  een orgaan als DNB haar wil niet kan doordrukken als het gaat om noodzakelijke beleidsveranderingen bij een in nood verkerende instelling. Daartoe ontbreekt simpelweg de bevoegdheid. Het tweede criterium, het moratorium, grijpt hier op in. Moratorium is een juridisch middel dat het mogelijk maakt tijdelijk te voorkomen dat schuldeisers zich verhalen op de financiële instelling. Als dit wel zou kunnen is een financiële injectie, bijvoorbeeld, compleet zinloos, omdat het bedrijf meteen weer ‘leeggetrokken’ zou worden door de schuldeisers.

De Interventiewet, die naast de Wft nog een aantal wijzigingen voor andere wetten bevat, zorgt dat doorzettingsmacht en moratorium gelijktijdig kunnen optreden. Er is immers geen invloed van buitenaf die het beleid van DNB nog kan verstoren. Daarbij zal, wanneer de Eerste Kamer ook haar fiat geeft aan het voorstel, DNB het volgende instrumentarium ter beschikking staan (zgn. overdrachtsregeling):

  • Deposito-overeenkomsten (rekeningen die de meesten van ons hebben, waaraan de pinpas gekoppeld is kunnen worden overgedragen;
  • Activa en passiva van financiële instellingen kunnen worden overgedragen; en
  • Aandelen kunnen worden overgedragen.

De bovengenoemde overdrachten zullen doorgaans geen overdracht zijn naar derde partijen, maar naar een zogeheten overbruggingsinstelling. Deze overbruggingsinstelling zal dan het beheer voeren over genoemde onderdelen totdat dat de instelling in kwestie er weer bovenop is. Voor de overdracht van deposito-overeenkomsten is dit overigens niet geheel waar. Het zou kunnen dat deze worden overgenomen door een andere financiële instellingen. Zo zou het bijvoorbeeld kunnen dat Rabobank de rekeninghouders van ABN AMRO onder haar hoede neemt als laatstgenoemde in gevaarlijk vaarwater is geraakt. Genoemde overdrachten zullen verplicht zijn indien DNB hiertoe besluit, uiteraard moet de verkrijgende partij wel instemmen.

Een bijkomend voordeel in het geval van de overdracht van deposito-overeenkomsten is dat het depositogarantiestelsel  op de schop kan. Nu is het zo dat rekeninghouders tot € 100.000 terugkrijgen van DNB indien hun bank omvalt. Deze ‘teruggave’ komt echter voor rekening van de banken die overeind blijven. Want hoewel DNB teruggeeft, ontstaat er tegelijkertijd een verhaalsrecht op de banken nog in leven. Zij zijn dus eigenlijk degenen die terugbetalen.

De bevoegdheden die de wijzigingen in de Wft aan de minister van Financiën zal toekennen gaan echter nog verder.

Nu lijken bovenstaande maatregelen, althans het gebruik van de nieuwe instrumenten, al redelijk ingrijpend. Let wel: het gaat om een overheidsinstantie die ingrijpt (NB overdracht van bezittingen) in een private onderneming. De bevoegdheden die de wijzigingen in de Wft aan de minister van Financiën zal toekennen gaan echter nog verder. In de eerste plaats zal het de minister mogelijk worden ‘onmiddellijke voorzieningen’ te treffen indien de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar dreigt komen bij het falen van een financiële instelling. Feitelijk is dit niets anders dan een carte blanche voor de minister. In de Memorie van Toelichting staat evenwel te lezen dat een dergelijk ingrijpen dient te geschieden in overleg met de president van DNB. Hoewel de laatste in principe geen politieke rol heeft, is de verwachting niet irreëel dat de politieke kleur van de minister in kwestie een grote rol zal spelen in de hevigheid van het ingrijpen.

In de tweede plaats zal de minister vermogensbestanddelen van of aandelen in de financiële instelling kunnen onteigenen. In dit geval komen deze dus in eigendom van de Nederlandse staat. Onteigende aandeelhouders zullen geraakt worden in de uitoefening van hun recht op het genot van eigendom. De overheid zegt simpelweg ‘dit is nu van ons’. Hierbij moet wel worden aangetekend dat de aandeelhouders een ‘redelijke prijs’ moet worden gegeven. Maar wat is redelijk in deze omstandigheden? Redelijk is hier, aldus de kamerstukken, een prijs gebaseerd op het te verwachten toekomstperspectief van de instelling. Hiermee komt men eigenlijk geen stap verder. Dit systeem kan de nodige onzekerheid scheppen in geval van crisis, hetgeen niet bevorderlijk is. Vooral omdat er geen heel sterke rechtsmiddelen openstaan om tegen de gang van zaken in verzet te komen. Laten we echter onze hoop vestigen op de belofte dat het hier gaat om een ultimum remedium.

Tot slot moet nog worden vermeld dat er ook Europese regelgeving op dit gebied op handen is. De regering heeft echter aangegeven op de zaken vooruit te willen lopen en zo snel mogelijk over adequate middelen te willen beschikken. In een situatie waarin adequaat handelen een hoop problemen kan voorkomen is dit natuurlijk goed. Terwijl het Verenigd Koninkrijk en Duitsland ons al voor zijn gegaan, ligt wel het risico op de loer dat de wetgeving niet in harmonie is met de Europese en de lidstaten derhalve verschillende regimes kennen. Opvallend in dit opzicht is dat de Interventiewet geen zogeheten full recovery plan kent. Dit is een plan dat een financiële instelling zelf moet opstellen, waarin het aangeeft wat hun plan van aanpak is ten tijde van crisis. De regel die zo’n plan verplicht maakt zou een mooie stap kunnen zijn tussen privaat aanmodderen en overheidsinterventie. We zullen echter moeten wachten.

Tot zover deze kijk in de keuken van (een onderdeel van) de crisiswetgeving. De bovenstaande beschrijving van veranderingen is niet compleet, maar bevat wel de belangrijkste elementen. Geconcludeerd kan worden dat de overheid het initiatief heeft genomen de touwtjes wat strakker in handen te gaan nemen. Daarbij wil de overheid investeerders meer risico laten lopen, waarbij zij al in de handjes mogen knijpen dat de overheid tot ingrijpen bereid is. Een redelijke prijs door de overheid betaald zal hen waarschijnlijk meer opleveren dan aandelen in een failliete bank. Desondanks moet niet lichtzinnig worden gedacht over het instituut eigendom, aangezien het één van de hoekstenen van ons systeem vormt. Niet alleen van het economisch systeem, maar even goed in het denken over de verhouding tussen overheid en private partijen die veel breder is dan economie alleen.



[1] Kamerstukken II, 33 059

Gerelateerde artikelen
Reacties
2 Reacties
  • Ha Jord,

    Ik heb toch iets aan te merken op de bevoegdheden van de Minister van Financien en de wijze waarop die uitgeoefend kunnen worden. Ik zal beide bevoegdheden bespreken.

    Allereerst de bevoegdheden om 'onmiddelijke voorzieningen' te nemen. Jij beschrijft dit als een carte blanche voor de Minister, wat bij mij de indruk wekt dat exorbitante bevoegdheden worden toegekend. In de toelichting echter lees ik 'tijdelijk ontnemen van stemrechten, afwijken van statutaire voorschriften of het schorsen van een bestuurder of commissaris'. Als ik dit naast de bevoegdheden leg die de Ondernemingskamer momenteel heeft, is er eigenlijk niets nieuws onder de zon.

    Daar komt bij de de Minister dit besluit in samenspraak met de Minister-President neemt. En de instelling heeft de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de maatregel bij de Raad van State, die het beroep versneld behandeld. Ook uit de formulering van art. 6:1 en 6:2 Wft, zou je kunnen afleiden dat de maatregel niet lichtvoetig toegepast moet worden.

    Wat betreft de maatregel van onteigening merk ik op dat de facto deze mogelijkheid al bestond en ook is toegepast (Rb. Amsterdam 18 mei 2011, JOR 2011/230 en JOR 2011/231). De opmerking dat hiertegen geen sterke rechtsmiddelen opstaan behoeft enige nuancering. In het gewijzigde voorstel is de mogelijkheid voor een procedure bij de Ondernemingskamer tot schadeloostelling alsmede het verkrijgen van aanvullende schadevergoeding opgenomen. Daarmee is toch sprake van adequate rechtsbescherming.

  • Casper,

    Dank voor je reactie en aanvullingen. Ik ben het geheel met je nuanceringen eens.

    Wat betreft je opmerking over het feit dat de bevoegdheden al bestonden, vind ik de verschuiving van de bevoegde instantie toch wel van belang: van rechterlijke macht (OK) naar uitvoerende macht (Minfin). Bovendien hebben de bevoegdheden betrekking op zaken die eventueel een belemmering zouden kunnen vormen voor het beleid van de minister (bijv. een onwelwillende commissaris).

    Wat betreft je opmerking over de (aanvullende) schadeloosstelling: daar is wellicht meer mogelijk dan ik (ook om polemische redenen) in het artikel heb weergegeven. Zie voor de adequaatheid van de rechtsmiddelen enkele artikelen geschreven door V.P.G. de Seriere.

    Nogmaals, dank voor de aanvulling.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven