Flickr / Kai Schreiber

De logica van paranoia

De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjarenHaruki Murakami2014
De God Denkbaar Denkbaar de GodW.F. Hermans1956
Tractatus Logico-PhilosophicusLudwig Wittgenstein1921

De gek heeft eigenlijk maar één overlevingsstrategie: denken dat de wereld alleen in zijn hoofd bestaat. Daarmee begint to-be Nobelprijswinnaar Haruki Murakami zijn nieuwste roman, De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren (DKTTEZP). De titelfiguur denkt op de eerste bladzijde al dat het misschien beter was geweest als hij al was gestorven, ‘want dan had deze wereld nu niet bestaan.’

Tazaki was een ongelukkige twintiger toen hij zonder opgaaf van redenen uit zijn hechte vriendengroep werd verstoten. Als enige van de vijf vrienden heeft hij geen kleur in zijn naam (de anderen heten Rodeden, Blauwezee, Wittewortel en Zwarteveld) en hij leeft dan ook een kleurloos leven. Hij zou zelf wel weten waarom hij werd verstoten, krijgt hij te horen, maar de arme Tazaki heeft geen idee. Dan, op 36-jarige leeftijd, besluit hij op zoek te gaan naar de vier vrienden met wie hij zijn tienerjaren in perfecte harmonie had doorgebracht. Niet omdat hij het graag wil, of omdat het moet, maar omdat zijn droomvrouw haar broek aanhoudt totdat hij zijn trauma heeft verwerkt.

De gek heeft eigenlijk maar één overlevingsstrategie: denken dat de wereld alleen in zijn hoofd bestaat.

Paranoia en achterdocht zijn moeilijk te vermijden in een situatie van onbegrijpelijke uitsluiting zoals die waarin Tazaki zich bevindt. Zijn enige redding is om nog extremer te denken: door te denken dat de hele wereld alleen in zijn hoofd plaatsvindt. Dat als je dood bent, de wereld als zodanig niet langer bestaat. Er is letterlijk geen wereld zonder mij, laat Murakami zijn hoofdpersoon denken. En in dat geval kan je niet paranoïde zijn: er is dan geen achterdocht mogelijk jegens de ander – de ander bestaat namelijk niet. De ander ben je zelf.

De aanname dat de wereld alleen bestaat in jezelf wordt in de filosofische traditie aangeduid als solipsisme (van solus, alleen, en ipse, zelf). Een van de klassieke solipsistische werken is Ludwig Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus. De filosoof stelt daarin: ‘De wereld en het leven zijn Een’ en: ‘Ik ben mijn wereld.’ Met andere woorden, de wereld bestaat alleen bij gratie van mijn bestaan; zonder mij is er geen wereld. Het medicijn dat Murakami aan Tazaki tegen de paranoia geeft is dit wittgensteiniaans solipsisme.

Dit maakt Tazaki apathisch en daarmee kleurloos, maar de bijwerking is dat het Tazaki goedbeschouwd ook knettergek maakt. Hoewel Murakami dit impliciet laat, maakt de aanname dat de hele wereld in zijn hoofd plaatsvindt Tazaki geschift. Het mag een prima mechanisme zijn om een vlammend achterdocht te doven, maar het maakt hem tot een ongevaarlijke gek – en dat zijn de grootste.

Via paranoia en solipsisme kom je snel uit bij een van de grootste Nederlandse schrijvers, tevens de grootste Wittgensteinfan van Nederland: W.F. Hermans. Hermans gebruikte de filosofie van Wittgenstein – en specifiek zijn solipsisme – om universums te creëren. Goed voorbeeld hiervan is een van zijn minst gelezen boeken, De God Denkbaar Denkbaar de God (DGDDDG) dat als startpunt de zin ‘wat denkbaar is, is ook mogelijk’ uit Wittgensteins Tractatus heeft.

Waar Murakami paranoia bestrijdt met solipsisme, gebruikt Hermans juist solipsisme om een paranoiaspektakel op te zetten.

De hoofdpersoon in DGDDDG, de god die Denkbaar heet, is op zoek naar zijn eigen godsbewijs. Hij denkt, dus hij bestaat: ‘Ik ben alles wat kan worden gedacht, maar een mensenleven is kort en onsterfelijk ben ik niet, omdat onsterfelijkheid geen gedachte is, maar een woord.’ DGDDDG is een opzwepende ritmische zoektocht van Denkbaar die van associaties aan elkaar hangt. Het leest alsof je in een omgeslagen kano een wilde rivier afglijdt, met humor. Voortdurend aangejaagd met het terugkerende adagium ‘ik ben Denkbaar en Denkbaar is god’. Waar Murakami paranoia bestrijdt met solipsisme, gebruikt Hermans juist solipsisme om een paranoiaspektakel op te zetten.

Het contrast kan niet groter met de kabbelende zoektocht van Tazaki naar zijn oude vrienden in DKTTEZP. Waar DGDDDG leest als een hysterische tekenfilm – die door zijn uitgever ooit ‘De God Onverkoopbaar’ werd genoemd – leest DKTTEZP als een chickflick. Maar dan een in schaapskleren, of liever: een wolf in chickflickskleren, want hoewel de grote gekte niet voortdurend naar je toe wordt geschreeuwd, is het kleurloze solipsisme vervaarlijker dan het in eerste instantie lijkt.

Het verschil in de uitwerkingen van solipsisme, bij Murakami kleurloosheid, bij Hermans hysterie, heeft te maken met het verschil tussen de focus op het waarneembare en op het denkbare.

Bij Hermans staat het denkbare centraal: het denkbare als ultieme waarheid. Dit past volledig in de traditie van Wittgenstein die stelt: ‘wat we niet denken kunnen, dat kunnen we niet denken; we kunnen dus ook niet zeggen, wat we niet denken kunnen.’ Hermans gaat ver in het gelijkstellen van het denkbare en het ware door god (de waarheid zelve) zelfs Denkbaar te noemen. Bij Wittgenstein, die stelt dat ‘alles wat we kunnen zien, ook anders [zou] kunnen zijn’, is het waarneembare ondergeschikt aan het denkbare. De continue stroom van onlogische gebeurtenissen in DGDDDG wordt door Denkbaar logisch verklaard, omdat ze denkbaar zijn. En dat alles in een associatief, moordend tempo dat de snelheid van de gedachten gelijkt.

Murakami’s wereldbeeld verschilt van dat van Hermans. Niet het denkbare levert ware kennis op, zoals in DGDDDG, maar juist de ervaring, schrijft Murakami: ‘Met denken kom je niets aan de weet, en al doe je dat wel, dan kom je er nooit achter of dat echt zo is.’ Het waarneembare centraal – het zien-horen-ruiken-voelen is het ultieme: ‘Als ik het over mijn eigen waarnemingsvermogen heb, dan bedoel ik iets wat in zichzelf compleet is (…). Eigenlijk is het onmogelijk om in woorden uit te drukken wat het voor iets is. Je moet het zelf ervaren om daarachter te komen.’ Het tempo van DKTTEZP ligt dan ook een stuk lager dan dat van DGDDDG, natuurlijk om met de kleurloosheid van Tazaki het boek zelf kleurloos te laten zijn, maar ook omdat de waarneming langzamer gaat dan het hoofd.

Hermans was bruut voor zijn personages, maakte hun wereld beklemmend, liet ze opjagen door monsters, moffen en muggen en liet ze uiteindelijk liever sterven dan leven.

Door de waarneming centraal te stellen, wijkt Murakami af van Wittgenstein; immers elke waarneming is bij de filosoof juist wel uitdrukbaar in woorden, zoals alles wat bestaat uitdrukbaar in woorden is. En hier ontstaat ook het verschil tussen Hermans’ solipsisme als katalysator van paranoia en Murakami’s solipsisme als medicijn ertegen.

Het lijkt alsof Murakami enorm mededogen heeft met zijn protagonist. Tazaki leidt weliswaar een saai en traumatisch leven, niet vol panische achtervolgingen en griezelige types die hem de dood in willen jagen. Een soort ogenschijnlijke compassie die Hermans zijn hoofdpersonen niet gunde; Hermans was bruut voor zijn personages, maakte hun wereld beklemmend, liet ze opjagen door monsters, moffen en muggen en liet ze uiteindelijk liever sterven dan leven.

Maar het mededogen van de Japanner is vals – het is er niet echt. Solipsisten zijn de grootste gekken, weten Murakami en Hermans allebei. Je hoofdpersoon opzadelen met een kleurloos kabbelend leven, waarin zelfs een grote zoektocht niet spannend is, is veel gruwelijker dan hem in een droomwereld door paranoia gestuurde vlucht op zoek laten gaan naar zijn eigen recht van bestaan. En daarom is Murakami in zijn kleurloosheid een stuk ongenadiger dan de ‘beul’ Hermans.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Nomen Nescio,

    Uit ervaring(en) kan ikzelf bijna zeker weten, dat ik zelf de
    gedachtenstroom kan reguleren, doch deze zelfregulering kan slechts verwerkelijkt worden door ofwel een levende Solipsist te zijn, in mijn hele wezen, ofwel door een dode Stoicijn te zijn die niets meer weet, in mijn hele dan te noemen wezenloosheid.

    Concluderend is de oplossing van het leed/lijden van de mens
    derhalve te beslissen of hij/zij levend wil blijven of wil doodgaan.
    Bijna kun je zeggen, dat het uitsluitend voor zowel Solipsisten als Stoicijnen een geldige conclusie is, dit te denken of te doen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven