Kaart van de hemel, Frederik de Wit, 17e eeuw // Wikipedia

De intuïtieve valkuil van het idealisme

“De volgende gast is iemand waar ik een beetje bang voor ben. Zij is namelijk neurobiologe, en ik ben een filosoof. En filosofen zijn altijd een beetje bang voor biologen”. Dit waren de woorden van een presentator van een lezing die ik onlangs bijwoonde. Het was de zoveelste keer dat een spanning tussen filosoof en hersenwetenschapper duidelijk aanwezig was, maar beiden glimlachten vriendelijk en wisselden geen woord meer.

De strijd tussen filosofen en neurobiologen bestaat al decennia lang. Vaak stuit de discussie op klassieke uitersten binnen de filosofie: het idealisme (alles is te herleiden tot geestelijk beginsel) tegenover het materialisme (alles is te herleiden tot materie). De grootste kloof tussen deze twee stromingen ontstaat wanneer het gaat over het al dan niet bestaan van iets ‘hogers’, zoals een geest in de mens. Hersenwetenschappers zijn over het algemeen fysicalisten, ze geloven dat de werkelijkheid uitsluitend beschreven kan worden aan de hand van fysische eigenschappen. Denkpatronen in de vorm van elektrische stroompjes komen dan het dichtst in de buurt van wat men de geest zou kunnen noemen. Maar waar materialisten vaak geloven in het beschrijven van gedachtes aan de hand van natuurwetten, staan idealisten hier sceptisch tegenover. Immers, gevoelsmatig lijkt het absurd dat de intrinsieke waarde van onze gedachtes onder de natuurwetten zou kunnen vallen.

Gevoelsmatig lijkt het absurd dat de intrinsieke waarde van onze gedachtes onder de natuurwetten zou kunnen vallen

Vanuit de neurobiologie lijkt het vrijwel onmogelijk om niet materialistisch te denken. Vaak houdt men in de wetenschap vast aan Karl Popper’s falsificationisme: een theorie kan alleen wetenschappelijk zijn als het tegenovergestelde kan worden bewezen. Zo kan het niet bestaan van iets zonder substantie, zoals een geest, niet worden bewezen en het bestaan ervan is dus niet wetenschappelijk. Maar het omgekeerde geldt ook: het niet bestaan van iets asubstantieels is ook geen wetenschappelijk inzicht. Hieruit zou volgen dat het onderzoeksterrein voor hersenwetenschappers alleen uit het potentieel weerlegbare bestaat. Daarbij komt nog dat biologen uitgaan van het principe dat de natuur de kortste weg kiest. Wanneer er meerdere hypothesen zijn voor het bestaan van iets dan is de hypothese met de kortste ontstaansgeschiedenis en de minste aannames de meest logische. Je gaat dus bij voorkeur uit van theorieën met minder speculatieve en meer empirische gronden. Dit is waar het botst met idealistische filosofen, die aan hun denken geen grenzen hoeven stellen en dus in feite meer vrijheid tot onderzoek hebben.

Het verschil in denkwijze wordt nog eens extra aangescherpt wanneer de discussie zich over menselijke gevoelens buigt. Hersenwetenschappers wordt wel eens verweten dat ze proberen om menselijke gevoelens in wetmatigheden te vangen waar dat eigenlijk niet mogelijk zou zijn. Hier rijst de vraag of emotie een puur fysieke reactie kan zijn. Het beschrijven van kwalitatieve aspecten van een beleving (de zogenaamde qualia) in elektrische stroompjes is een idee dat we gevoelsmatig willen verwerpen. Het is moeilijk om emotie met rede te bestrijden, omdat we geprogrammeerd zijn naar ons gevoel te handelen vanuit overlevingsdrift. We willen graag geloven dat qualia iets bijzonders zijn, iets wat ons mens maakt. Er is bijvoorbeeld niets romantisch aan het idee dat liefde een hoopje moleculen is dat we via een pilletje of spuitje binnen kunnen krijgen, en daarom willen we dat liever niet horen. Een natuurwetenschappelijke uitleg van een hersenwetenschapper over hoe een emotie op dergelijke wijze tot stand kan komen en de retorica van de filosoof die inspeelt op ons gevoel is vaak het punt waarop de discussie staakt. Het zou echter goed zijn wanneer de filosoof niet meteen vervalt in zijn drang om de droge stof van de bètawetenschapper te weerleggen en met intuïtief verleidelijke argumenten komt. We kunnen niet verklaren wat ons onderscheidt van andere dieren aan de hand van intuïtie. Een geest noch qualia zullen ons verder brengen in de zoektocht naar de unieke eigenschappen van de mens omdat we niet kunnen aantonen dat andere organismen niet hetzelfde bezitten.

We willen graag geloven dat qualia iets bijzonders zijn, iets wat ons mens maakt

Een voorbeeld dat veel gebruikt wordt om het standpunt van idealisten met betrekking tot qualia duidelijk te maken is dat van de synergistische stofzuiger: een stapel stofzuigeronderdelen kan niet zoveel, maar wanneer de onderdelen samenwerken zuigt het geheel. Hiermee wordt bedoeld dat wanneer men onderzoek doet naar kleine deeltjes van onze hersenen, we nooit over het geheel kunnen oordelen, en dus ook niet kunnen uitsluiten of het geheel niet tot iets hogers, zoals een geest, in staat is. Met het voorbeeld wordt getracht ruimte te maken voor theorieën waar in de natuurwetenschappen geen plek voor is. Gevoelsmatig is het aanlokkelijk om hierin mee te gaan, maar er zit een addertje onder het gras. De redenering dat wanneer een kleiner onderdeel een bepaalde vaardigheid niet heeft, het grotere geheel die vaardigheid dan ook niet zal bezitten is geen redenering die gauw gemaakt wordt, laat staan door een hersenwetenschapper. Er is hier sprake van een inductieprobleem dat wetenschappers juist proberen te vermijden: het afleiden van algemene wetten op basis van observaties die specifieke hersengebieden – maar niet het gehele brein – betreffen. Ook in het geval van onderzoek naar de werking van een stofzuiger zou men eerder deductief dan inductief te werk gaan: logischer is het om met een hele stofzuiger te beginnen dan met een stapel onderdelen, in tegenstelling tot wat het voorbeeld suggereert.

Het deductief ontleden van het brein leidt tot inzichten in hoe gebieden met elkaar samenwerken en daarmee dingen mogelijk maken die individuele neuronen nooit zouden kunnen. Hoewel de waarschuwing van idealisten voor het te ver inzoomen op de kleinste deeltjes niet geheel onterecht is omdat ze wel degelijk een valkuil kan zijn voor hersenwetenschappers, zouden idealisten minder aan hun emotionele motieven moeten vasthouden en de redevoering iets meer moeten laten zegevieren. Het zou het debat ten goede komen omdat speculatieve ideeën tot meer zekere kunnen worden gereduceerd. Dat wil niet zeggen dat we alles waar we geen meetinstrumenten voor hebben onbesproken moeten laten. Zo lang we niet in staat zijn denkpatronen, blijdschap, irritaties en alle andere qualia in eenheden te vangen blijft ook de onzekerheid over wat ons mens maakt bestaan. Het zou alleen fijn zijn als neurobiologen en filosofen die onzekerheid niet gebruiken om lijnrecht tegenover elkaar te blijven staan. Als idealisten hun angst voor wat neurobiologen te zeggen hebben overwinnen en met minder speculatieve theorieën komen, kunnen we misschien verder komen in het existentiële debat dat al tientallen jaren voor wrijving zorgt.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven