Wikipedia / Ad Meskens

De Fossiele Kern

Een groene economie is al lange tijd geen kwestie meer van intenties. Wereldwijde instituties die nu niet bepaald de naam hebben progressief te zijn, zoals de OESO, het IMF en het Internationaal Energieagentschap, hameren in ieder rapport, in ieder speech op hetzelfde punt: we moeten als de wiedeweerga duurzamer energie opwekken. Want klimaatverandering is echt, en een echt probleem – vergroening is misschien het enige wat we eraan aan kunnen doen. Op de man af gevraagd is iedereen voor vergroening en duurzaamheid.

Uit onderzoek dat ik met drie collega’s verrichtte voor De Groene Amsterdammer, blijkt dat de Nederlandse overheid al minstens tien jaar allerhande regelingen en beleidsmaatregelen - met de bijbehorende subsidiepotten -  treft om Nederland op de één of andere manier groen te maken. En toch lukt het niet. Ministers, staatssecretarissen én CEO’s van belangrijke bedrijven worstelen met diep ingesleten structuren en gewoontes. Ze lijken zich niet te kunnen ontdoen van de ‘fossiele economie’.

Dat is niet zo vreemd. De fossiele economie is namelijk niet ‘een vorm onder velen’ die een economie kan aannemen. Fossiele brandstoffen liggen in het hart van de moderne economie en fossiele brandstoffen bepalen – ondanks alle groene intenties – nog steeds in hoge mate de manier waarop politici, ambtenaren en directeuren handelen en denken.

De hindernissen die genomen moeten worden om de economie te vergroenen hebben weinig van doen met intenties, weinig van doen met ‘een voorliefde’ voor fossiel, maar alles van doen met de centrale logica die in de huidige, fossiele economie gelegen is.

In Nederland – maar ook in duurzaam gidsland Duitsland – trachten politici en bedrijfsleven de vergroening allereerst tot stand te brengen op de plekken waar dat het minste pijn doet. Liever eerst bij de burgers een zonnepaneel op het dak, dan dat we de energie-intensieve industrie belasten met de kosten van duurzame energie. Want let wel: duurzame energie is nog altijd duurder dan fossiel. Zon en wind zijn gratis, maar de investeringen voor zonnepanelen en windparken zijn zo hoog, dat het maar moeizaam kan concurreren met bijvoorbeeld goedkope steenkool.

Regeringen en bedrijven vergroenen alleen 'aan de rand' van de economie.

Het is niet vreemd dat regeringen en het bedrijfsleven vergroenen ‘aan de rand’ van de economie, daar waar er in de marges gesleuteld kan worden, en niet in de kern. Dat komt neer op het toevoegen van windmolenparken, het bijbouwen van zonnepanelen, het bijmengen van biogas uit koeienmest of het bijstoken met restwarmte uit vers gemolken koemelk (dat gebeurt!). De vraag is alleen: tot welk punt kan je de economie groen verven, en vanaf welk punt kan de economie niet meer bijgestuurd worden in de marge, maar moet de hele economie grondig verbouwd worden? Hoe moeten we dan de onderliggende structuren en de onderliggende logica van onze huidige economie zelf verduurzamen? Hoe vergroent en verandert de kern?

De kern van de fossiele economie wordt bepaald door een paar simpele parameters. De eerste luidt: hoe meer onmiddellijke toegang tot energie een land heeft, hoe rijker het land, hoe beter de economie draait, hoe machtiger de regering. Het is een bekend kenmerk van ontwikkelingslanden dat de stroom er regelmatig uitvalt door weinig en sporadisch beschikbare energie. De flikkerende gloeilampen zijn een teken van armoede. De tweede parameter is dat elektriciteit niet in voldoende mate op te slaan is.[i] Geen accu is groot genoeg om een woonwijk, laat staan een fabriek op te laten draaien. Dit is een centrale spanning: je wil heel veel beschikbare energie, maar je kan energie niet opslaan. De adembenemende schoonheid van fossiele brandstoffen is dat ze deze spanning oplossen.

In plaats van een enorme batterij, kan je een enorme stapel steenkool hebben liggen. In plaats van een reusachtige accu, heb je een gasbel of een olieplas. Daarin ligt de garantie dat de lichtjes in de huizen van Nederland blijven branden, dat de computer aan gaat wanneer je wilt, kortom: dat de spreekwoordelijke bakker z’n brood kan bakken.

De twee energieparameters van de moderne economie (zo veel mogelijk energie, die je, helaas, niet op kan slaan) jagen staten voort in hun zoektocht naar, verliefdheid op en verslaving aan fossiel. Vanaf Churchills beslissing om tijdens de Eerste Wereldoorlog de Britse vloot te laten overstappen van het Britse steenkool op aardolie uit de koloniën (over een energietransitie gesproken) tot de beslissing van de Mexicaanse regering om de oliewinning, raffinage en verkoop te moderniseren: fossiel is de drijfveer. Steenkool en aardgas zijn in feite een soort pre-batterijen. Waar je in batterijen elektriciteit opslaat nadat het is opgewekt, is in steenkool en aardgas energie opgeslagen voordat het is opgewekt. Daarmee vertel ik uiteraard niets nieuws. Maar deze simpele waarheden leiden tot een even simpele, maar dwingende logica: meer brandstof is meer macht. Zorg dat je zoveel mogelijk stapels, bellen en plassen brandstof hebt liggen, dat geeft je zekerheid, onafhankelijkheid en welvaart.

In het verleden zijn keuzes over de energiehuishouding altijd genomen door staten. Energie is macht. Het was de Nederlandse staat die aan het begin van de jaren 60 besloot om de kolenmijnen in Limburg te sluiten en heel Nederland aan te sluiten op het Groningergas. Waarom kan de staat niet nu besluiten om heel Nederland van gas en kolen af te halen en de boel te laten draaien op windmolens, zonnepanelen en biobrandstof?

Dat is omdat de Nederlandse regering de energiewereld niet meer zelf in handen heeft. Tien jaar geleden is onze energiemarkt geliberaliseerd, en geleidelijk geprivatiseerd. Net als de liberalisering in de telecom en de spoorwegen ging het hier om efficiëntie: elkaar beconcurrerende spelers leveren goedkopere stroom dan kleine energiecentrales in handen van nutsbedrijven met gemeentes en provincies als aandeelhouder. De nutsbedrijven werden verkocht, de overheid deed een stap terug en de Nederlandse markt werd overspoeld door grote buitenlandse energiebedrijven. Plotseling staan de hoofdkantoren die beslissen over de kolencentrales van Nederland in Düsseldorf en Parijs. Het was een energietransitie in z’n eigen soort, niet een transitie van energiebronnen, maar een transitie van spelers. Het stof op de Nederlandse en Europese energiemarkt is nog niet neergedwarreld. Veel is nog onzeker. Wie mag er beslissen over wie?

In feite vond de energiehervorming plaats vanuit de oude, fossiele logica.

In feite vond die  hervorming plaats vanuit de oude, fossiele logica: er moest zo gemakkelijk (goedkoop) mogelijk toegang komen tot zoveel mogelijk (betrouwbare) energie. En goedkope stroom kregen we. In no time werden er drie state of the art kolencentrales – behorend tot de grootste in Europa – neergezet in ons Hollands landschap.

Hoe zorgen we dat bij volgende hervormingen van de energiemarkt niet dezelfde keuzes worden gemaakt in het nadeel van duurzaam? Hoe sturen we de economie weg van de logische, diep ingesleten patronen die leiden tot steenkool, aardgas en olie? Wie hoopt op een groene economie, zal vooral moeten inzetten op het veranderen van ingesleten patronen en manieren van denken. We moeten, om klimaatcatastrofes af te wenden, helemaal anders over onze economische en politieke structuren gaan denken. Dat is moeilijk en dat duurt lang. Dus vergeet tussen al dat denkwerk door niet een rubberboot aan te schaffen en op uw dak te leggen.

Dit artikel verscheen eerder in uitgebreide vorm in tijdschrift De Helling

Voor ons onderzoek naar de hervorming van de energiemarkt zie: http://www.groene.nl/pagina/energie-en-klimaat

Voor wekelijkse updates over thema’s rond energie en klimaat zie: https://decorrespondent.nl/deenergiegroep

 


[i] Voor dit artikel versta ik onder “energie” voornamelijk “elektriciteit”, hoewel energie onder andere ook kan verwijzen naar warmte.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven