By Hebe Aguilera / Flickr

De jurk in de kast

Ik leerde Wim kennen vlak nadat zijn vrouw was overleden. Bij binnenkomst vond ik hem niet direct een uitzonderlijke cliënt: hij liep slecht, had een blaaskatheter en keek uren uit het raam zonder iets te zeggen. Cliënten reageren verschillend op het weduwnaarschap, maar over het algemeen heb je twee types: de één gaat dood en de ander blijft leven. Ik dacht dat hij tot de eerste categorie behoorde. Het was denk ik de onverschilligheid waarmee hij de wereld opnam, of beter gezegd: door zich heen liet glijden, zonder dat er nog iets in het filter achterbleef wat hij de moeite waard leek te vinden.
In zijn vijfde week legde ik een krant op het bijzettafeltje bij het raam. Dat deed ik elke ochtend, ook al wist ik dat de krant de volgende dag ongelezen door de nieuwe editie zou worden vervangen. De cliënt mag opgeven, wij nooit.
Vanuit het niets zei hij: ‘Dat is een Alstom Coradia LINT 41H.’
Ik dacht dat het wartaal was, maar cliënten die praten gaan minder snel dood, dus ik vroeg hem wat hij bedoelde.
Hij wees naar de voorpagina van de krant en herhaalde: ‘Dat is een Alstom Coradia LINT 41H. Zijn er niet zo gek veel meer van. Dit is nummer 34, Winterswijk als ik me niet vergis.’

Ik leerde Wim kennen vlak nadat zijn vrouw was overleden

Ik stelde Wim voor om elke dag een foto van een trein mee te nemen zodat hij me kon zeggen welke fabrikant de trein had gemaakt in welk jaar. Hij stemde toe mits de nummers van de locomotief goed zichtbaar waren. Het bleek een behoorlijke opdracht om de afbeeldingen te verzamelen. Eerst knipte ik ze uit gedateerde tijdschriften en kranten die op de leestafel in de aula lagen, maar dat was erg tijdrovend. Een bijkomend probleem was dat er meestal niet stond vermeld om welke trein het ging; hij merkte het direct als ik hem naar de mond praatte. Daarom besloot ik een boek te kopen waarin de treinen netjes waren gedocumenteerd. Ik knipte de plaatjes uit, noteerde de nummers van de bladzijde op de achterkant en nam ze in willekeurige volgorde mee. Hij kreeg een nieuwe plaat wanneer het antwoord juist was.
Bij de laatste twintig platen begon hij fouten te maken, subtiel, een jaar te veel of te weinig, een licht verhaspelde naam van een fabrikant, dat soort fouten. Ik vroeg hem ernaar en hij bekende dat het boek vroeger in zijn boekenkast had gestaan. Door de bladzijdenummers op de achterkant van de foto’s wist hij dat we er bijna doorheen waren.
Hij begon me persoonlijke vragen te stellen.
Hij vroeg: ‘Heb je nog zussen?’
‘Nee’, zei ik. ‘Ook geen broers’, voegde ik nog toe.
Hij leek oprecht teleurgesteld en het voelde alsof het door mij kwam. Misschien dat ik daarom mijn portemonnee uit mijn binnenzak viste en een foto van mijn overleden moeder toonde. Hij pakte de foto uit mijn hand. Ik was bang dat deze vet zou worden, maar zei niets. Na vijf minuten gaf hij hem terug en mompelde wat onverstaanbaars over de kraag van haar jurk.

Over zijn vrouw spraken we eigenlijk nooit

Wim vroeg me om hem mee te nemen naar een treinstation. Ik stribbelde tegen, omdat het ons ten strengste was verboden om cliënten mee naar buiten te nemen, uitgezonderd de binnenplaats.
‘Dat kan alleen buiten werktijden om’, zei ik.
‘Ik ben je werk’, zei hij.
En voor ik het wist waren we een plan aan het smeden om hem naar buiten te
smokkelen. Ik zou hem de volgende dag om zes uur ’s ochtends op komen halen. De nachtploeg werd dan afgelost door de dagploeg en meestal dronken zij gezamenlijk een kop koffie waardoor de hal onbewaakt bleef. We moesten om negen uur weer terug zijn voor het ontbijt. Dan konden we ongemerkt de hal binnen glippen en opgaan in de stroom cliënten die zich naar het restaurant zou bewegen.
Met droge mond duwde ik Wims rolstoel door de hal. Ik kon een kleine vreugdekreet niet onderdrukken toen we buiten stonden. We gingen naar een station met twee perrons omringd door akkers met gekrulde vorens.
Onderweg vertelde hij me dat hij als tiener elke dag naar zijn school had gelopen over een kaarsrechte weg met populieren, waarachter hij de lichtjes van de wagons kon zien. ’s Ochtends ging hij extra vroeg van huis om naar het dichtstbijzijnde station te gaan. Op het schuine dak van het aangrenzende postkantoor keek hij uit naar stippen aan de horizon die steeds groter werden, veranderden in wolkmachines, tot ze uiteindelijk knarsend en puffend voor hem tot stilstand kwamen. Hij hield van de levendigheid op de perrons. Een verborgen bel rinkelde. Een postrijtuig werd gelost. Jutezakken vol met brieven. Maar het meest hield hij van de meisjes, van hun gekleurde hoeden en laag in de taille gesneden jurken.
Ik parkeerde de rolstoel op een brede grasstrook naast het fietspad met zicht op de spoorwegovergang. We zaten daar misschien een half uur. Hij noteerde van elke locomotief het nummer. Het begon te miezeren. Ik zette zijn rolstoel onder de overdekking van de fietsenstalling met goed zicht op de kaartjesautomaat en de wachtende passagiers op perron 1. Om hem niet ongemakkelijk te laten voelen liep ik wat heen en weer en deed alsof ik geïnteresseerd was in de dienstregeling op de gele borden. Zo nu en dan probeerde ik zo onopvallend mogelijk in zijn richting te kijken. Het kwam mij voor dat zijn ogen alleen de vrouwen volgden.
Na een klein half uur wenkte hij me terug naar de fietsenstalling. Hij keek me aan met roodomrande ogen en snoot zijn neus in een zakdoek.
‘Laten we teruggaan voordat je in de problemen komt’, zei hij.
Ik besloot niets te vragen en reed hem terug naar het verzorgingstehuis.
Bij binnenkomst werden we vriendelijk begroet. Beiden waren we de opzet van
ons plan compleet vergeten.

Die middag wilde ik de triestheid uit zijn ogen krijgen

Over zijn vrouw spraken we eigenlijk nooit. Ik wist dat ze samen in een huisje aan het spoor hadden gewoond, ruim vijftig jaar tussen de treinen, kinderloos. Verder vertelde hij me niets over wie ze was, hoe ze rook of hoe bijvoorbeeld haar kookkunsten waren. Het komt vaker voor dat cliënten niets over hun vroegere leven vertellen dus het verontruste mij niet, maar die middag wilde ik de triestheid uit zijn ogen krijgen.
Ik vroeg of hij nog spullen van haar had. Hij wees naar de kast die door de deuropening van het aangrenzende slaapvertrek was te zien. Ik liep er naartoe en opende de deur met de sleutel die in het slot stak. Aan het rek hingen een tiental blouses en een jurk, op de planken eronder lagen stapeltjes onderbroeken en keurig gevouwen pantalons. Ik pakte de jurk met opgenaaide klaprozen van het rek en liep terug naar de woonkamer. Eerlijk gezegd wist ik niet wat ik met de jurk aan moest dus legde ik deze in zijn schoot en wachtte af wat er zou gebeuren.
Hij gleed met zijn handen over het linnen, klemde een plooi tussen zijn duim en wijsvinger en wreef die tegen elkaar. Daarna hield hij met gestrekte armen de jurk bij de schouders vast zodat hij deze goed kon bekijken. Pas toen viel me op dat er een prijskaartje op de rug bungelde. Hij legde de jurk over zijn torso, streek de stof glad over zijn benen en boog zijn hoofd. Ik had tranen verwacht die hij snel weg zou vegen, dat hij de jurk in zijn gezicht zou drukken, mij met ingehouden stem zou vragen het terug te leggen. Maar er verschenen levendige trekken in zijn gezicht. Ik kan me niet herinneren wat ik dacht – of ik dacht – toen ik vroeg of hij de jurk aan wilde trekken.
‘Meen je dat echt?’, vroeg hij.
‘Tuurlijk’, zei ik, ‘Waarom niet?’ Ik wist wel een aantal redenen op te noemen – in die tijd hield ik er weinig progressieve ideeën op na – maar in de geslotenheid van de kamer zag ik er weinig kwaad in.
Ik trok zijn schoenen uit. Hij maakte met trillende vingers de gesp van zijn riem los, ik hielp hem met de knoop, hij steunde met zijn onderarmen op de leuning, ik trok zijn broek uit aan de pijpen. Daarna volgde de geruite blouse die ik over zijn hoofd trok zodat hij alleen zijn ondergoed nog aan had. Hij drukte zijn witte benen tegen elkaar, legde zijn handen gevouwen op zijn kruis en kantelde zijn schouders naar binnen. Op zijn hele lichaam was geen haar te zien.
‘Geen zorgen’, zei ik, ‘Er is niets om bang voor te zijn. Niemand kan ons zien. Steek je armen maar omhoog.’
Hij deed wat ik hem zei, hield zijn bevlekte handen met de rug naar mij toegekeerd. Ik hielp hem in de jurk en reed hem voor de spiegel in de badkamer.
‘Jij bent de eerste die haar ziet’, zei hij hees.
Ik liet me door mijn knieën zakken, hield mijn gezicht naast het zijne, samen keken we haar aan met gelijk opgaande borst en kantelden onze hoofden tot we elkaar licht raakten.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven