Stadsarchief Mechelen

De Bruul

Het was voor hem nog niet eens zo lang geleden dat hij zijn geboorteplaats aandeed. Walter ging wel vaker terug. Om het graf van zijn moeder te bezoeken; de grafsteen die ze destijds gekozen hadden met z’n allen vergde veel onderhoud en dus hielden de broers en zussen volgens een strikt en zorgvuldig door zus Claartje samengesteld schema, het graf bij. Walter had zich altijd geërgerd aan Claartje haar stiptheid. Volgens haar moest de steen die schuin over het plateau helde, met een afgemeten hoeveelheid groene zeep in ruim heet water, iedere maand schoon geschrobd worden om algenvorming tegen te gaan. Hun moeder had namelijk een gruwelijke hekel gehad aan algen, en op deze manier konden ze tenminste het leed van haar sterven nog iets verzachten. Dat waren de woorden geweest van Claartje, niet van Walter. Nu hij er zo aan terugdenkt realiseert hij zich pas dat het haast een onmogelijk situatie moet zijn geweest, dat sterfbed van hun moeder. Hun moeder was een veeleisende vrouw. Veeleisend zijn kan in allerlei verschillende gradaties en op verschillende vlakken. Maar hun moeder Agnes had een gradatie van veeleisendheid ontwikkeld die ze thuis maar moeilijk konden accepteren. Het was voor Walter en zijn broers en zussen dan ook een hele opgave om aan haar –vaak- onmogelijke verwachtingen te voldoen. Zelfs toen de pastoor haar de laatste sacramenten kwam toedienen, schoof ze rechtop in haar bed, keek naar haar kinderen en zei: “Het is ongelooflijk dat jullie nog steeds niet weten dat ik een hekel heb aan ongepoetste schoenen. Zo kunnen jullie je toch niet vertonen?” Waarop het broer Egbert was die reageerde met een binnensmondse scheldkanonnade en de kamer uitstormde. Nee, het was voor iedereen een opluchting dat ze gestorven was, constateerde Walter terwijl hij zijn auto parkeerde aan de zuidzijde van de stad. Hij twijfelde of hij een paraplu uit de achterbak moest pakken; de lucht die zich boven de stad had gevormd zag er onheilspellend uit.

Geleid door de afdakjes van de voordeuren in de straat, waar hij om de twintig seconden onder vandaan rende naar een volgende voordeur, stond hij plots voor haar huis. Hij was hier al veel te lang niet geweest. De laatste keer dat hij hier zo aarzelend voor de deur stond was toen hij haar kwam ophalen voor het eindejaarsgala van het Koninklijk Atheneum Pitzemburg. Of in ieder geval, dat was de bedoeling. Maar toen haar moeder de deur opendeed en met rooddoorlopen ogen Walter naar huis stuurde, realiseerde hij zich dat het gala geen prioriteit meer had. Een paar dagen later kreeg hij nog een brief van de ouders van Eva. Ze hadden het op prijs gesteld dat hij zo begaan was met haar gemoedstoestand, maar verzochten hem nu vriendelijk of hij zich niet meer zou willen bemoeien met haar toekomst. Ze zou deze zelf, met behulp van haar artsen in de inrichting vlakbij Brussel, wel bepalen. Jaren later, toen Walter al bijna afgestudeerd was, zag hij toevallig in De Morgen een advertentie staan. Op pagina 24 stond in een gotisch vormgegeven kader:

“Diep bedroefd zijn wij om het overlijden van onze lieve dochter, zus, tante en vriendin.”

 

Eva Kouwer 1972 – 2002

 

Walter had zich verslikt in de hete koffie en de hele dag met een verbrande tong rondgelopen. Eva, zijn jeugdliefde, was uit haar raam op de achtste verdieping van de inrichting gesprongen.

Het naambordje hing nog steeds rechts van de deur, waar onderop vrij zichtbaar de naam van Eva was weggekrast. De gordijnen waren dicht en het leek angstvallig verlaten toen Walter door de brievenbus de gang inkeek. De geur, die onmiskenbaar was voor het huis, een combinatie van mottenballen en zilverpoets maakte hem misselijk. Hij had kunnen aanbellen, maar aan die gedachte schonk hij weinig aandacht. Een confrontatie met haar ouders leek hem op dit moment ongepast; het blauwe linnen pak dat hij vanochtend had aangetrokken was ongeschikt voor een eventuele ontmoeting en bovendien was het zijn doel om zijn ouderlijk huis te bezoeken, niet dat van zijn jeugdliefde. Walter herpakte zich, schoof zijn natte haren achter zijn oren en zocht in zijn jaszak naar een sigaret.

Naar en troosteloos, zo zag de straat eruit. Van alle straten in Mechelen vond Walter de Bruul toch wel echt de lelijkste. Zelfs in het late voorjaar, wanneer eigenlijk alles er mooi uitziet, lag de Bruul er maar grijs en donker bij.

Een sms van Nelis. Waar hij bleef. Walter draaide zijn telefoon om en klikte de batterij uit het apparaatje. Onbereikbaar zijn, dat was helemaal geen gek idee.

Gerelateerde artikelen
Reacties
2 Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven