Wikimedia Commons

De Nederlandse rechter doet zijn werk uitstekend

Vorige maand heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de zaak van de Sanctieregeling Iran. Hierin oordeelt de Hoge Raad dat de regeling die studenten met de Iraanse nationaliteit de toegang tot bepaalde opleidingen in scheikunde, natuurkunde en bouwkunde verbiedt, in strijd is met het verbod op discriminatie. De Hoge Raad oordeelde dat de discriminerende regeling niet noodzakelijk is ter uitvoering van VN Veiligheidsraadresolutie 1737. Volgens deze resolutie moet elk land voorkomen dat gevoelige nucleaire kennis door Iraanse burgers wordt overgebracht naar Iran en zo bij kan dragen aan een Iraans kernwapenprogramma.

In 2009 hebben een student, een promovendus en een hoogleraar met de Iraanse en Nederlandse nationaliteit tegen de uitvoering van de regeling bezwaar gemaakt. De Haagse rechtbank oordeelde toen al dat de regeling in strijd is met verbod op discriminatie omdat er onderscheid gemaakt wordt tussen personen van Iraanse en niet-Iraanse nationaliteit. Bovendien oordeelde de rechtbank dat de Nederlandse staat ook op een alternatieve wijze aan haar internationale verplichtingen kan voldoen zonder dit onderscheid te hoeven maken. De Nederlandse overheid is tegen de uitspraak van de Haagse rechtbank in beroep gegaan en is, na deze zaak op dezelfde gronden te verliezen, naar de Hoge Raad gestapt. Deze heeft beide uitspraken bevestigd.

Dat maatregelen worden voorgeschreven door een VN Veiligheidsresolutie speelt bij de toetsing van de maatregelen aan mensenrechten volgens het Hof geen rol.

Je kunt je afvragen waarom de Nederlandse Staat de moeite heeft genomen om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de Haagse rechtbank in 2009, en zelfs na ook deze op precies dezelfde gronden te verliezen, tegen beter weten in naar de Hoge Raad is gestapt. Welk belang heeft de Nederlandse overheid bij de uitvoering van een regeling die discrimineert? Niet enkel het feit dat recente internationale jurisprudentie wijst op de onrechtmatigheid van de regeling (zie beneden), maar ook het feit dat het al onze buurlanden wél is gelukt om de resolutie uit te voeren zonder in strijd te komen met mensenrechtenverplichtingen, zou voldoende aanleiding moeten zijn voor de Nederlandse overheid om de betreffende regeling in heroverweging te nemen. Was het nu werkelijk wenselijk om hier jarenlang over te procederen?

Met deze wijze van handelen volgt de Nederlandse overheid een trend binnen het beleid van nationale overheden en internationale organisaties waartegen de rechtspraak nu weerstand biedt: het zogenaamde ‘veiligheidsdenken’. Met de angst tegen het terrorisme heeft het belang van de (inter)nationale veiligheid in vele landen de afgelopen jaren het primaat gekregen boven andere belangen in de samenleving, zoals de bescherming van mensenrechten. Dit is niet alleen te zien aan de VN Veiligheidsresoluties, waarin mensenrechtenschendingen niet worden geschuwd om het hogere belang van internationale veiligheid te dienen. Op nationaal niveau is de wijze waarop het recht op privacy in de afgelopen tien à vijftien jaar in de Nederlandse wetgeving is ingeperkt, illustratief. Grote hoeveelheden persoonsgegevens worden bewaard en aan elkaar gekoppeld, telefoons worden op grote schaal getapt en een toenemend aantal camera’s wordt in het publieke domein geplaatst. Dit allemaal om de ene mens tegen de ander te beschermen.

Was het nu werkelijk wenselijk om hier jarenlang over te procederen?

Voorstanders van het ‘veiligheidsdenken’ argumenteren vaak dat alleen dergelijke maartregelen effectief zijn ter bevordering van de veiligheid en dat ze daarom opwegen tegen het schenden van de rechten van de betreffende personen. Het is schijnbaar effectiever om dat handjevol Iraanse studenten de studie kernfysica te ontzeggen om te voorkomen dat gevoelige informatie bij Ahmadinejad terecht komt, dan de toegang tot dergelijke studies te laten afhangen van, bijvoorbeeld, een screening door de AIVD voor alle geïnteresseerde studenten. Dat nu op ingrijpende wijze de mogelijkheid van de Iraanse studenten om hun eigen leven in te richten wordt beperkt, en dat puur op basis van hun nationaliteit, is dan jammer maar noodzakelijk.

Dit ‘veiligheidsdenken’ is moeilijk te verenigen met de rechtsstaat. In een rechtsstaat berust legitieme machtsuitoefening op de conventie dat deze macht niet zal worden misbruikt tegen burgers. Daarom wordt de macht van de overheid beperkt door bepaalde regels en wordt zij geacht zichzelf deze beperkingen op te leggen middels grondwetten of mensenrechtenverdragen. Zo moet regelgeving tot stand komen via bepaalde procedures en de inhoud daarvan de mensenrechten respecteren. Indien de staat deze beperkingen aan haar macht al te gemakkelijk laat varen om de nationale of internationale veiligheid – wat dat ook moge zijn - te beschermen, verliest de overheid legitimiteit. Het argument dat een discriminerende regeling effectiever is ter bestrijding van het grote kwaad, is daarmee volledig misplaatst: zo kennen we er wel meer.

Het goede nieuws is dat de uitspraak van de Hoge Raad past in een parallelle trend van Europese jurisprudentie waarin de rechterlijke macht zich verzet tegen maatregelen die overheden nemen ter uitvoering van resoluties van de VN Veiligheidsraad die de grondrechten van mensen schenden. Zo heeft het Hof van de EU reeds in 2008 in de zaak Kadi en El Barakaat geoordeeld dat de verplichting om de tegoeden van vermeende terroristen te bevriezen zonder een behoorlijk proces of enig kans op beroep in strijd is met de fundamentele rechten op een eerlijk proces en eigendom. Dat dergelijke maatregelen worden voorgeschreven door de VN speelt bij de toetsing van de maatregelen aan mensenrechten volgens het Hof geen rol.

Dit allemaal om de ene mens tegen de ander te beschermen.

In 2011 heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Al-Adsani geoordeeld dat de resoluties zoveel mogelijk mensenrechtenvriendelijk moeten worden geïnterpreteerd. De uitvoering van een resolutie die mensenrechten onnodig beperkt oordeelt het Hof als onrechtmatig. En zo zijn er ook door nationale rechters binnen Europa uitspraken gedaan die passen binnen de voortgezette lijn van de rechterlijke macht om perk te stellen aan de uitvoering van resoluties die geen acht slaan op de meest fundamentele mensenrechten.

Gelukkig toont deze uitspraak dat de Nederlandse rechtsstaat – met de ingebouwde Trias Politica - wel degelijk functioneert. Wanneer de overheid haar macht dreigt te misbruiken, wordt zij onmiddellijk door de rechter op haar vingers getikt. En dat is toch een veilig idee?!

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • ANTI-CORRUPTIE,

    HOE KAN HET DAN ZIJN DAT IK NU OP TAPE HEB DAT RECHTER MIJN RECHT AFPAKT TERWIJL IK HAAR OP MIJN ARTIKELNUMMER WIJS DAT BETEKEND DUS DAT DAT SCHENDIG VAN MENSENRECHTEN IS.DUS RECHTERS HOEVEN NIET AAN DE WET TE HOUDEN? WAAROM ZOUDEN WE DAN ALS BURGERS DAN NOG AAN DE WET GAAN HOUDEN EN DIT TAPETJE WORDT OOK EERDAAGS NA DE BESCHIKKING GEPLAATS OP HET INTERNET 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven