Flickr

Over de menselijkheid van twijfel

In iedere revolutie wordt een mythe ontmaskerd: een revolutie draagt bij aan een geleidelijke demystificatie van de mens en de werkelijkheid waarin hij leeft. Copernicus leerde ons dat niet de aarde maar de zon het centrum van ons universum is. Darwin toonde aan dat we veel meer met dieren gemeen hebben dan door sommigen wenselijk wordt geacht. Freud rekende af met het moderne ‘transparante zelf’ en plaatste de ambiguïteit  van het onderbewuste aan de basis van het mens-zijn. De revolutie van moderne Informatie en Communicatie Technologie (ICT) laat opnieuw het huis van de mens op zijn grondvesten schudden.

We verliezen in rap tempo terrein op mededenkende ‘dingen’. Dingen die net als de mens in staat zijn tot het opnemen en verwerken van informatie en daardoor tornen aan het beeld van de mens als een kwetsbaar maar ‘denkend riet’ – het mensbeeld volgens de Franse filosoof Blaise Pascal (1623-1662). De menselijke waardigheid zou volgens Pascal – niet toevallig uitvinder van de eerste rekenmachine – liggen in het vermogen tot denken, door hem uitgelegd als het vermogen om op logische wijze informatie te verwerken. Volgens de hedendaagse informatie-ethicus Luciano Floridi hebben we zo over de mens gedacht tot Alan Turing in 1950 zijn invloedrijke paper Computing machinery and intelligence publiceerde.

De mens als kwetsbaar maar ‘denkend riet’

Vanaf dat moment werden we gedwongen in te zien dat ook ‘dingen’ in staat zijn tot het verzamelen en verwerken van informatie, zodat we wat dat betreft andermaal een mythe over onszelf moesten prijsgeven. Inmiddels zijn we aan ‘denkende dingen’ gewend geraakt en omdat dingen actieve vormgevers zijn, hebben zij mede bijgedragen aan een informationeel perspectief op de verhouding tot onszelf, anderen en de wereld.

In dat (inmiddels naïeve) natuurlijke perspectief verschijnen wij en de wereld als een ‘database’ en volgens sommigen is dat een uitstekende ontwikkeling. Een informationeel perspectief op de werkelijkheid heeft volgens hen de mensheid op de drempel gebracht van een nieuwe fase in de geschiedenis waarin we, bijvoorbeeld in betrekking tot gezondheid en geluk, het heft in eigen hand nemen.

Er zijn echter ook zorgen over de dataficering en inherente objectivering van onze leefwereld. Zo wees de Europese datawaakhond – het European Data Protection Supervisor (EDPS) – in een onlangs uitgebrachte Opinion juist op de (ethische) gevaren van dataficatie. We zouden volgens hen inboeten aan menselijkheid omdat we onder, in, en door interacties met ICT’s steeds minder ‘doel op zich’ en steeds meer ‘middel-tot’ worden. Hoe zit het eigenlijk met dataficatie en wat heeft het te maken met menselijkheid?

Volgens het EDPS zijn we door onze interacties met en via ICT’s steeds meer identiek aan ‘data’ en lopen we daardoor het gevaar om door (commerciële en maatschappelijke) derden als ‘koopwaar’ te worden gezien. Deze analyse zullen we wellicht herkennen voor zover bedoeld wordt dat onze ‘slimme’ leefomgeving te pas en te onpas gegevens over ons verzamelt en inzet voor doeleinden die ons veelal onbekend blijven. ‘We’ worden gecontroleerd door veiligheidsdiensten. ‘We’ worden verkocht op online veilingen door Google. ‘We’ worden gestolen door een modern type insluiper. Er gebeurt van alles met ‘ons’ zonder dat we het precies weten en daarom zijn we het eens met Apple’s Tim Cook die privacy onlangs een ‘mensenrecht’ noemde. Maar wanneer we met dataficatie ook een ICT-gevormd wereldbeeld bedoelen, waarin de wereld en onze plaats daarin benaderd kan worden als een rekenkundige grootheid, dan vinden we dataficatie geen probleem. Integendeel: we houden van het soort zekere (zelf)kennis die getallen ons geven.

We houden van het soort zekere (zelf)kennis die getallen ons geven

Daarom worden we door techniekcriticus Evgeny Morozov ‘dataseksuelen’ genoemd, omdat we obsessief bezig zijn ons gedrag in en houding tot de wereld te ‘tracken’. We meten ons slaapritme. We meten het aantal keer dat we gegoogled worden. We meten onze stemmingen. We meten ons hartritme en we doen zelfs pogingen objectieve patronen waar te nemen in vriendschap en liefde en ons naar die patronen te richten. Er wordt gezegd dat we van objectiviteit houden. Er wordt gezegd dat het idee om controle te hebben over ons wel en wee ons aanspreekt, dat we er gelukkiger van worden. Daarom houden we van de ICT’s die ons uitnodigen tot en helpen bij het vormen van een geobjectiveerd wereldbeeld, en maken dat ‘het goede’ een objectieve toestand is die we kunnen bezitten met behulp van ICT’s – ‘het goede’, dat is immers wat we als correlatie zien oplichten uit een amorfe zee aan data.

Wat zou er in ethische zin met dit type gedataficeerd wereldbeeld mis kunnen zijn? Is ons mens-zijn niet al door de Grieken gedefinieerd als een ‘streven in de richting van het weten’ en is het niveau van zeker weten waar we nu zijn in dat opzicht niet de kroon op de menselijke geschiedenis? Het zal afhangen van de vraag welk perspectief op menselijkheid we laten prevaleren. Er bestaat namelijk ook een perspectief waarin de mens niet primair gedefinieerd wordt vanuit diens vermogen tot (zeker) weten, maar eerder vanuit een ‘onzekere’ modus waarin menselijkheid een vermogen tot ‘geschokt te raken’ is. Het soort ‘schok’ waarin een samenhangend, gedataficeerd wereldbeeld breekt en we ‘aan het denken gezet’ worden.

Het zal afhangen van de vraag welk perspectief op menselijkheid we laten prevaleren

Deze gedachte is intuïtiever en minder abstract dan zij op het eerste gezicht lijkt. Ik denk bijvoorbeeld aan de Syrische kleuter Alan Kurdi die dood aanspoelde op het strand van de Turkse badplaats Bodrum. Alan schokte onze wereld en haalde ons denken over het statische gegeven ‘vluchteling’ uit die comfortabele modus, en gaf er ons een concrete, hulpbehoevende medemens voor terug. We omschreven dit menselijke drama op Twitter als ‘menselijkheidaangespoeld’, een typering waarin op treffende wijze zichtbaar wordt dat we menselijkheid herkennen als dat vermogen in ons om geraakt te worden, en te reageren op een specifiek ethische wijze.

Specifiek ethisch omdat de confrontatie met het individu vluchteling maar één reactie leek te rechtvaardigen: geven. We gaven onze kleren. We gaven tenten en onderdak. We deden dat wat de Russische schrijver Vassili Grossman omschreef als ‘de kleine goedheid’. Een specifiek menselijk vermogen, ‘kwetsbaar als de morgendauw’, maar tegelijk hoopgevend omdat het ons zicht laten houden op de mogelijkheid van een rechtvaardige wereld zolang er raakbare menselijke mensen zijn.

Het geval Alan laat ons zien dat ICT’s een positieve rol kunnen hebben in het overbrengen van menselijkheid, maar tegelijk past hier ook voorzichtigheid. Het is goed om te beseffen dat dingen geen ‘neutrale instrumenten’ zijn maar actief vormgeven aan de wijze waarop wij onszelf, de ander en de wereld verstaan. Dingen vormen ons zoals ideeën (van anderen) ons vormen en de specifiek vormende werking van ICT’s is dat zij een gedataficeerd perspectief op de werkelijkheid bevorderen. Wanneer het zo is dat er met de groeiende invloed van dit perspectief onze ontvankelijkheid voor ‘onzekerheid’ erodeert, zullen we moeten werken aan (sociale) tegenpraktijken die onze moed tot onzekerheid en daarmee onze menselijkheid levend houden.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven