Flickr / woordenaar

De dood van het boek

Op maandag 26 maart 2012 waren Maurice de Hond en Lodewijk Asscher te gast in het praatprogramma De Wereld Draait Door.  Aanleiding voor hun bezoek was het initiatief van ’s lands meest invloedrijke opiniepeiler om een ‘Steve Jobs-basisschool’ in Amsterdam op te richten. De Hond wil vanaf augustus 2013 een basisschool openen waar het onderwijs ‘niet meer op het verleden is gericht, maar op de toekomst’. Door Jobs’ fameuze iPad  een centrale plaats te geven in het onderwijs komt er meer mogelijkheid voor het kind om op vele manieren met talent om te gaan’. Dit particuliere initiatief kreeg in de persoon van Asscher enthousiaste politieke bijval. De ‘Steve Jobs-school’ moet er op gericht zijn om iedereen de kans te geven ‘zich voor te bereiden op de toekomst’.

In dit tien minuten durende dubbelbetoog van de twee Apple-adepten klonk een tweetal bredere problemen door die uitgelicht dienen te worden. Ten eerste de spanning tussen kennis en vaardigheden in het Nederlandse onderwijs en de politieke en maatschappelijke opvattingen hierover. Ten tweede de omarming van technologie en de symptomen daarvan. Deze twee problemen, zo hoop ik aan de hand van de utopie van Asscher en De Hond te kunnen aantonen, zijn zeer nauw met elkaar verbonden.

‘Ik kan het toch gewoon opzoeken?’ is een veel gehoord vervolg van een leerling die zijn antwoord niet klaar heeft.

Sinds jaar en dag wordt in Nederland gepronkt met het begrip ‘kenniseconomie’. Regeringspartijen gebruiken de term om hun trots en toewijding aan het Nederlandse onderwijs te benadrukken, terwijl leden van de oppositie, ontevreden docenten en boze studenten het begrip kapen om beleidsmakers erop te wijzen dat ze het onderwijs juist een kaalslag toebrengen. De aflevering van De Wereld Draait Door bewijst eens te meer dat het in brede kringen gebruikte stokpaardje beter vervangen kan worden door ‘vaardighedeneconomie’. Sander Colin, een zeer gewaardeerde vriend en werkzaam als docent Burgerschap aan ROC’s in Utrecht en Nieuwegein, wees mij er na de bewuste uitzending op hoe het volgens hem gesteld is met het huidige  Nederlandse kennisideaal. Hem viel niet alleen het gebrek aan parate kennis onder zijn leerlingen op, maar tevens het wat cynische besef van dit gebrek. ‘Ik kan het toch gewoon opzoeken?’ is een veel gehoord vervolg van een leerling die zijn antwoord niet klaar heeft.

Ervaring van ondergetekende leert dat dit verschijnsel zich niet beperkt tot het middelbaar onderwijs. Ook onder universitaire studenten is een dergelijke houding wijdverspreid. In België en Duitsland zijn de studenten, om met de historicus Thomas von der Dunk te spreken, begiftigd met meer kennis en vooral bescheidenheid dan in Nederland. Von der Dunk probeert dit verschil historisch te duiden. Nederland is van oudsher een handelsnatie, waarin contact met mensen belangrijker was dan kennis en Bildungsbürgertum (wat in industrielanden als Duitsland en België dan weer vereist was). Ik werd mij pas daadwerkelijk bewust van deze habitus van de Nederlandse student door mijn verblijf aan de Staatsuniversiteit van Moskou. Eerste- en tweedejaarsstudenten hadden daar informatie paraat over binnen- en buitenlandse geschiedenis, literatuur en politiek waar menig Nederlandse masterstudent jaloers op zou zijn.

Von der Dunks historische analyse alleen volstaat niet in om te verklaren waarom het gros van de eerstejaarsstudenten denkt dat Barcelona de hoofdstad van Spanje is of worsteld met –d en –t bij de vervoeging van werkwoorden. De verklaring hiervoor moet tevens gezocht worden in de toenemende voorkeur die beleidsmakers en mensen als De Hond geven voor vaardigheden boven kennis. Het pleidooi van De Hond bevestigt eens te meer een trend die onze generatie (mensen van rond de 25 jaar) van dicht bij heeft zien ontstaan. Geleidelijk hebben vaardigheden in het middelbaar onderwijs volledig de overhand gekregen boven kennis. Het gaat er niet om wat je weet, maar hoe je tot kennis kan komen. Ik hoor het mijn aardrijkskundeleraar in de tweede klas nog zeggen: ‘het gaat er niet om dat je weet wat de hoofdstad van een land is, maar dat je weet hoe dit in een atlas opgezocht moet worden.’ Tijdens een stage op de middelbare school in 2008 (als geschiedenisdocent) was dit ‘in een atlas opzoeken’ al vervangen door ‘met twee muisklikken op internet vinden’. Ook in de door PowerPoint gedomineerde collegezalen is wat dit betreft een trend waarneembaar. Vaardigheden (al helemaal in combinatie met technologische innovatie) zouden er in het onderwijs primair op gericht moeten zijn om leerlingen makkelijker tot kennis te laten komen, maar zijn de afgelopen decennia geleidelijk aan tot een doel op zich geworden. Dit verklaart de relatieve luiheid van Nederlanders (studenten allerminst uitgezonderd) ten opzichte van kennis.

Symptoom van deze kennisdevaluatie is de teloorgang van het boek, misschien wel het grootste slachtoffer van de eenentwintigste eeuw. Rond een boek zijn immers weinig interessante elektronische of interactieve vaardigheden te trainen. Bovendien is kennis uit boeken niet democratisch, maar opgelegd. Ik heb de voor- en nadelen van een dergelijke benadering mogen afwegen tijdens mijn stage, waar werd gewerkt met dossiers in plaats van met boeken. Mijn leerlingen konden veel, maar wisten eigenlijk niets daadwerkelijk te duiden. Een dergelijke insteek in het middelbaar onderwijs heeft onvermijdelijk zijn uitwerking op het niveau van universitaire studenten en hun waardering van parate kennis. We hoeven niet terug naar de door Karel van het Reve geuite treurnis dat haast niemand de basisschool verlaat met een bovengemiddelde kennis van het Frans, maar  Asscher en De Hond maken ons duidelijk dat het indelen van onderwijs nog altijd een kwestie van keuzes is.[1]

Met De Hond’s ‘Steve Jobs-school’ bereikt deze ontwikkeling een nieuwe dimensie. Dit soort onderwijs schiet namelijk aan een aantal fundamentele taken voorbij die nu nog (al zij het in afnemende mate) aanwezig zijn in de klas. Ten eerste dient een kind op school te leren omgaan met andere kinderen. Hoewel het woord social een gevleugelde term is geworden onder smartphone- en internetgebruikers, heeft deze vorm van interactie niets van doen met daadwerkelijke ervaringen van menselijke sociale omgang. Het te ver doorgeslagen individualisme zal in De Honds Apple-utopie allerminst teruggedrongen worden. Hierop aansluitend zal de rol van de leraar devalueren. Hoewel Asscher stellig volhoudt dat dit niet kan en mag gebeuren, verdwijnt de leraar in een digitale school inherent steeds meer uit de leefwereld van de leerling.

Los van de materiële ontoegankelijkheid van De Hond’s school (wie gaat de iPads voor Asschers achtergestelde Amsterdammertjes bekostigen?) lijkt een dergelijk systeem bovendien vooral gericht te zijn op getalenteerde leerlingen (iets wat De Hond impliciet benadrukt en Asscher meent te kunnen omzeilen). De leraar kan leerachterstand bij leerlingen nu nog corrigeren op basis van zijn autoriteit op het gebied van kennis. Omdat het scherm de rol van opvoeder overneemt, creëert een leerling door het interactieve karakter van informatie-uitwisseling veel meer zijn eigen waarheden. Hoewel apps rekenen en taalverwerving voor een achterlopende basisschool-ganger wellicht nog begrijpelijker kunnen maken, wordt hem met de paplepel ingegoten dat de computer in de eerste plaats vertelt hoe de wereld in elkaar steekt. Dit is voor gammavakken onwenselijk en kan op latere leeftijd bovendien leiden tot een nog grotere devaluatie van het kennisideaal en een massaal gebrek aan sociale samenhang.

Dit soort onderwijs schiet namelijk aan een aantal fundamentele taken voorbij die nu nog (al zij het in afnemende mate) aanwezig zijn in de klas.

Er zijn twee redenen voor de romantische toon in dit betoog. De Hond maakt zich zorgen over het feit dat het gros van de Nederlanders niet met tien vingers kan typen, terwijl de Nederlandse taal aan een serieuze teloorgang bezig is. De handigheid waarmee jongeren hun computers bedienen en de groeiende moeite die zij hebben met bijvoorbeeld werkwoordvervoeging geeft ons een mooi inzicht in De Hond’s toekomstdroom. De Hond’s ‘we ontkomen er niet aan mee te gaan met de tijd’ is een veel gehoorde maar deterministische  kreet. De voortschrijding van multinationals als Apple vindt misschien op een abstract niveau en moeilijk te beteugelen tempo plaats, maar het komt juist door de massale en haast fanatieke omarming van technologie (vooral door publieke figuren als De Hond en Asscher) dat een schijnwerkelijkheid van aan- of afhaken wordt gecreëerd. Welvaart en de kritiekloze wijze waarop Nederlanders in dit soort retoriek geloven doen de rest. Zowel in de maatschappij als in de politiek wordt hierdoor nog wel eens vergeten dat de omarming van dit soort technologie in het onderwijs (ten koste van een op kennis gegronde manier van lesgeven) nog altijd een keuze is. Ten tweede zou, vanwege het tempo waarin technologische vooruitgang en degelijke retoriek elkaar naar een maniakaal niveau stuwen, een terugkeer naar de basis van het onderwijs, namelijk kennis en sociale vorming, wellicht voor bezinning en ontnuchtering kunnen zorgen.

Iedere schrijf- of stijlfout van ondergetekende moet buiten de schuld van deze vertegenwoordiger van de ‘netwerk-generatie’ gezocht worden. Zo is hij nu eenmaal onderwezen, en als iets fout is, dan zoek ik het toch gewoon op?


[1] Karel van het Reve, De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen (Amsterdam 1987).

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven