Who's Afraid of Virginia Woolf 1966

De noodzaak van de ander

We bevinden ons op de slaapkamer van George en Martha. Het is laat, George is moe. Martha heeft hem verteld dat er nog mensen over de vloer komen. Martha verdwijnt in de badkamer en terwijl ze de man die op bezoek zal komen omschrijft – ‘He’s in the Math Department. He’s young and blond…’ – doet ze deur van de badkamer dicht. George ziet zichzelf in de spiegel. ‘He’s good-looking, well-built?’ vraagt George sarcastisch. ‘Good-looking, well-built,’ herhaalt Martha, in alle ernst. George bekijkt zichzelf: niet jong, niet blond, niet goed gebouwd. De jongeman heeft nog geen voet binnen de deur gezet en George staat al drie punten op hem achter. In het licht van de ander kunnen we onze gebreken pas écht goed bekijken; in deze scène uit Who’s Afraid of Virginia Woolf, een klassieker uit 1966 met een fenomenale Richard Burton en Elizabeth Taylor, vertelt regisseur Mike Nichols ons voor het eerst waar het stuk volgens hem over gaat.

De film is gebaseerd op het bekendste toneelstuk van Edward Albee, een stuk dat nog bijna jaarlijks wordt opgevoerd in de Nederlandse theaters. Het gaat over de noodzaak van de illusies die we zelf creëren, maar ook de onontkoombaarheid van de werkelijkheid waaraan we met behulp van die illusies proberen te ontsnappen. Wat de filmversie zo goed maakt, is dat Nichols een duidelijke compositorische en cinematografische keus heeft gemaakt, een keus die duidelijk maakt waar het (zeer talige) theaterstuk volgens hem over gaat. Met camerastandpunten, montage en regieaanwijzingen geeft Nichols zijn visie op de tekst van Albee – en volgens mij is wat Nichols wil zeggen dat we niet zonder de ander kunnen leven, zonder de medemens als getuige van de verlangens en illusies die we zo graag in stand houden.

Wat heeft het voor zin om een monoloog tegen een afgrond te houden?

George en Martha hebben een fictieve zoon. Samen bedacht, om de klap van hun veronderstelde kinderloosheid te verlichten. Ze hebben een aantal dingen over die zoon verzonnen, maar ook een aantal dingen in het midden gelaten. De vraag is wat eraan hebben om met zijn tweeën over die niet bestaande zoon te praten. Wat voor een nut heeft dergelijk theater voor mensen die het zelf hebben bedacht? Wat heeft het voor zin om een monoloog tegen een afgrond te houden? George en Marthas nachtelijke gasten, het jongere stel Nick en Honey, zijn niet alleen welkom klapvee voor hun geraffineerde gebekvecht, maar ook getuige van de uitdieping van een personage: the little brat, hun zoon. De kijker is co-auteur.

Omdat Nick en Honey niets weten over hun leven, kunnen George en Martha het bij elkaar verzinnen. Hun leven is een leeg vat dat zij kunnen vullen met allerlei eigenaardigheden, omdat de mens van nature het woord van de ander voor waar aanneemt. Het is Martha die in eerste instantie, tegen het strenge verzoek van haar man in – ‘don’t start with the bit’ –, over hun zoon begint. Het is George die haar uiteindelijk uitdaagt daarmee door te gaan. Waar Martha een kans ziet om haar zoon écht tot leven te wekken, ziet George een spel dat te winnen of te verliezen valt. Deze afwisseling zorgt ervoor dat de film dwars door alle narigheid heen een soort rusteloosheid met zich meedraagt, de spanning van het wel of niet slagen van het spel. Nichols bewerkstelligt deze verhouding op een cinematografisch knappe manier, namelijk door, als het over de zoon gaat, George en Martha van onderaf in beeld te brengen en Nick en Honey van bovenaf – dames en heren: de spelers, het publiek. De hele eerste akte speelt met dit gegeven.

Nick en Honey dienen ook als een soort stand-ins voor ons, toeschouwers

Omdat ze de toeschouwers zijn van het spel van Martha en George, dienen Honey en Nick ook als een soort stand-ins voor ons, toeschouwers. Omdat het in huize George en Martha (bijna) alleen maar over hun zoon gaat, begint ook het jonge stel het een en ander los te laten over hun ervaringen met nageslacht. Het blijkt dat Honey aan pseudocyesis heeft geleden, hysterical pregnancy, en dat haar veronderstelde zwangerschap de reden is dat Nick met haar is getrouwd. ‘She went up, then she went down.’ Tekenend is dat deze informatie naar buiten komt als George en Nick een gesprek hebben in de tuin waarin het herhaaldelijk onduidelijk is over welke vrouw er gesproken wordt: ‘No, no. My wife gets sick quite easily. Your wife is Martha.’ Als deze twee vrouwen op deze manier tegenover elkaar komen te staan, lijkt de pseudocyesis van Holly zelfs een sterkere illusionaire vorm aan te nemen: wilde zij zo graag een kind dat de wens zelfs biologisch begon te groeien? Nee, uiteindelijk wordt geopperd dat er misschien meer aan de hand is geweest met de zwangerschap van Honey. Maar dat de thematische sturing van George en Martha effect heeft op het jonge stel, en dus op ons als kijker, is onmiskenbaar.

Aan het einde van de film verlaten Nick en Honey de naargeestige psychologische kermis. George, de spelmeester zelf, draagt hen op om weg te gaan. Het publiek stroomt uit de stoelen en laat de makers alleen achter. De zon komt door de ramen, de nacht is voorbij en het is aan George en Martha om de werkelijkheid weer over zich heen te laten komen. Wat volgt is een hartverscheurende scène. ‘You want anything?’ vraagt George. ‘No. Nothing,’ zegt Martha. Geen whisky, geen zoon – niets. Het verlangen is voorbij, het onder ogen komen is begonnen. ‘Sunday tomorrow,’ zegt George. ‘All day.’ Nog eens vierentwintig uur onversneden, illusieloos leven. De pijn is voelbaar. ‘Did you have to?’ vraagt Martha. Ja, zegt haar man. Het is tijd. Wat Who’s Afraid over de ander lijkt te zeggen is dat, hoewel we publiek nodig hebben om te overleven, we het publiek ook weer moeten zien vertrekken –  misschien zelfs wegsturen – om de waarheid onder ogen te komen. ‘It will be better,’ zegt George. ‘Will it?’ vraagt Martha. ‘I don’t know.’ Ze blijven met zijn tweeën achter, just us, en daarin lijkt de film nog iets over de liefde te zeggen. Waar de ander nodig is om de fictie te laten gebeuren, is de ander ook nodig als de fictie wegvalt en alleen het koude leven van alledag overblijft: geen applaus, geen afgunst, geen gelach – alleen een schouder om je hoofd op te kunnen rusten.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven