Flickr/Harald

De kraker op zolder

Het begrip 'vervreemding' kent een ernstige traditie. Van oudsher werd het gebruikt door kritische geleerden om - meestal in het Duits - de burgerij streng toe te spreken. Die was namelijk vervreemd: van elkaar, het productieproces, maar eerst en vooral van hun 'eigenlijke zelf'; dat welbeschouwd ook hun meest menselijke, essentiële zelf was. Daardoor waren mens en maatschappij vervallen tot een kapitalistisch, inhumaan substraat: kameraden werden concurrenten; unieke arbeidsvruchten werden inwisselbare hebbedingetjes. En het ergste was: niemand had het door. De burgerij had last van 'vals bewustzijn', dat hen alleen door de vervreemdingsdenker kon worden afgeleerd.

Tegenwoordig wordt 'vervreemding' nauwelijks meer gebruikt. Er bestaat geen menselijke essentie, denken we nu, dus kunnen we er ook niet van vervreemd zijn. Maar klopt dat wel? Is die flexibilisering van ons mensbeeld niet juist een gevolg van onze neoliberale bril? Bestaat zoiets, een 'vals bewustzijn'?

Er bestaat geen menselijke essentie, denken we nu, dus kunnen we er ook niet van vervreemd zijn.

Voor een duidelijk antwoord op zo'n onduidelijke vraag is er uiteraard één adres: hersenwetenschap. Daar stuiten we direct op een probleem, want waarom zou vals bewustzijn relevant zijn? Het bewustzijn, zo leert de neurobiologie ons, is op het pad des levens immers niets meer dan een bijrijder. Een bijverschijnsel; dat als een kind achter een speelgoedstuur in elke bocht fanatiek meebeweegt, maar aan de feitelijke koers niets verandert – die koers bepaalt het brein.

Zo'n bijrijdersbestaan lijkt misschien zorgeloos; vrijblijvend, easy; maar daar helpt de neurobioloog ons graag vanaf. Ons brein houdt er namelijk allerlei racistische en seksistische trekjes op na; het kampt met vetzucht; is vooringenomen, en heel irrationeel. Stuk voor stuk evolutionaire verworvenheden die we in een ver verleden als een soort tijdelijke bewoner voordelig in de bovenkamer lieten, maar nu – verlicht en geëmancipeerd als we zijn – er met geen mogelijkheid meer uitkrijgen. Een kraker op zolder. En wat voor kraker! Niet voor niets spreekt men in de neuropoliticologie over het 'cognitieve monster'.


Op een soortgelijke levensbeschouwing valt een en ander aan te merken. Maar door kritiek te leveren op dit beeld ga je voorbij aan het meest opmerkelijke feit: het is herkenbaar – en allesbehalve achterhaald. Wat is dat toch, dat wij ons afzetten tegen ons brein?

In de neo-marxistische wetenschapstraditie wordt dit verdinglijking genoemd. Bij het meten van menselijke processen (sociale klassen, of handelingen die je zelf verricht maar niet zelf merkt), kan zomaar het idee ontstaan dat wat je meet ook echt bestaat – als opzichzelfstaand ding. Naar dingen kunnen we verwijzen, en verleidelijker nog: wijzen. Ook menselijke eigenschappen kennen we moeiteloos aan dingen toe. Dus wanneer een hersenscan niet met ons zelfbeeld strookt, sparen we al gauw de proefpersoon en betichten we het onderzoeksobject. Blijkbaar handelde het brein, het 'onbewuste' – dat naar believen slim, dom, volgzaam, of zelfzuchtig wordt genoemd.

Het brein, dat valse onbewuste, vervult op die manier steeds vaker de rol die 'het systeem' ooit speelde. Niet langer is vetzucht een verdorvenheid van consumentisme, maar nu juist een verworvenheid van ons reptielenbrein. De slechte omgeving, de autoritaire opvoeding – allemaal vervangen door autisme, of: ADHD. Zelfs als het systeem faalt, zoeken we bij Tegenlicht uiteindelijk een toevlucht in het brein van de bankier. Het zit allemaal in ons hoofd – en niemand heeft het door.

Laten we wel wezen: dit is nog klein bier. Van tijd tot tijd de schuld afschuiven, af en toe iets slordig conceptualiseren lijkt me zo erg niet. Zelfs voor academische dwalingen als de 'neuropoliticologie' knijp ik graag een oogje dicht. Ik zou van die vervreemding ook niet zo’n probleem hoeven  te maken, ware het niet dat het om iets heel belangrijks gaat: vrijheid.

Daarmee bedoel ik niet de vrijheid van de wil. Dat lijkt me een verjaarde discussie, die we eindeloos kunnen herkauwen. Boeiender is het gebruikte argument: onze wil zou namelijk niet vrij zijn omdat het brein ons altijd voor is, zonder dat wij weten wat het doet. Dat laatste klopt: bij alledaagse handelingen voegt het bewuste nagenoeg niets toe. Dat klinkt misschien onwennig, een beetje griezelig zelfs, maar functioneel raakt het onbewuste juist aan de kern van ons bestaan. Omdat het 'nu' geautomatiseerd is, kan de mens bedacht zijn op het 'straks'. En soms, heel soms, hebben we van allebei geen flauw benul. We niezen, gapen, grinniken, en spelen zelfs gitaarsolo's – allemaal zonder te weten wat we doen of waarom precies. Ook van de zinnen die ik nu schrijf komen sommige, in hun geheel, zomaar in me op. Maar het zijn wel mijn zinnen – daar gaat het om.

Het beeld van de mens dat wordt aangestuurd door dictaten van het brein ontzegt ons effectief de vrijheid die ons eigen is.

Door het brein als ding te zien verliezen we die identificatie uit het oog. Als we er vervolgens wel persoonlijke eigenschappen aan toeschrijven transformeren we het tot een externe partij – een indringer; een verstekeling. Daarmee maken we bepaalde grenzen van onze vrijheid én vrijmoedigheid (dat zijn er nogal wat), tot een opgelegde beperking. Het beeld van de mens dat wordt aangestuurd door dictaten van het brein ontzegt ons effectief de vrijheid die ons eigen is. En in plaats van iets te leren van de duisternis in het meest wezenlijke van onszelf, vervreemdt het ons ervan.

Overigens, wat dat meest wezenlijke van de mens betreft: daarmee wil ik geen positie innemen in de discussie of we nu ons brein zijn, of – zoals psychologen en filosofen soms beweren – toch ons 'ware zelf'. Dat lijkt me een onzinnige discussie, die goed laat zien hoe gemakkelijk we ons nog steeds beroepen op de essentie van de mens. En blijkt het begrip 'vervreemding' toch nog aardig actueel.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven