Wikimedia Commons

De kortzichtige visie van ASVA - reactie

Karsten Meijer en Sicco de Knecht schreven op 12 februari over een ‘kortzichtige visie’ van ASVA. Blijkbaar vinden de auteurs het kortzichtig om rekening te houden met het toekomstperspectief van 95 procent van de studenten die niet in de wetenschappelijke wereld terecht komen. Voorop wil ik stellen dat de zorgen die Karin de Nijs en Lonneke van der Holst uitten - zorgen die de respondenten van het onderzoek aangaven - niet direct de mening van ASVA verwoordden. ASVA stelt voorop dat de universiteit studenten opleidt tot kritische wereldburgers; niet tot werknemers. Maar, blijkbaar is er wel behoefte van studenten aan oriëntatie op mogelijk werk na de studie. Want na je studie houdt het leven niet op; het vinden van de juiste baan is op z’n minst even belangrijk als het kiezen van een juiste studie. Zoals Confucius ooit zei: ‘Geef mij werk dat bij me past en ik hoef nooit meer te werken’.

Om dit te bereiken moeten studenten niet alleen weten welke studie bij hen past, maar vooral ook welk werk. In de huidige complexe en fluïde arbeidsmarkt is begeleiding hierbij voor veel studenten blijkbaar wenselijk. Het streefbeeld van een ‘homo universalis’ is prachtig, maar het is simpelweg slechts weggelegd voor een klein percentage studenten. Daarom moeten wij ervoor zorgen dat de overige studenten werk vinden dat bij hen past. Het zal geen Leonardo da Vinci’s opleveren die in elk wetenschappelijk veld uitblinken. Maar het levert wel academisch gevormde burgers in vele beroepsvelden op.

De universiteit moet studenten opleiden tot burgers die nieuwsgierig zijn naar hoe de wereld in elkaar steekt. Studenten die begrijpen waarom bepaalde dingen gebeuren en vraagtekens zetten bij hoe bepaalde dingen gebeuren. Studenten die vervolgens in staat zijn oplossingen te bedenken voor de problemen die zij ontdekken. Deze studenten zijn niet alleen nodig als toekomstige wetenschappers; ze zijn nodig in vele beroepsvelden. Want Nederland heeft ook behoefte aan kritisch denkende beleidsmedewerkers, docenten, juristen, bankiers etc.

ASVA stelt voorop dat de universiteit studenten opleidt tot kritische wereldburgers; niet tot werknemers.

Stel je studeert rechten. De meeste mensen gaan deze studie doen om advocaat of rechter te worden. Maar uiteindelijk komen maar weinig mensen uit bij deze beroepen. Inhoudelijk kan je dan nog zo goed zijn, je moet bovenal weten hoe je deze vaardigheden kunt vertalen. Je moet dus weten wat je allemaal kunt doen en wat je mogelijkheden zijn. Nu ontstaat dit beeld voornamelijk door gesprekken met medestudenten. Slechts veertig procent van de respondenten had haar mogelijke loopbaan besproken met iemand van de universiteit: een studieadviseur, werkgroepdocent of tutor. Als je wilt dat mensen op een plek terecht komen waar ze passen is het belangrijk dat hen al in een vroeg stadium duidelijk is welke opties zij hebben. Juist tutoren of studieadviseurs zouden hier een rol in kunnen en moeten spelen.

Dit betekent niet dat een praktische universiteit het streven is. Academische vaardigheden moeten centraal staan op de universiteit. En zoals Meijer en De Knecht terecht betogen: deze vaardigheden zijn op vele manieren in de praktijk toe te passen. Voorbereiding op de arbeidsmarkt is echter meer dan een workshop cv-schrijven of solliciteren. Het gaat om docenten met werkervaring buiten de academische wereld; het gaat erom dat de universiteit niet vergeet dat ze niet alleen opleidt tot wetenschappers maar ook tot kritisch denkende wereldburgers.

Je hebt niks aan al die uitmuntende academische vaardigheden als je niet weet bij welke instanties je terecht kunt.

Deze voorbereiding ligt daarbij vooral in het feit dat afgestudeerden weten waar zij heen willen of kunnen. Dit kan je bereiken door middel van stages, contact met alumni of docenten met werkervaring buiten de universiteit. Zestig procent van de studenten maakt zich namelijk - niet geheel onterecht met een jeugdwerkloosheid van 15% – druk of zij straks wel een baan kunnen vinden. Het zijn juist deze zorgen die in het onderzoek van ASVA opvielen. Na een academische opleiding kan je van enorme toegevoegde waarde zijn bij bedrijven, maar ook bij de overheid, het onderwijs, de zorg etc. Je moet echter wel weten bij welke van deze instanties jouw kennis goed past. Je hebt niks aan al die uitmuntende academische vaardigheden als je niet weet bij welke instanties je terecht kunt.

Door het opiniestuk in Folia (nr.19 06/02/2013) ‘kortzichtig’ te noemen zijn de auteurs blijkbaar bekwamer of zekerder van zichzelf dan de gemiddelde student. Toch, dat veel andere studenten zich zorgen maken is niet vreemd.  Helaas hebben Meijer en De Knecht niet deelgenomen aan het debat dat naar aanleiding van het onderzoek door ASVA is georganiseerd. Wie weet hadden ze nog wat van deze studenten kunnen overtuigen van hun utopische toekomstbeeld waarbij elke student opgeleid wordt tot wetenschapper. Toch denken wij bij ASVA dat de samenleving niet alleen wetenschappers nodig heeft. Een kritisch denkende beleidsmedewerker op het ministerie van sociale zaken of een kritisch denkende bankier is minstens zoveel waard.

Het begeleiden van studenten naar de meest geschikte baan is een streven dat hoog in het vaandel van elke universiteit en de samenleving zou moeten staan. ‘Geef mij werk dat bij me past en ik hoef nooit meer te werken’ heeft niets te maken met doelmatigheidsdenken. Het is een principe waarbij de talenten van studenten zo goed mogelijk ontwikkeld worden en zij hun talenten zo goed mogelijk kunnen inzetten voor de Nederlandse samenleving.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Beste Michiel, het spijt me maar ik volg je redenering totaal niet. In de inleiding stel je: ASVA stelt voorop dat de universiteit studenten opleidt tot kritische wereldburgers; niet tot werknemers. In de rest van je artikel leg je uit waarom 1) de universiteit moet helpen bij het vinden van een baan en 2) de universiteit moet helpen bij het vertalen van academische naar praktische vaardigheden.

    In je conclusie stel je dat jouw motto van Confucius niets te maken heeft met doelmatigheidsdenken. Dat klopt. Dat beweert echter niemand. Wat met doelmatigheidsdenken te maken heeft is dat je de waarden van de universiteit (kritische rede, lijkt iedereen het zo ongeveer over eens te zijn) in dienst stelt van een andere waarde: het vinden van een gepaste baan. Dat lijkt me zo klaar als een klontje.

    Begrijp me niet verkeerd - Ik wil ook graag een baan. Maar de universiteit moet geen verlengstuk worden van het UWV werkbedrijf en de verzorgingsstaat. Als de student daar al behoefte aan heeft, moeten we ons toch ernstig af gaan vragen of we in Nederland wel de juiste mensen subsidiëren om te studeren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven