Flickr / e-MagineArt.com

De farmapropaganda

Precies een week geleden verscheen het nieuwe handboek van de psychiatrie, DSM-5. Dat was even schrikken, want het handboek en zijn verslindende definities werden al maanden onheilspellend aangekondigd. Diezelfde dag, afgelopen woensdag, verscheen van mijn hand ook een stuk, waarin ik vertelde over de irrationele angst voor definities, onze gemakkelijke gang naar de psychiater en het boek van Allen Frances. Frances voerde hoogstpersoonlijk de internationale psychiatriediscussie aan met een verhaal over zichzelf; een insider. Hij stelde namelijk de DSM-IV samen, hij was verantwoordelijk voor een aantal wijzigingen die ‘Big Pharma’ zouden hebben misbruikt, en hij had daar nu spijt van – vooral bij bipolaire stoornis, autisme en ADHD.

Binnen dat laatste hokje viel ik. Dat was in 1998, de DSM-IV was toen een paar jaar uit. Ik was zes, 'bedoelde het zó goed', maar dreef mijn basisschool tot wanhoop. Op de suggestie van psychofarmaca – 'pilletjes' – hadden mijn ouders bedenkelijk gereageerd, maar eenmaal bij de dokter was de diagnose snel gesteld. Farmacologische discipline bracht rust in het montessoriklasje en waarborgde mijn plek. Inmiddels gebruik ik zo’n veertien jaar stimulerende middelen, ik studeer hard en loop keurig in de pas – mijn amfetaminepilletjes vrolijk ratelend bij iedere stap die ik zet.

De omgeving verkrijgt een soort sociale toverstaf om mensen ‘begripvol’ af te keuren, verantwoordelijkheid af te schuiven en afwijkend gedrag te normaliseren – 'een plekje te geven'.

Sinds mijn eerste pilletje is het aantal gebruikers ruim verviervoudigd – vorig jaar steeg het nog met 14%. Ook voor diagnoses zonder wonderpil stappen ouders steeds sneller naar de psychiater in de overtuiging dat hun kind niet een probleem maar een patiënt is. En niet alleen zij: van jong tot oud en met een groot palet problemen zoekt de burger behandeling. Ze belanden veelal in trajecten, waar het aan de behandelaar is te diagnosticeren, mits in belang van de patiënt. Dat is meestal zo (en sinds de kroning van patiënt tot klant ook in dat van de behandelaar). De sector groeit: stigma’s druipen af, de kinderpsychiatrie wordt volwassen en grote GGZ-instellingen dwepen over torenhoge klanttevredenheid – er lijkt geen vuiltje aan de lucht.

Gek genoeg is het grootste probleem van het huidige systeem – de medicalisering en standaardisering van ‘afwijkende’ gedragingen en gedachten – misschien wel dat het zo goed werkt. Te goed, eigenlijk. Soms is dat het middel: peppillen, kalmeringsmiddelen en slaappillen werken allemaal verleidelijk goed zonder ook maar één gedachte aan de bron van onrust. Maar voor de meeste patiënten is er helemaal geen wonderpil; er is geen quick fix, voor hen werkt vooral de diagnose.

Deze levert de omgeving – leraren, familie, justitie – een soort sociale toverstaf om mensen ‘begripvol’ af te keuren, verantwoordelijkheid af te schuiven en afwijkend gedrag te normaliseren – 'een plekje te geven'. Maar minstens zo belangrijk voorziet het de patiënt met de illusie ‘echt iets te hebben’. Het verandert problemen tot een stofje in het brein, wat losse draadjes – onpersoonlijk; wetenschappelijk; clean.

De afgelopen twintig jaar bracht een nieuwe groep patiënten steeds lichtere problematiek, vaak van tijdelijke aard, onder bij het psychiatrisch regime. Tussen 2000 en 2010 verdubbelden de kosten ruimschoots en groeide de GGZ tot een enorm sociaal apparaat, en een zorgelijke kostenpost. Om grip op deze kosten te krijgen heeft de overheid diagnoses verder gestandaardiseerd: behandelaren wettelijk gedwongen een DSM-diagnose te stellen, waarvan alleen ernstige worden vergoed. Die verplichting verschoof uiteraard grensgevallen, maar belangrijker de functie van diagnose: van ontkenning naar erkenning. Je probleem is pas echt als de DSM het zegt.

Het probleem van de psychiatrie kent – zoals wel meer psychiatrische problemen – een zelf-versterkend karakter. Een vicieuze cirkel, van toegenomen maatschappelijke vraag die bestuurlijk tot een sterkere hang naar standaardisatie leidt, en overheidssteun beperkt tot ernstige gevallen – zie toch: de wanhopige poging tot controle. Deze dwangmatige hang naar standaarden brengt, uit angst voor miskenning en onderbehandeling, bij de psychiatrie juist een verruiming van de standaarden teweeg, en een verschuiving van grenspatiënten. Die dynamiek, die ongetwijfeld enthousiast wordt aangewakkerd de industrie, maakt dat het vak uitdijt en doordraait. De psychiatrie is manisch geworden; overrompeld door zijn eigen succes. De DSM-5 en ook de ophef is geen oorzaak maar een symptoom van deze gekte. De vraag is: waar blijft de interventie?

Zomaar wat cijfers op een rij: afgelopen jaar had 23% van de Nederlanders, technisch gezien, een ‘stoornis’; gedurende het leven 41%. 15% van de Amerikaanse jongens heeft ADHD; 200.000 mensen gebruiken peppillen; ruim 900.000 antidepressiva. Zijn al deze mensen ziek? Ik vermoed van niet. Is zulk medicijngebruik strikt noodzakelijk? Dat denk ik niet. In college hoor ik dat antidepressiva bij het grootste deel van 'patiënten' niets dan een placebo is. Maar mag je mensen uit besparing hun illusie ontnemen? Ik zou zeggen van niet. En als zo'n pil gevaarlijk is?

De dwangmatige hang naar standaarden brengt bij de psychiatrie juist een verruiming van de standaarden en een verschuiving van grenspatiënten teweeg.

De echte problemen van de psychiatrie zijn geen definitiekwesties – verre van. Het zijn gigantische sociale vraagstukken; geen hersenscan heeft hier het antwoord op.

Fundamenteel aan de werkzaamheid van de behandeling als de propaganda van de industrie ligt het verlangen dat een minderwaardigheidscomplex op één lijn staat met een voetbalknie. Deze wens wordt nu structureel verkeerd gekanaliseerd en het huidige geliberaliseerde systeem met alleen de plicht tot diagnose kent nauwelijks zelfcorrectie.

Een eerste stap zou kunnen zijn om de sociale voorzieningen en dossiers niet langer gedwongen aan DSM-diagnoses te koppelen. Het is een illusie dat je met zo’n maatregel echt grip op de GGZ zou krijgen en de sociale implicaties van ondoorzichtige beslissingen van APA zijn veel te groot. Een tweede lijkt me een structurele overdenking van de hele GGZ. Te veel mensen komen via grote trajecten voor ‘normale’ problemen in medische programma’s terecht en gebruiken pillen waarvan we te weinig weten.

Het is toch jammer dat er nu maanden over DSM is gediscussieerd zonder ook maar één structureel gesprek over de psychiatrie. Het beticht de industrie, de weinig zelfredzame burger of de niet reflexieve psychiater. Uiteindelijk is hun eerste zorg er te zijn voor de patiënt klant: “Specialistisch • Optimistisch • Toegankelijk.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven