Wikimedia Commons / Compilatie

De geest van Bok de Korver

Stel je voor: de perfecte sportwedstrijd. Een golftoernooi waarin iedereen op alle banen een hole in one slaat. Een marathon waarin alle deelnemers binnen de twee uur tegelijk finishen. Een voetbalwedstrijd waarin twee teams ieder om beurten perfecte aanval en perfecte verdediging voeren, zonder dat er één fout wordt gemaakt – een 90 minuten lang touwtrekken dat eindigt in 0-0.

Saai? Dat klopt. De reden dat we sport spannend vinden is de onvoorspelbaarheid, de strijd van menselijke zwakte tegen natuurlijke overmacht, tegen de elementen, tegen het toeval. Met een wedstrijd meeleven betekent hopen dat de underdog iedereen verrast door zich uit het peloton los te maken, hopen dat de stuntelige publieksfavoriet het wint van de gevestigde kampioen, hopen dat een elftal dat als een natte krant speelt in de laatste 10 minuten plots drie keer scoort. Alle sportfilms, van Rocky tot Space Jam, drijven op deze onvoorspelbaarheid, deze spanning tussen verwachting en werkelijkheid.

Op de Olympische Spelen in Sotsji blijkt dat de perfecte sportwedstrijd niet ver weg is. Schaatsers winnen of verliezen afhankelijk van de aerodynamica van hun schaatspak of van de luchtdruk in het stadion – vorige week op de 500 meter mannen was met het blote oog niet te onderscheiden wie er eerder binnen was; en Koen Verweij verloor dit weekend op de 1500 meter met 0,003 seconden verschil het goud.

Moderne sport staat vaak even ver af van romantiek als sadistische orgieën van erotiek.

Om deze perfectie te bereiken wordt er in veel landen een klasse gekweekt van topsporters die zich kunnen veroorloven hun hele leven in dienst te stellen van kampioensprestaties. Daarnaast is er een klasse wetenschappers en specialisten die alle details van iedere wedstrijd bijhoudt. Die optimale trainingsschema’s en sportpakken ontwerpt en toezicht houdt op het eten, slapen en seksleven van sporters. Alleen door deze twee klassen flink te financieren kan een land deelnemen aan de wapenwedloop van moderne sport. Het is de enige manier om het felbegeerde Olympisch goud binnen te halen, wat goed is voor het prestige, de eigenwaarde en het saamhorigheidsgevoel van een land.

Maar door deze specialisering is ook de romantiek van de sport soms ver te zoeken. Wat de simpele toeschouwers zien is niet een krachtmeting tussen twee menselijke lichamen waarin alleen oerkracht, talent of uithoudingsvermogen de doorslag kunnen geven. Het is een strijd tussen speciaal getrainde elitetroepen, een confrontatie tussen verschillende trainingsschema’s, zelfs bijna een vergelijking tussen speciaal geprogrammeerde wedstrijdrobots. Hoe kan een toeschouwer die niet zijn hele leven in het teken van sport heeft gezet zich identificeren met deze sportmachines? Hoe kunnen we nog meeleven met dit strak gestroomlijnde spektakel van bovenmenselijke kracht?

Op de Olympische Spelen blijkt dat we nog wel in staat zijn om mee te leven. De specialisering heeft zijn grenzen nog niet bereikt. Bovendien zijn nog lang niet alle sporten er zo aan toe. De Tour de France bijvoorbeeld blijft ondanks een decennium van dopingschandalen een fascinerend evenement: een stoet fietsers die wekenlang bedekt door zweet, modder en stof het dagelijks leven van slaperige dorpjes komt wakker schudden. Ook in de meeste teamsporten spelen toeval en tegenslag nog een dermate grote rol dat de grote gevestigde namen ten val kunnen komen en kleine teams een kans maken – menselijk, al te menselijk.

Maar van alle atletische evenementen zijn de Olympische Winterspelen het meest vervreemd van de basale alledaagse menselijkheid. Vanaf een speciaal gebouwd Olympisch dorp zonder contact met de bewoonde wereld rijden sporters op speciaal aangelegde snelwegen naar wedstrijden op steriele kunstijsbanen en in artificiële sneeuw. De Winterspelen zijn ook het verst geperfectioneerd: van de vijftien disciplines die in Sotsji op het programma staan is er niet één waarin de deelnemer geen gebruik moet maken van technische hulpmiddelen – schaatsen, ski’s, een bobslee. Dat biedt ruimte om deze hulpmiddelen zo te ontwerpen dat het eigen team er voordeel van heeft. Zelfs in curling, waar alle teams dezelfde stenen en bezems gebruiken, worden prestaties verbeterd door speciaal ontworpen schoenen en broeken.

Bok de Korver had een principe waar wij veel van kunnen leren: hij vond trainingen onsportief.

Deze wapenwedloop van efficiëntie kan de romantiek en poëzie van alle sporten kapotmaken. Niet alleen de Winterspelen, maar alle vormen van sport zullen op den duur lijden aan mechanisering en ontmenselijking. Dit proces is ongeveer een eeuw geleden begonnen. Horkheimer en Adorno klaagden bijvoorbeeld in de jaren ’40 al over efficiëntie in teamspel door het te vergelijken met de orgieën van Markies de Sade:

‘De moderne sportteams, waarvan het samenspel exact geregeld is zodat geen lid ervan over zijn rol enige twijfel koestert en voor ieder een reserve klaarstaat, vinden hun exacte model in de seksuele teams van Juliette, die geen ogenblik onbenut laten, geen lichaamsopening verwaarloosd, geen functie op non-actief.’

Moderne sport staat vaak even ver af van romantiek als sadistische orgieën van erotiek. Is het tij nog wel te keren?

Voor een sprankje hoop moeten we een eeuw terug in de tijd, vòòr het tijdperk van professionele sport. De bijna vergeten voetballegende Bok de Korver (1883-1957, geboren Johannes Marius de Korver) was een van de laatste figuren die de zuivere romantiek van sport belichamen. Hij weigerde mee te doen aan de mechanisering van de sport en had een broertje dood aan coaches, trainers en tactieken. Toen in 1911 een trainer hem opdroeg de hele wedstrijd lang dezelfde tegenstander te volgen, stapte De Korver uit de wedstrijd. Hij vertelde de pers: ‘Ik voetbal, want ik vind voetbal plezierig, ik voetbal niet om een tegenstander een wedstrijd lang te volgen.’

Bok de Korver had bovendien een principe waar wij veel van kunnen leren: hij vond trainingen onsportief. Voordat er zoiets was als ‘betaald voetbal’ was de sport een hobby: alle voetballers hadden een voltijdbaan. Maar niet iedereen had even veel tijd om te trainen; veel trainen was dus een manier om een oneerlijk voordeel boven je tegenstanders te krijgen.

De Olympische Spelen mogen dan als spektakel van diplomatiek en propaganda belangrijk zijn, esthetisch gezien valt er veel te verbeteren. Er zijn in alle domeinen van topsport al strenge regels om oneerlijke concurrentie tegen te gaan: mannen en vrouwen zitten in verschillende competities, spelers worden gecontroleerd op rode bloedcellen, hormoonspiegels en voedingssupplementen. Met een extra regel kan sport zoveel mooier en eerlijker zijn: naast een verbod op doping moet er een verbod op training komen.

Daarmee is de mechanisering en vervreemding van sport in één keer verdwenen: topsporters zijn weer mensen zoals wijzelf, wedstrijden zijn primitieve krachtmetingen en echt talent maakt ook zonder ingewikkelde sportkleren en moordende trainingsschema’s een kans. De geest van Bok de Korver kan de Spelen redden.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven