Flickr / Brandy927

De Januskop van het integratiebeleid

Ken je die mop van dat land dat twintig jaar lang geobsedeerd was met ‘de integratie van migranten’ en vervolgens besloot niets te doen aan de ‘integratie van migranten’? Dat land is Nederland. Na twee decennia gevuld met debatten over het monumentaal mislukken van de ‘multiculturele samenleving’, zitten we opgescheept met inburgeringswetgeving die vooral ‘uitburgert’.

Het is dan ook opmerkelijk dat het beleidsterrein dat de Hollandse gemoederen zo heeft beheerst – de integratie -, zo schamel uit de bus is gekomen. Met de blauwdruk van het Nederlandse integratiebeleid is veel mis, zowel op normatief als praktisch niveau. Het schiet tekort, doordat politici de politieke vraagstukken van immigratie en integratie steeds meer vermengen. En dit vervormt het beleidsdoel ‘integratie’ tot een achterhoedegevecht, dat vooral een bedreigende last vormt voor een kleine groep nieuwe migranten. Een achterhoedegevecht dat bovendien de integratie van de samenleving in zijn totaliteit schaadt. Door immigratie- en integratievraagstukken te mêleren, verdonkeremaant de Nederlandse politiek de motivaties achter het huidige immigratiebeleid. Tegelijkertijd investeert ze steeds minder in de migranten die er al zijn en blijven.

Om dit te doorzien, moeten we even een conceptuele stap terug. Binnen de politieke filosofie die zich richt op migratievraagstukken staan twee vragen centraal. De eerste vraag luidt: wie mag er het land in? Deze vraag valt uiteen in vele normatieve deelvragen: zijn de landsgrenzen van natiestaten te legitimeren? Of zouden rijke landen hun grenzen moeten openen vanwege de globale ongelijkheden in de wereld? Kan een land de opname van politieke vluchtelingen weigeren? Mogen arbeidsmigranten op bepaalde kenmerken geselecteerd worden? En ga zo maar door.

De tweede vraag is: welke migranten mogen naturaliseren? Als een migrant naturaliseert wordt hij ‘Nederlander’. Hij krijgt de Nederlandse nationaliteit met alle sociale en politieke rechten die daarmee samenhangen, zoals onbeperkt verblijfsrecht en stemrecht. Enkele deelvragen die rondom deze juridische transformatie spelen zijn: welke integratievereisten kan de ontvangende staat opstellen, voordat het Nederlandse paspoort wordt overhandigd? En wat betekent ‘geïntegreerd-zijn’ dan en wie is daar verantwoordelijk voor? En als migranten burgers worden, hoe wordt hun gelijkwaardig burgerschap dan gerealiseerd?

Kan het bepaalde migranten permanent geweigerd worden te naturaliseren?

Het elementaire verschil tussen de twee vragen is dat zij zich richten op verschillende grenzen. De eerste vraag probeert te achterhalen welke personen de landsgrens mogen oversteken, ofwel wie het territorium fysiek mag betreden als migrant. De tweede vraag onderzoekt vervolgens wie van de aanwezige migranten op het territorium de burgerlijke grens tot het Nederlanderschap moet kunnen oversteken en op welke manier.

Als we deze opdeling naast de Nederlandse integratiewetgeving leggen ontstaat er een verwarrend beeld. Neem de ‘Wet Inburgering Buitenland’ die sinds 2006 potentiële, niet-westerse migranten verplicht een inburgeringsexamen af te leggen bij de Nederlandse ambassade in het land waarin zij verblijven. Als de migrant zakt wordt hem geen visum verstrekt. Ofwel, het falen voor het ‘inburgeringexamen buitenland’ leidt tot een weigering tot immigratie, hoewel het door politici wordt verdedigd als een integratiemaatregel.

Maar, zou je kunnen denken, wat is er mis met een beetje selectie bij de grens? Misschien niets, maar als publiek beleid met een schaamlap wordt verkocht heeft dat meestal een dubbelhartige reden. En dat is ook zo, want onder het mom van ‘integratie’, probeert Nederland vooral specifieke migranten te weigeren aan de grens, zelfs als deze personen een recht tot migratie hebben. Dit is indirecte discriminatie, maar door de terminologie van integratie en immigratie te husselen wordt deze politieke keuze niet met open vizier verdedigd.

Want waarom moeten alleen ‘niet-westerse’ migranten dit buitenlandse inburgeringexamen maken? Staat Nederland liever gezinshereniging (art. 8 EVRM) toe van Amerikanen en Noren, dan van Oegandezen of Marokkanen? (Opvallend is ook dat Japan en Zuid-Korea plots in de categorie ‘westerse landen’ vallen).

Daarnaast is het doorlopen van het ‘buitenlandse inburgeringproces’ niet zonder kosten: Nederland biedt geen financiële ondersteuning aan niet-westerlingen en vraagt relatief hoge tarieven voor deelname aan de examens. Dit betekent dat potentiële migranten de verwerving van de Nederlandse taal in hun thuisland zelf moeten regelen en betalen. Ook eventueel vervoer en verblijf om taallessen te kunnen bijwonen en bij de ambassade te komen, is volledig voor eigen kosten. In landen als Somalië en Afghanistan zijn dit vaak gewoonweg onmogelijke vereisten om aan te voldoen.

Het verborgen motief is dus wel duidelijk. Onder het mom van ‘inburgering’ worden niet-westerse, kapitaalarme migranten letterlijk ‘uitgeburgerd’, door institutionele en financiële integratie-barrières op te werpen om hun migratie te voorkomen.

Deze conceptuele verhaspeling zet zich voort als de migrant uiteindelijk toch een voet op Nederlandse bodem krijgt. In de afgelopen jaren is in een hoog tempo een rits aan ‘inburgerings’-wetgeving aangenomen die de rechtspositie van nieuwe migranten behoorlijk heeft uitgekleed. Ten eerste is inburgeren verplicht gesteld, maar de staat biedt geen integratiecursussen meer aan en de migrant moet opnieuw betalen voor de inburgeringexamens. Ten tweede wordt het verblijfsrecht van migranten steeds meer afhankelijk gemaakt van hun inburgering: Nederland is sinds kort het enige land ter wereld dat wettelijk heeft vastgelegd dat migranten die hun inburgeringexamen niet halen kunnen worden uitgezet. Een twijfelachtige eer, die op het oog illusionair is of het openbreken van een aantal mensenrechtenverdragen zal vereisen.

Nieuwkomers moeten aan steeds meer integratieverplichtingen voldoen, terwijl het integratiebudget volledig gesnoeid is.

Anders gezegd, stapsgewijs heeft het integratiebeleid een Januskop gekregen. In plaats van begeleidend bij een succesvolle start in Nederland, zoals het woord ‘integratie’ ooit deed vermoeden, is het verworden tot een wapen van uitsluiting of remigratie. Zo werpt het een mistgordijn over migranten in de samenleving, waaronder het steeds langer onduidelijk blijft wie er nu bij Nederland hoort of niet. Daarbij is de stopzetting van publieke financiering en middelen voor integratie gewoon een slecht idee. Want hoewel deze beleidskeuze logisch voortvloeit uit de huidige koers van het inburgeren van migranten middels uitburgeren – waarom publiek geld uitgeven aan integratietrajecten voor mensen die er nog niet bij horen? -, blijkt op dit moment slechts twaalf procent van de verplichte inburgeraars een (privaat aangeboden) integratietraject te volgen. Zonder enige begeleiding raken veel nieuwkomers blijkbaar de weg kwijt, of zien de noodzaak van integreren niet. En uit onderzoek blijkt dat zonder publieke steun vooral laagopgeleide migranten afzien van inburgering en taalverwerving.

Het is niet verstandig migranten te lang met een been buiten de gemeenschap te houden. Het zou daarom beter zijn als de Nederlandse politiek de kluwen van politieke keuzes rondom immigratie en integratie zou ontwarren. Het zijn twee losse beleidsvragen, die hun eigen strategieën vereisen. Zo kan, zowel conceptueel als feitelijk, een strikt immigratiebeleid prima samengaan met een sterk ondersteunend integratiebeleid. Dan beperk je waar mogelijk wie Nederland binnenkomt, maar wie binnen is wordt goed op weg geholpen.

Deze ontwarring zou de Nederlandse samenleving in zijn totaliteit ten goede komen. De ondertoon van het integratiebeleid van de overheid straalt immers onvermijdelijk af op bredere maatschappelijke discussies en sentimenten over multiculturaliteit. En in dit geval is de ondertoon afwerend en bij wijlen ronduit discriminatoir – en dat moet je als democratische staat niet willen. Tegelijkertijd raken de vereisten van het integratiebeleid, praktisch gezien, slechts een kleine groep nieuwe migranten: ‘niet-westerse migratie’ naar Nederland is al lange tijd sterk afgenomen en de inburgeringsplicht geldt niet voor migranten binnen de EU. Daarmee is het Nederlands inburgeringsbeleid ontaard in een toornig achterhoedegevecht, dat vooral met heel veel bombarie heel weinig betekent voor de egalitaire samenleving als geheel. Het doet niets aan de structureel zwakke sociaaleconomische positie van migranten, biedt geen doelgericht sociaal beleid waar dat nodig is en bevecht niet de discriminatie op de arbeidsmarkt.

De democratie is uiteindelijk een maatschappelijk experiment dat bijgestuurd moet worden terwijl we onderweg zijn, schreef filosoof John Dewey. In Nederland laat de opzet van het integratiebeleid te wensen over, nu het steeds meer dient tot territoriale of burgerlijke uitsluiting. Het is tijd de warboel van immigratie- en integratiebeleid te ontknopen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven