Flickr / Clemson

De dichtende dictator

PoliteiaPlato+/- 380 v.Chr
Young StalinSimon Sebag Montefiore2007
The Poems of Mao ZedongWillis Barnstone1972
Culture and AnarchyMatthew Arnold1869

Van verkiezingsdebatten en jihadistische propaganda tot een emotionele VN-speech van de minister van defensie: woorden zijn nog steeds het belangrijkste instrument voor politieke actie. En vooral lyrische, metaforische taal is bijzonder effectief. De afstand tussen poëzie en politiek is daarom kleiner dan hij lijkt.

Dit is de reden dat de poëzie zo’n belangrijke rol speelt in het ideale staatsbestel dat Plato schetst in zijn Politeia (Staat). Volgens Plato moet de filosofie de politieke heerschappij op zich nemen zodat de ideale staat wordt bestuurd door filosofisch geschoolde heersers, of filosoof-koningen. De dichters zijn juist het grootste gevaar voor deze staat: met hun verleidelijke leugens brengen ze de burgers het hoofd op hol en ondermijnen ze de stabiliteit van de binnenlandse politiek. Plato stelt daarom tegen het eind van zijn magnum opus voor om alle dichters de staat uit te zetten.

Deze aversie tegen dichters heeft Plato’s reputatie door de eeuwen heen weinig goed gedaan; de filosoof die zichzelf zag als voorvechter van Het Goede wordt vaak afgeschilderd als een totalitaire denker, en als de bron van veel problemen in de wereld. Er zou een rechte lijn lopen ‘from Plato to NATO,’ en zelfs ‘van Athene naar Auschwitz’. Daarbij is zijn onverzoenlijke houding tegen de staatsgevaarlijke poëten de smoking gun die de totalitaire neigingen van Plato bewijst. De filosoof-koning is een dictatoriale droom; de dichter een onschuldig slachtoffer van Plato’s systeemdrang.

De afstand tussen poëzie en politiek is kleiner dan hij lijkt.

Maar een paar jaar geleden kreeg de Platoonse achterdocht tegen de poëzie een nieuwe impuls door de arrestatie van Radovan Karadžić, die als president van de Republika Srpska (bestaande uit de Servisch sprekende gebiedsdelen van Bosnië en Kroatië) tijdens de jaren ’90 één van de hoofdverantwoordelijken was voor gruweldaden tijdens de Bosnië-oorlog. Deze ‘Butcher of Bosnia’ was niet alleen militair en politicus, maar ook psychiater en poëet. Bij zijn arrestatie in 2008 bleek hij al jaren onder een schuilnaam te werken in een praktijk voor alternatieve geneeswijzen in Belgrado; voor zijn gedichten had hij in de jaren ’90 een aantal prijzen gewonnen.

Toen in 2009 een Slowaaks literair tijdschrift een aantal gedichten van Karadžić plaatste, barstte de discussie over de verhouding tussen deze poëzie en politiek wereldwijd los. Volgens critici zou het onverantwoord en schadelijk zijn om deze gedichten te plaatsen zonder enige aanduiding van de politieke achtergrond van de auteur. De redactie van het blad antwoordde dat het, gezien de hoge kwaliteit van de gedichten, eerder schadelijk zou zijn om ze niet te plaatsen.

Het voorbeeld van Karadžić wijst op een interessante tussencategorie, die Plato over het hoofd lijkt te zien: wat gebeurt er als een filosoof-koning poëzie schrijft?

De meeste commentatoren zijn het erover eens dat de poëzie van Karadžić bij uitstek staatsgevaarlijk is. Niet alleen gaat de ex-president smalend in op de aanklachten van het Joegoslavië-tribunaal (‘rechters kwellen me met onbeduidende daden’); niet alleen is een fascinatie met geweld zichtbaar in zijn poëzie (zoals in een gedicht ‘bommen in de ochtend’); hij predikt bovendien een cultuur van permissiviteit die in het licht van de wandaden van Servische soldaten in Bosnië erg wrang is:

Convert to my new faith crowd
I offer you what no one has had before
I offer you inclemency and wine
The one who won’t have bread will be fed by the light of my sun
People nothing is forbidden in my faith
There is loving and drinking
And looking at the Sun for as long as you want
(bron)

Karadžić lijkt precies het soort dichter dat Plato zijn Staat uit wil zetten: iemand die met mooie verhalen en opzwepende leugens zijn omgeving het hoofd op hol brengt, waardoor hij brave burgers in moordmachines verandert.

Wat gebeurt er als een filosoof-koning poëzie schrijft?

Maar het geval Karadžić is een uitzondering – lang niet alle dichtende politici schrijven demagogische en opzwepende poëzie.

Neem Josef Stalin. De toekomstige dictator schreef als jonge seminarist in Tbilisi enkele gedichten in het Georgisch. Prins Ilia Tsjavtsjavadze, de uitgever van een literair tijdschrift, zag in de jonge dichter een grote belofte, en publiceerde in 1895 vijf van zijn pennenvruchten, onder het pseudoniem ‘Soselo’ (deze zelfde prins Tjsavatjsavadze zou twaalf jaar later door de Bolsjewieken worden vermoord, en geldt nu als vader des vaderlands van Georgië, en als heilige in de Georgisch-Orthodoxe Kerk). De romantische gedichten – een lyrische beschrijving van de Georgische natuur, een portret van een onbegrepen dichter, een hymne aan de maan – werden, zonder vermelding van de auteur, opgenomen in de canon van de Georgische literatuur, waar schoolkinderen ze tot in de jaren ’70 uit het hoofd moesten leren.

In de poëzie van Stalin zijn geen sporen te vinden van de politiek die hij later als leider van de Sovjetunie zou voeren. Dit komt deels doordat deze gedichten zich houden aan de conventies van romantische lyriek: ‘Soselo’ schrijft in een genre waarin weinig plaats is voor persoonlijke politieke stellingname. En deels komt het doordat ‘Soselo’ en ‘Stalin’ als het ware twee verschillende personen zijn: Stalin-biograaf Simon Sebag Montefiore laat regelmatig zien hoe groot het verschil was tussen de jonge Georgische dichter (seminarist, dichter, rokkenjager, bankovervaller) en de oude Sovjetdictator – een puriteinse en paranoïde politicus.

Nog veel moeilijker te plaatsen is de poëzie van Mao Zedong. Net als Stalin schreef hij poëzie in traditionele vormen; maar in tegenstelling tot Stalin schreef Mao zijn poëzie grotendeels tijdens zijn politieke carrière. En hoewel hij wel verwijst naar politieke en militaire gebeurtenissen is het lastig om te bepalen of er een politieke impuls achter zit. Zijn gedicht over de beroemde ‘Lange Mars’ luidt, in de vertaling van Willis Barnstone:

The Red Army is not afraid of hardship on the march, the long march.
Ten thousand waters and a thousand mountains are nothing.
The Five Sierras meander like small waves,
the summits of Wumeng pour on the plain like balls of clay.
Cliffs under clouds are warm and washed below by the River Gold Sand.
Iron chains are cold, reaching over the Dadu River.
The far snows of Minshan only make us happy
and when the army pushes through, we all laugh.

Een portret van een onverschrokken leger dat een onherbergzaam landschap trotseert, misschien een aanmoediging van een generaal voor zijn vermoeide troepen – maar zeker geen zelfportret van een toekomstige dictator van een totalitaire politiestaat.

Mao lijkt steeds zijn politieke leven te verhullen achter een poëtische sluier

Mao lijkt steeds zijn politieke leven te verhullen achter een poëtische sluier, waardoor de  burgeroorlog verandert in een verstild schimmenspel van oude keizers, van eindeloze rivieren en van bergen die draken worden. Dit werkt eerder verdovend dan opzwepend. Zelfs wanneer hij schrijft over zijn tweede vrouw Yang Kaihui, die is onthoofd door de Guomindang (de vijand van Mao’s ‘Rode Leger’ in de burgeroorlog), beschrijft hij haar als een ‘trotse populier’ (een woordgrap op het Chinese karakter ‘Yang’) die naar de negende hemel vliegt, waar de maan voor haar danst. De enige verwijzing naar haar gewelddadige dood zit in de mistige laatste regels:

Down on earth a sudden report of the tiger’s defeat
Tears fly down from a great upturned bowl of rain.

Een deel van het mysterie is dat Mao Zedong zijn gedichten niet heeft geschreven voor propaganda-doeleinden, en zelfs niet eens voor een groot publiek. Dichten in de klassieke stijl was een persoonlijke hobby, zoals het dat voor zoveel Chinese intellectuelen was – tot Mao’s culturele revolutie althans. De meeste van zijn schrijfsels gooide hij weg, en zijn gedichten werden pas in de late jaren ’50 gepubliceerd. Mao was toen al 65 jaar oud. In een brief aan de uitgever legt de Roerganger uit waarom hij nooit eerder tot publicatie is overgegaan:

Up to now I have never wanted to make these things known in any formal way, because they are in the old style and I was afraid I might encourage a wrong trend and exercise a bad influence on your people. Besides, they are not much as poetry, and there is nothing outstanding about them. [...] Of course our poetry should be written mainly in the modern form. We may write some verse in classical forms as well, but it would not be advisable to encourage young people to do this, because these forms would cramp their thought.

Mao-de-staatsman lijkt te suggereren dat Mao-de-dichter een staatsgevaarlijke persoon is.

De oude poëzie – inclusief de poëzie die Mao zelf schrijft – heeft een slechte invloed op het volk. Plato wilde alle dichters de staat uit zetten; deze brief lijkt hem gelijk te geven. Mao-de-staatsman lijkt te suggereren dat Mao-de-dichter een staatsgevaarlijke persoon is. En dat terwijl Mao-de-staatsman verantwoordelijk is voor miljoenen onschuldige doden, waar Mao-de-dichter verantwoordelijk is voor een paar dozijn schitterende gedichten. Is de filosoof-koning dan toch de echte boosdoener, en de dichter slechts een onschuldig slachtoffer?

Eén ding is zeker: het negentiende-eeuwse idee dat poëzie een moreel vormend effect heeft; dat kennis van poëzie, zoals Matthew Arnold beweerde, de ziel leidt tot sweetness and light, is onhoudbaar. Als gedichten enig effect op het karakter van de mens hebben, dan kan dat net zo goed een negatief effect zijn; poëzie kan even goed perverteren als verheffen. Dat betekent dat poëzie (net als romans, films en muziek trouwens) een risico vormt. Of Plato’s oplossing om de dichters uit de staat te zetten terecht is of niet, weet ik niet – maar het probleem dat Plato heeft aangesneden gaat ons nog steeds aan.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven