Wikimedia Commons

De intrinsieke waarde van kennis en critici zonder noodzaak

Het begrip Bildung wordt vaak geassocieerd met het idee dat kennis intrinsieke waarde heeft. Ik weet niet of dit helemaal klopt, maar er zit ten minste een kern van waarheid in. Het idee dat kennis intrinsieke waarde heeft wordt op zijn beurt vaak gebruikt als legitimering voor meer overheidssteun aan universiteiten. ‘Kennis heeft intrinsieke waarde en kan niet in geld uitgedrukt worden.’ In deze onderbouwing wordt meestal geschermd met het begrip Bildung, omdat iedereen hier fijne romantische gevoelens bij heeft. Aan dit begrip ontleent de moderne universiteit haar bestaansrecht en moderne staatsinterventies tasten het ideaal van Bildung aan. De staat moet volgens velen juist zorg dragen voor het behoud van het onderzoek aan de universiteit, omdat dit bij het idee van Bildung hoort. Ik zal hier proberen uit te leggen, waarom dit ten eerste misbruik is van het begrip Bildung en, ten tweede, waarom de verwijzing naar Bildung in veel gevallen uitmondt in een ‘ongezonde’ verhouding tot kennis.

De redenering dat de overheid geld moet investeren omwille van de kennis spreekt het idee van het Bildung in de oorspronkelijke betekenis fundamenteel tegen. Het Bildungsideaal bestond in eerste instantie uit twee basisprincipes: ten eerste de integratie van onderzoek en onderwijs, – iets waarvan de moderne universiteit nog steeds de vruchten plukt – ten tweede de autonomie van het onderzoek aan een universiteit. Dit tweede uitgangspunt was een uiterst liberaal principe. Volgens Wilhelm von Humboldt mocht wetenschappelijk onderzoek op geen enkele manier afhankelijk zijn van de bemoeienis van welke macht dan ook. Dit betekende dus dat het zeker niet afhankelijk mocht zijn van de bemoeienis van de staat. Humboldt was zo radicaal (in die tijd betekende liberaal hetzelfde als radicaal) dat zelfs John Stuart Mill, of all people, een citaat van Humboldt gebruikte als motto voor zijn On liberty. Het is om deze reden vreemd om met het begrip Bildung te schermen op het moment dat je meer overheidssteun wilt. Dit is juist het tegenovergestelde van wat Humboldt beoogde.

Wat ik hier presenteerde was echter wel de meest ‘slanke’ versie van het Bildungsideaal. Het Bildungsideaal behelsde in de praktijk meer dan deze basisprincipes van Von Humboldt. Bildung was een morele training in oordeelskracht met als doel het creëren van ‘dienaren van de staat’: morele staatsburgers. Het is daarom niet vreemd dat Lyotard in La condition postmoderne, Bildung gelijk stelt met nationalisme. Volgens Lyotard voedde Bildung het nationalisme, omdat het burgers motiveerde zich voor hun natie in te zetten. Afgezien van het feit dat Lyotard volledig de plank misslaat, omdat Bildung juist een sterk kosmopolitisch karakter had, laat het wel zien dat het in Bildung niet per se puur om kennis ging. Dit maakt het enigszins problematisch om Bildung te identificeren met het idee dat kennis intrinsieke waarde heeft. Toch is het wel terecht om dit te blijven zeggen, omdat dit een meer indirect gevolg van Bildung was. De kennis was niet puur omwille van goed staatsburgerschap, maar de waardering van kennis omwille van de kennis zou vanzelf leiden tot moreel burgerschap.

Voor het gemak stel ik dus Bildung en het idee dat kennis intrinsieke waarde heeft op één lijn. De stelling dat kennis intrinsieke waarde heeft wordt vaak gebruikt om het bestaan van de Geesteswetenschappen te verantwoorden. ‘Niet alle kennis kan op basis van externe criteria worden beoordeeld, sommige kennis heeft intrinsieke waarde.’ Tegelijkertijd moet gezegd worden dat het Bildungsideaal niet puur op de Geesteswetenschappen was gericht. Natuurlijk was er een sterke nadruk op talenkennis en vooral kennis van de oude Grieken, maar natuurwetenschappelijk onderzoek kreeg een even belangrijke plaats op deze universiteiten. Opvallend genoeg was het vooral Alexander von Humboldt (broertje van) die de Humboldt universiteit groot maakte in het natuurwetenschappelijk onderzoek.

Hoewel Bildung nu altijd een positieve connotatie heeft in debatten over onderwijsbezuinigingen, is Bildung in de intellectuele geschiedenis zeker geen onbetwist begrip. Eerder verwees ik al naar de kritiek van Lyotard, maar er is, mijns inziens, belangrijkere kritiek op het Bildungsideaal. Deze kritiek betreft de overkill aan kennis, die voortvloeit uit het idee dat kennis intrinsieke waarde heeft. In deze context schreef Nietzsche in het kader van zijn Unzeitmässige Betrachtungen in 1874 het boek Vom Nutzen und Nachtheil der Historie für das Leben. Dit werk was een cultuurkritiek op zijn Duitse tijdgenoten. Volgens hem werd de Duitse cultuur in zijn tijd gekenmerkt door een ‘teveel’ aan geschiedenis. Dit kwam vooral in de Bildung en het objectieve historisme, dat sterk met Bildung was verbonden, tot uiting. Het teveel aan geschiedenis maakte volgens hem de Duitse cultuur ongezond.

De mens onderscheidt zich volgens Nietzsche van het dier omdat het geschiedenis heeft. Het dier is onhistorisch. De mens daarentegen moet zich op een ‘gezonde’ manier verhouden tot de geschiedenis. Een mens met een teveel aan geschiedenis is ongezond. De mens, die slechts de geschiedenis incorporeert die in dienst staat van het leven, verhoudt zich op een gezonde manier tot de geschiedenis. Er zijn volgens hem drie manieren om je te verhouden tot de geschiedenis. Dit zijn de drie ‘Dienste, welche die Historie dem Leben zu leisten vermag.' Ten eerste is er de ‘monumentale’ geschiedenis: het kijken naar grote voorbeelden uit de geschiedenis. Ten tweede onderscheidt hij ‘antiquarische’ geschiedenis.  Die staat voor  het behouden van de eigen regionale geschiedenis. Ten derde is er ‘kritische’ geschiedenis: de vorm van geschiedenis die wordt gebruikt om hedendaagse waarden te bekritiseren. Zelf gebruikte Nietzsche vooral deze derde vorm van geschiedenis in zijn beroemde Zur Genealogie der Moral. Hier gebruikte hij geschiedkundige observaties om moderne christelijke waarden te ondergraven. Deze drie verhoudingen tot de geschiedenis kunnen volgens Nietzsche allemaal gezond zijn, zolang ze op de juiste manier in dienst staan van het leven. De drie verhoudingen kunnen echter ook ongezond zijn. Mensen met een ongezonde verhouding tot het verleden zijn volgens Nietzsche: ‘der Antiquar ohne Pietät’, ‘der Kenner des Großen ohne das Können des Großen’ en vooral ‘der Kritiker ohne Not’. Dit is precies waar Nietzsche de protagonisten van Bildung op bekritiseert. Zij zijn Kenner des Großen, zonder dat zij zelf groot zijn. Het zijn critici zonder noodzaak.

Kennis moet waarde hebben: waarde voor het leven. Ik zal een voorbeeld geven hoe geesteswetenschappelijke kennis waarde kan hebben. Ik wend mij tot de geschiedenis, omdat ik ten eerste zelf historicus ben, maar vooral omdat Nietzsche dit voorbeeld gebruikte in zijn aanval op Bildung. Ik zou echter ook elke andere geesteswetenschappelijke discipline kunnen gebruiken voor mijn betoog. Laat ik mij in dit geval wenden tot een willekeurig wetenschappelijk debat in de geschiedschrijving om te laten zien hoe geschiedenis waarde kan hebben, zonder dat het directe contemporaine relevantie heeft.

 Natalie Zemon Davis publiceerde in 1973  het artikel ‘The rites of violence: religious riot in sixteenth-century France’. Dit was een baanbrekend artikel in het debat over religieus geweld in zestiende-eeuws Frankrijk. Davis reageerde in dit artikel tegen de sociale historici voor wie  de ogenschijnlijke irrationaliteit van het religieuze geweld een groot raadsel bleef. Zij probeerden de irrationaliteit te verklaren door te verwijzen naar het collectieve onderbewustzijn. Dit collectieve onderbewustzijn was het gevolg van de ‘gefrustreerde, paranoïde primitieve geesten van het volk.. Davis stelde dat deze historici niet de moeite deden om de motivaties van mensen te begrijpen. Zij weigerden te kijken naar de fundamentele menselijke condities. Davis zelf was van mening dat men moest proberen te begrijpen waarom deze mensen handelden zoals zij deden. Zij toonde in haar werk aan dat religieuze opstanden echt door religieuze overtuigingen waren gemotiveerd en niet het gevolg waren van sociale ongelijkheid. Dit deed zij door te laten zien dat deze religieuze opstanden rituele vormen aannamen, die vergelijkbaar waren met liturgische rites. Davis probeerde op die manier te laten zien dat er een bepaalde vorm van ‘rationaliteit’ schuil ging achter het religieuze geweld. Rationaliteit betekent in deze context een bewuste motivering voor het handelen.

Waarom heeft dit onderzoek waarde voor het leven? Het is toch al zo lang geleden? Wat mij betreft is dit een typisch voorbeeld van waardevolle geschiedschrijving, omdat het inzicht probeert te verschaffen in de menselijke condities en het menselijke handelen. Het laat zien dat menselijk handelen op verschillende manieren kan worden uitgelegd. Het geeft mensen stof om te oordelen over juiste en onjuiste motivaties. In deze zin is het onderzoek wel waardevrij – Davis geeft immers geen oordeel over de religieuze opstandelingen – maar niet waardeloos. Davis probeerde wel degelijk mensen bewust te maken van menselijke condities en menselijke motieven. Op het moment dat men inzicht heeft in menselijke motiveringen kan men reflecteren op deze motieven en daar een ethisch oordeel over vellen.

Om dit punt in technisch geesteswetenschappelijk (c.q. hermeneutisch) taalgebruik uit te drukken: historisch onderzoek zou een Reifung des Vorverständnis moeten geven. Door te kijken naar andere tijden, andere culturen, andere geesten kunnen de vanzelfsprekendheden van de eigen vooroordelen worden uitgedaagd. Van Davis kunnen we leren wat voor rol religieuze motieven spelen in het menselijk handelen. Historische werken over lichamelijkheid in de Middeleeuwen kunnen ons van onze eigen vooroordelen over lichamelijkheid bewust maken en onderzoek naar de aard van Bildung in de vroege negentiende eeuw kan ons duidelijk maken hoe onze cultuur denkt over de waarde van kennis. Bijna niets blijft vanzelfsprekend als je kijkt naar de geschiedenis.

Kennis omwille van de kennis is nooit goed. Dit is precies wat een hobby is. ‘Ik vind postzegels verzamelen leuk, gewoon omdat ik het leuk vind’, of ‘ik vind de zestiende eeuw leuk, gewoon omdat ik het leuk vind’. Of deze hobby meteen links is weet ik niet, maar een hobby is het zeker. Ik wil hiermee echter niet beweren dat er minder geïnvesteerd moet worden in geesteswetenschappelijk onderzoek. Wat ik wel wil zeggen is dat er minder moet worden geïnvesteerd in onderzoek dat geen waarde heeft. Ik ga hier geen voorbeelden geven van onderzoek dat volgens mij waardeloos is. Dat zou onnodig polemiserend zijn. Wat ik wel wil zeggen is dat geesteswetenschappers (en misschien alle wetenschappers) eens grondig moeten reflecteren op het nut van hun specifieke kennis voor het leven. Waar we volgens mij voor moeten waken is dat de staat alleen nog maar Kritiker ohne Not financiert.

Gerelateerde artikelen
Reacties
3 Reacties
  • James Janse,

    Geschiedenis ook gewoon opdoeken 😉

    Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de aarde blijft altoos staan. De zon komt op en de zon gaat onder en hijgend ijlt zij naar de plaats waar zij opkomt. De wind gaat naar het zuiden en draait naar het noorden, aldoor draaiend gaat hij voort en op zijn kringloop keert de wind weer terug. Alle beken stromen naar de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats waarheen de beken stromen, daarheen stromen zij altijd weer. Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend; het oog wordt niet verzadigd van zien, en het oor wordt niet vervuld van horen. Wat geweest is, dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon. (Pred 1:4-9)

  • vind ik leuk.

    alles is hoogmoed onder de zon, maar heideggerexegese wel het meest.

  • Vind ik leuk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven