Gaby Jongenelen Fotografie

De brug

Op alle treinstations hangt een klok. Eigenlijk wel meer dan een. Boven het loket hangt de moederklok. Dan heb je nog de kleinere op de perrons. De praktische, die je zo lui maken dat je je telefoon niet meer uit je zak haalt of op je horloge kijkt. Kinderen worden gefascineerd door deze klokken. Omdat de secondewijzer zonder te stoppen rondgaat, is dat de enige manier om te zien hoe de tijd verstrijkt. Ze kijken hoe de secondewijzer naar boven glijdt en dan, als hij bijna verticaal staat, gaat hun hart sneller kloppen en worden hun ogen groot. Wanneer de kleine wijzer eindelijk een sprongetje maakt, weten ze dat er een nieuw tijdperk is aangebroken.

Het vertrekperron was bijna leeg. Er zullen zo’n tien mensen hebben staan wachten tot de trein zou vertrekken. Het was nog geen spitsuur, het moment waarop het station wordt overspoeld door mensen die Lissabon ontvluchten. Ze wilden ontsnappen aan hun werk en school, een paar uurtjes maar, en weer even thuis zijn. Ze hadden haast om hun kinderen van school te halen of boodschappen te doen, te gaan studeren voor een examen of zich weer te verenigen met een minnaar. De herfst was in de kalender geslopen en aan een kant van het station liet de lucht een kleurschakering van paars zien, als aan het eind van de dag. Aan de overkant probeerde het blauw zich te weren tegen het vallen van de avond.

‘Eén minuut,’ zei Luís na het sprongetje van de wijzer.

Ricardo duwde zijn bril omhoog. Hij zat niet goed door een loszittend schroefje in een van de poten en gleed steeds naar beneden. Jaloers keek hij naar Luís. Hoe kon hij zo zelfverzekerd en ontspannen zijn? Ze zouden een misdaad begaan. Maar dat was het ergste niet. Ze zouden een monster van honderdveertig ton trotseren dat zich met tachtig kilometer per uur verplaatste. Ze konden doodgaan. Ze kon-den dood-gaan. Op die manier gezegd, langzaam, in losse lettergrepen, was het nog beangstigender.

Carolina keek op haar telefoon. Ze wilde er zeker van zijn dat het echt over één minuut zou beginnen.

‘Als je ’m steeds aan en uit doet, is je batterij zo leeg. En dit is het alleen waard als we het kunnen filmen,’ viel Luís tegen haar uit.

‘Ik wilde alleen…’

De fluittoon van de trein die zijn vertrek aankondigde overstemde Carolina’s woorden. Als antwoord zette de trein zich in beweging.

‘Daar gaan we. Het is nu of nooit!’

Ze volgden Carolina en sprongen van het perron op het spoor. Als een van de mensen op het perron hen had gezien terwijl ze achter de wagons aan gingen, hadden ze hen genegeerd, zonder ook maar een woord of kik en zonder om hulp te roepen.

Ze vertrouwden op Ricardo’s berekeningen. Hij was een van de beste van de klas. Goed in wiskunde ook: de enige die de middelloodlijn van een lijnstuk kon tekenen.

Het avontuur begon weken daarvoor, toen ze zich realiseerden dat ze volgend jaar naar het lyceum zouden gaan.

‘En als ze achter ons aan komen?’ vroeg Carolina.

‘Dat doen ze niet. Ze zijn bang om door een trein aangereden te worden. In het ergste geval waarschuwen ze de stationsmedewerkers. Dan worden we aan de andere kant gepakt, maar dan zijn we de brug al over,’ speculeerde Ricardo. En hij vervolgde: ‘Het is zevenhonderd meter tussen Oeiras en Santo Amaro. Te voet, oftewel, met vijf kilometer per uur, doen we er negen minuten over. Als we meteen na de trein van 17.23 gaan, hebben we zestien minuten tot de volgende, die om 17.37 uit Oeiras vertrekt en om 17.39 op Santo Amaro binnen komt rijden. Snappen jullie ’t?’

Ricardo gebruikte de meervoudsvorm, maar keek Luís aan. Die antwoordde niet, hoewel Ricardo’s blik hem irriteerde. Drieëntwintig plus zestien is negenendertig. Een makkelijk sommetje. Hij hield zijn mond, dat was beter voor de groep.

Alle scholieren van het lyceum werden uitgedaagd om de tocht over het spoor tussen de stations van Oeiras en Santo Amaro af te leggen. Het enige pad liep over een stalen brug die op dertig meter boven de grond hing. Die weg bewandelen betekende dat je op het asfalt te pletter kon vallen of door een trein kon worden geschept. Maar dat was minder beangstigend dan het vooruitzicht om vijf jaar lang te worden gepest. Als je de oversteek niet haalde, overleefde je de puberteit ook niet. Althans, niet met je eigenwaarde intact.

Ze wilden de eerste leerlingen zijn die de test al hadden volbracht voor ze naar het lyceum gingen. En om het te bewijzen, moesten ze filmen wat ze deden. Twee vliegen in een klap. Naast het aanzien dat ze op school zouden krijgen, zouden ze de video ook op social media zetten. Maar niet op Facebook; dat was de enige plek waar ze met hun ouders bevriend waren. Met die video zouden ze legendarisch worden. En daarom was het meer dan de moeite waard je leven op zo’n gevaarlijke en lichtzinnige wijze op het spel te zetten.

Ze vertrouwden op Ricardo’s berekeningen. Hij was een van de beste van de klas. Goed in wiskunde ook: de enige die de middelloodlijn van een lijnstuk kon tekenen.

‘Verdomme… ik was het bijna vergeten!’

Carolina stak haar hand in haar zak en pakte haar telefoon. Ze deed hem aan en startte de opname. Op dat moment liepen ze voorbij een bord met daarop in rode letters ‘Verboden toegang’. Een mooie plek om te glimlachen terwijl ze een V met hun vingers maakten. Ze zetten hun tocht voort en Carolina herhaalde in de camera het toespraakje dat ze de avond ervoor in de spiegel had geoefend.

Ze had gewacht tot haar ouders op de bank in slaap waren gevallen, in slaap gesukkeld bij een of andere serie, en sloot zichzelf op in de badkamer. Ze las de tekst die ze had voorbereid een paar keer op tot ze naar haar eigen spiegelbeeld bleef kijken. Eerst van voren, vervolgens van opzij. Je kon de contouren van haar borsten al zien en haar broeken zaten steeds strakker rond haar billen. Aan de ene kant was ze trots op haar lichaam. Aan de andere kant vond ze het maar niks dat de jongens haar beetje bij beetje anders gingen behandelen. Vroeger was het allemaal een stuk makkelijker. Ze trokken samen op en dat was dat. Nu leek het alsof ze om haar aandacht vochten.

Ze schrok toen de badkamerdeur openging, bang dat haar ouders iets hadden gehoord. Ze bukte en aaide Maria Antonieta, de poes die ze vijf jaar geleden had geadopteerd.

‘Niet doorvertellen. Dit is ons geheim.’

Ze trok haar badjas aan om haar rondingen te verbergen en las nogmaals de tekst voor waarmee ze de video van hun overtocht zouden beginnen.

Op de brug lag geen grint. Tussen de stalen balken lag de afgrond en de wind was veel sterker dan ze hadden gedacht.

De eerste honderd meter hadden ze makkelijk overwonnen. Ze liepen over het grint waarop de bielzen waren gelegd, maar toen ze bij het begin van de brug aankwamen stopten ze. Ze waren bang. Luís was degene die als eerste een stap op de stalen constructie zette en hen zo dwong om achter hem aan te lopen. Het pad, dat tussen het spoor rechts en het massieve balkwerk links lag geklemd, was een meter breed. Op de brug lag geen grint. Tussen de stalen balken lag de afgrond en de wind was veel sterker dan ze hadden gedacht. Ze moesten stapvoets achter elkaar lopen: eerst Luís, dan Carolina met haar telefoon op armslengte, en Ricardo als laatste. Hij kon het randje van de bh-sluiting in de stof van de blouse van hun vriendin zien, maar zijn blik bleef gefocust op de lijn van Luís’ bovenarmspier die onder de mouw van zijn T-shirt uit kwam. Luís was zo’n tien centimeter langer dan hij en versperde hem het zicht op het station in de verte. Ricardo ergerde zich aan zijn eigen dunne armen, aan zijn buik waar zijn moeder gek op was en aan het snorretje dat maar niet wilde groeien.

Toen begon de brug te schudden. Het bijna onmerkbare getril werd sterker en dreigde de constructie te ontwrichten. Het metalen gebulder overspoelde alles. Ze konden er niet meer door zien, horen of denken.

Ricardo had voorspeld dat er om 17.30 een tegenligger langs zou komen. Daardoor zou de video al helemaal viraal gaan, met beelden van de wagens die langs hen heen raasden, de angst in de ogen van de machinist en het ongeloof van de passagiers.

Maar ze waren niet voorbereid op het geweld van die honderdveertig ton. Ze dachten dat de brug zou instorten. Verlamd van schrik moesten ze zich vasthouden aan de stalen balken en aan elkaar om niet van de brug te worden gelanceerd.

Ze bleven daar doodstil staan, zelfs toen het voorbij was. Het duurde even voor ze zich hadden herpakt. De eerste die zich losmaakte was Carolina. Ze slaakte een diepe zucht en sloeg haar kameraden vriendschappelijk op de rug.

‘We kunnen maar beter doorlopen,’ zei ze met een zacht stemmetje zonder hen te laten merken dat ze in alle paniek het voorbijgaan van de trein was vergeten te filmen.

‘Mijn bril!’

Weer overeind, met hun rug naar de balken, zagen ze het kale gezicht van Ricardo. Zijn handen gleden over zijn gezicht en probeerden iets te vinden wat er niet meer was. De brug had zijn eerste slachtoffer geëist.

Ze wilden daar zo snel mogelijk weg. Ze raakten vertrouwd met het smalle pad, aan de harde wind die hen omver wilde blazen en stapten snel en vastberaden door.

‘We hebben nog zes minuten.’ Ricardo hield zijn gezicht zowat tegen het scherm van zijn telefoon om iets te kunnen zien. ‘We kunnen maar beter opschieten.’

Ze versnelden hun pas. Renden bijna. Bij elke stap voelden ze de brug trillen. Steeds meer. En ze realiseerden zich dat het niet door hen kwam. Ze herkenden het geschommel, het gesuis, het voorgevoel. Luís keek achterom, naar het station dat ze een paar minuten eerder achter zich hadden gelaten, en zag hem. Lichten aan. Langzaam trok hij op, maar elke seconde werd de snelheid opgevoerd.

‘Er komt een andere trein aan,’ schreeuwde hij.

Ricardo en Carolina stonden als konijnen op een autoweg, verblind door de koplampen.

‘Dat is onmogelijk,’ stotterde Ricardo.

Verward hield hij zijn telefoon weer vlak onder zijn ogen. Negen minuten waren verstreken, nog vijf tot de volgende vertrok.

‘Heb je de dienstregeling gezien?’ vroeg Luís hem.

‘Ja. Ik heb hem hier. De volgende vertrekt pas over vijf minuten.’

Hij schudde zijn telefoon alsof het een onfeilbaar orakel was.

‘Hoe verklaar je dit dan?’

‘Het is onmogelijk.’ Ricardo schudde zijn hoofd in ontkenning.

‘Jezus! Je ziet daar een trein en zegt dat het onmogelijk is?’ Luís wees naar de trein die recht op hen af kwam.

‘Het staat online,’ schreeuwde Ricardo en hij zette een stap richting Luís.

‘O, nou, als het online staat dan zal ik het me wel inbeelden.’

Carolina stapte tussenbeide.

‘Mond houden en rennen!’

Ze sprintte richting Santo Amaro. De jongens volgden haar en probeerden haar bij te houden. De brug schudde steeds heviger, als aankondiging dat ook het ritme van de trein versnelde. Carolina waagde het achterom te kijken. Hij was al dichtbij, op zo’n honderd meter afstand. Het eind van de brug lag twee keer zo ver weg. Ze stopte.

‘We redden het niet.’

‘Doorrennen,’ riepen ze.

‘We worden omvergereden voor we bij het eind van de brug zijn.’

‘We houden ons vast aan de brug en laten hem passeren,’ opperde Luís.

‘Dat is veel te krap,’ antwoordde Carolina hem en ze moest bijna schreeuwen. ‘Heb je dat niet gezien toen de andere trein voorbijkwam? De wagons raken de zijkant bijna. We moeten naar de overkant springen.’

De rails waren elk zo’n dertig centimeter breed. Ertussen gaapte een leegte van een halve meter breed boven de afgrond. Ze pakten elkaars hand, zodat ze elkaar mee konden sleuren als een van hen zou vallen. Carolina ging voorop, Ricardo in het midden en Luís sloot de rij af. De trein was bijna bij hen en ze konden het wanhopige gefluit van de machinist horen die hen in de avondschemering te laat had gezien.

Geen van drieën kon achteraf uitleggen wat er was gebeurd. Ze hadden zich al vastgeklampt aan de rails van de overkant, het moeilijkste was overwonnen. Een verkeerde stap, even het evenwicht verloren, een schok, wie weet. Ze voelden hoe hun handen zich van elkaar losmaakten.

En toen ze elkaar aankeken, was alles anders. Luís zag de paniek op de gezichten van zijn vrienden terwijl hij hem probeerde te vangen maar greep in het luchtledige. Hij had niet gezien hoe Carolina’s telefoon in duigen viel op het asfalt van de straat, tientallen meters onder hen. Hij was met zijn benen in de lucht blijven hangen en hield zich krampachtig vast aan een van de rails terwijl de brug schokte onder de zeventienhonderd pk van de trein die op het punt stond hen te passeren.

De vrienden stortten zich op hem, maar door hun bezwete huid en wanhoop raakten hun handen elkaar weer kwijt. Met moeite konden ze hem optrekken. Op handen en voeten kropen ze naar de smalle strook aan de andere kant en klampten zich vast aan een balk op het moment dat de trein het trio voorbijreed.

Ze herinnerden zich niks van de rest van hun tocht. Ze sleepten zich naar het andere eind van de brug en hun geheugen kwam pas terug toen ze op het station van Santo Amaro aankwamen. Op dat moment was het treinverkeer al stilgelegd en de stationschef wachtte hen op, vergezeld door de politie. Een kleine menigte keek met de hand voor de mond toe vanaf het perron.

Het nieuws van hun overtocht verscheen in de banners op de nieuwszenders en de volgende dag was er een kwart van een krantenpagina aan gewijd. De dienstdoende journalist had ervoor gekozen een afbeelding van een trein uit het archief te gebruiken in plaats van hen te fotograferen, maar ze hadden het bewijs dat ze nodig hadden om met opgeheven hoofd het lyceum binnen te stappen.

Geen van drieën kon achteraf uitleggen wat er was gebeurd.

Ze werden naar het kantoortje van de stationschef gebracht. Daar kregen ze water en ze moesten een rapport van het incident invullen. Van de hoofdagent kregen ze een uitbrander en hij legde uit dat ze geen kinderen meer waren. Die ongein had een hoop mensen schade kunnen berokkenen, naast het gevaar dat zijzelf hadden gelopen.

Een andere agent meldde dat hun ouders er waren. In dekens gewikkeld werden ze alleen achtergelaten in de kamer. Ze bleven stil. Ze voelden hoe hun spanning bezweek onder een lachaanval. Ze probeerden zich in te houden zodat ze het daarbuiten niet zouden horen, maar het geschater golfde onbedwingbaar uit hen.

Een van de agenten deed de deur open en keek hen vol ongeloof aan: ‘En jullie lachen nog ook?’

‘Sorry,’ antwoordde Carolina met een hand over haar mond. ‘Dat was niet de bedoeling.’

 

 

 

 

De Brug kwam tot stand in het kader van Connecting Emerging Literary Artists (CELA). CELA is een uniek Europees talentontwikkeltraject dat een nieuwe generatie jonge literaire makers uit vijf landen samenbrengt om de toenemende afstand tussen hen, de uitgeefindustrie en het publiek te overbruggen. CELA is een initiatief van Wintertuin in samenwerking met Booktailors (Portugal), Escuela de Escritores (Spanje), Pisa Book Festival (Italië), Vlaams-Nederlands huis deBuren en Passa Porta (België). CELA wordt medegefinancierd door Creative Europe van de Europese Unie en door het Nederlands Letterenfonds. cela-europe.com'

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven