Flickr / marco cevat

De dochter van

Dat ik ook maar een seconde dacht dat ik mijzelf wel kon introduceren in 10 minuten. Wat dacht ik wel niet. Ik zou een zorgvuldig op chronologische volgorde uitgezochte biografie moeten presenteren om een accuraat beeld van mijzelf te geven. Want op de vraag "wie is nou de dochter van" is het antwoord "ja van mijn vader en moeder" wel ongelooflijk saai. Laatst op een feestje kwam een jongen naar mij toe: zeg, jij bent die redacteur van die commerciële uitgeverij he? Ik knikte. Het begrip commerciële uitgeverij kon van alles zijn.

Maar jij bent ook de dochter van he? Ik keek op; het blijft verrassend dat mensen mijn stukken lezen. "Ja ik vraag me al enige tijd af van wie je nou de dochter bent." Hij keek hoopvol. Hij wachtte op een antwoord als: Van Nieuwkerk, Zwagerman of het liefst een verloren dochter van Hermans of Mulisch. Ik had in paniek kunnen schieten, half zwetend kunnen bezwijken aan het vertellen van een leugen om de dochter van speciaal te houden. Maar dan zou deze nietszeggende stagiair via zijn broze netwerk in het boekenvak al snel zijn mond opentrekken. Nee, dit moest anders. Ik nam een slok van de zure wijn en keek hem aan. "Het zou wat zijn hè als ik dat hier zo zou vertellen op een woensdagavond!" Hij keek verwonderd. “Ja daar rekende ik eigenlijk wel op”. Enigszins beteuterd staarde hij naar zijn kapot geslagen bier. “Kijk, als ik ga zeggen van wie ik de dochter ben, dan is de jeu er toch wel een beetje af he?” Maar hij liet me twijfelen. Wie is de dochter van?

Maar hij liet me twijfelen. Wie is de dochter van?

Ik weet nog dat ik daar stond. Hij kwam me altijd ophalen van het station als ik in Groningen moest zijn. Zijn blik treft de mijne, hij weet nog niet wat er over 5 minuten gaat gebeuren. Ik geef hem een zoen, en denk aan hoe ik de hele nacht heb wakker gelegen om de volgende ochtend standvastig in de trein te stappen. In plaats van te vragen hoe het met hem is zeg ik hem dat ik het niet meer zie zitten. Hij krijgt tranen in zijn ogen. Logisch ook, na 4 jaar.  Ik fiets weg.  Als ik later die middag bij hem op bed lig, en ik eigenlijk woorden zou moeten zoeken om uit te leggen waarom ik het niet meer kan, kan ik eigenlijk alleen maar denken aan hoe ik straks moet fietsen naar het station nu de Peizerweg is afgesloten.

Niet nadenken, maar doen en niet meer op terugkomen. Dat is de dochter van.

Of ik nog een wijntje wil. De stagiair pakt zijn Eastpak-portemonnee. Zo eentje had ik vroeger ook. Vroeger. Toen ik een jaar of 16 was. Toen zat ik in de vijfde klas van de havo. Het is dus wat mij betreft wel weer genoeg geweest. Ik geef de jongen een hand en mijn kaartje, voor zijn broze netwerk. En vrij onder invloed van de zure wijn stap ik de kroeg uit. Amsterdam danst, ze leeft om mij heen. Ik sta stil en doe mijn ogen dicht. De dochter van, staat hier zomaar in het wild, midden op het Rokin.

En niemand weet wie ze is. Dit kon ik in Groningen niet. In Groningen wisten ze precies wie ik was, wat ik kon, wat ik deed. Op iedere hoek van de straat kwam ik wel iemand tegen die mij kende. En als je zelf niet meer weet wie je bent maar de mensen om je heen wel, dan is dat een teken om te gaan. En ik ging. En ik sta nu hier, met mijn ogen dicht. Op het Rokin, een van de lelijkste plekken van Amsterdam.

Ik stond hier een tijdje geleden ook al, maar dan als mijzelf. In het bijzijn van zogenaamde grote schrijvers. Ze dronken allemaal witte wijn. Eigenlijk had ik naar huis moeten gaan, ik paste er absoluut niet tussen. Niemand had een echte baan, allen leven ze van een beurs, hun uitgeverij of hun wanhopige ouders, die hopen dat hun 'getalenteerde' kinderen toch echt eens gaan doorbreken. Maar ik was gecharmeerd en bleef, en ik bleef stug bier drinken. Ik bleef nog langer, en opeens stond ik zo half in de miezerregen te zoenen met zo'n literaire belofte. Iemand die ons zo van een afstandje stond te bekijken, riep: potverdorie! De dochter van zoent met die Marokkaan! Wij lachten, hij signeerde zijn boek voor me en ik liep naar mijn nachtbus.

Onderweg naar de nachtbus, in de avondwinkel, vraagt de vrouw achter de kassa of ik weet hoe de pijnstillers werken. Ik knik, maar kan het me haast niet voorstellen dat er mensen die het niet weten. Je plopt een wit of roze pilletje uit de strip, neemt een slok water en slikt de smartie door. Kijk, wat ze beter kunnen vragen is of de klant weet wat de gevolgen zijn van het vaak slikken van zo’n smartie. Maar daar denkt ze allang niet meer over na. Ze scant de artikelen; “Meid, je ziet er ook echt uit alsof je hoofdpijn hebt.” Ik kijk verbaasd op. Sinds wanneer zie ik eruit alsof ik hoofdpijn heb? Het was helemaal niet voor nu. Maar ik had al zo’n voorgevoel, dat wanneer morgen mijn wekker zou gaan, mijn hoofd het daar niet echt mee eens zou zijn. Evenmin als dat ze het er niet mee eens is dat ik morgen wéér van die zure wijn zou gaan drinken.

Vooral de manier waarop je afscheid moet nemen is voor mij ondraaglijk. Zo ongemakkelijk.

Maar toch ging ik. Ik heb met haar afgesproken, in een deel van de stad dat ik eigenlijk nog maar slecht ken. Ik wil het wel leren kennen, maar nooit echt de drang gehad om er zelf op uit te gaan. En nu heb ik een goed excuus. De reden voor onze afspraak is vrij onbelangrijk. Het is meer een excuus om bier te drinken en sigaretten te roken, of om elkaar op de hoogte te brengen van de roddels uit ons vak. Het was een gewoonte geworden, om op de vrijdagmiddag een kroeg uit te zoeken om het op een zuipen te zetten.

Doorweekt stap ik de kroeg binnen, ze is er nog niet, ik sms haar dat ik al binnen zit. Ik heb een hekel aan bellen. Dat is zo’n directe manier van communiceren, en vooral de manier waarop je afscheid moet nemen is voor mij ondraaglijk. Zo ongemakkelijk.

Ik kijk in het schermpje van mijn telefoon, de mascara hangt op mijn wangen. Ik spuug zachtjes op een servetje dat nog van de vorige klanten is, en trek het langs mijn ogen. De laatste keer dat ik haar zag was op een boekpresentatie, waar het op z’n zachtst gezegd nogal saai was.  Ik vind eigenlijk iedereen uit het vak nogal saai, nogal braaf. Het enige waar iedereen goed in is, is zuipen en roken. En vooral, het opscheppen over zichzelf. Daarom pas ik er denk ik ook zo goed tussen.

Ze is te laat; ik bestel een biertje en scrol nog wat door mijn berichten: Waarom was je vanochtend opeens weg? Ik snap niet waarom we dit niet gewoon kunnen doen. Kun je iets van je laten horen?

“Ja sorry ik ben dus altijd te laat”. Ze ziet er echt uit als een verzopen kat. Ze flikkert haar tas op de grond en bestelt een biertje. “Kut dat je hier binnen niet mag roken, zullen we  op het terras gaan zitten?” Ik knik. Ik ben nogal overrompeld door haar directheid. Niet dat ik daar iets op tegen heb, maar er zijn uitersten, en dit komt echt wel in de buurt van een vorm van directheid die ik niet echt trek.

Ik had dat vroeger al. Dat bepaalde karaktereigenschappen gigantisch op mijn zenuwen werken. Vooral wanneer het eigenschappen zijn die ik eigenlijk mezelf wil toe-eigenen maar gewoonweg te schijterig ben om het te proberen. En dan ga ik mij dus ergeren. Zoals nu; hoe ze té nonchalant een haal neemt van haar sigaret, speelt met de ringen om haar vingers, haar biertje laat walsen in het glas. Ik trek het niet, het is alsof ik naar een goedkoop aftreksel van mezelf kijk.

De regen tikt op de parasol boven ons. Geen ritme te bekennen. De druppels vallen onregelmatig op het steeds natter wordende doek. De druppels die niet meer worden opgenomen in de stof, rollen naar de zijkant, waardoor de parasol naar voren helt. Ze vertelt een verhaal over een ontslagen redacteur wegens een uit de hand gelopen relatie met een auteur. Ik hou wijs mijn mond, die auteurs van tegenwoordig, die zijn ook goddomme lastig soms. Ik kijk de straat in. Opeens ziet Amsterdam er wel vrij troosteloos uit zo in de stromende regen. Het is minder idyllisch dan ik mij voorstelde, toen ik nog naar Acda en de Munnik luisterde en droomde over rokende minnaars op het dak van een huis in de Eerste Helmersstraat beneden.

De regen tikt op de parasol boven ons. Geen ritme te bekennen.

Het was niet alsof ik al jaren geleden had bedacht dat het een goed idee zou zijn om het literaire vak even binnen te stormen. En nou heb ik dat ook niet echt gedaan. Het was eigenlijk noodgedwongen. Ze lacht naar me. “Wist je al dat Thomas me gevraagd heeft om je nummer? Hij zoekt een goede redacteur.” Ik reageer verbaasd. “Ja, waarom hij jou wil hebben snapte ik ook al niet, jij doet toch alleen maar non-fictie?” Ze klinkt kattig. Het zal wel liggen aan de hoeveelheid sigaretten die ze de afgelopen 30 minuten als een trekkende schoorsteen oprookte. En dan in combinatie met dat lauwe bier dat ze hier schenken. “Maar het geeft ook niet hoor, hij past toch niet in ons fonds. Wil jij nog een biertje schat? Dan haal ik er nog even eentje, kan ik direct even Susan dag zeggen, die zag ik net al zwaaien.”

Ik denk terug aan hoe ik vanochtend in zijn armen lag. Dat nummer was al helemaal niet meer nodig. We hadden elkaar ontmoet in een kroeg, hier ergens in de stad. En toen de halve avond in de regen staan zoenen.

Ik kijk de straat in, Amsterdam danst om me heen en ik doe mijn ogen dicht.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven