Flickr / WMUD

De ondergang van de Nederlandse middenklasse als democratische leidraad?

Als er één volk in de wereld bekend staat om haar sterke burgerlijke cultuur is het Nederland. Historisch kan dit verklaard worden door de vroege ontwikkeling van een stabiele middenklasse. Vanaf het einde van de achttiende eeuw ontwikkelde zich in ons land (dat door de Gouden Eeuw toch al bekend stond om haar gunstige voorwaarden voor democratie) een sterk maatschappelijk middenveld. Deze ontwikkeling liet ook de politieke arena niet onberoerd. De veelgeprezen grondwet uit 1848 van Johan Rudolph Thorbecke wordt gezien als dé manifestatie van een zich emanciperende burgerij. Nederland was een voorloper op het gebied van democratisering, het enige land waar in revolutiejaar 1848 gehoor werd gegeven aan de onvrede. Waarom kent dit beeld van de middenklasse als de grootste impuls voor democratisch denken zowel in historisch opzicht als wanneer we de huidige Nederlandse maatschappij bekijken een aantal problemen?

Het idee van de middenklasse als drager van democratisering wordt vanuit de sociologie (onder andere Max Weber en Joseph Schumpeter hebben over dit verband geschreven) verklaard door een eeuwenoud schaalvergrotingsproces. Vanaf de middeleeuwen begonnen feodale structuren plaats te maken voor een grootschaligere economie. Deze economische schaalvergroting leidde tot de behoefte om de spelregels voor deze markt ook op grotere schaal vast te stellen. De belangen van individuen begonnen elkaar op steeds wijdverspreider gebied te raken. In deze steeds grootschaligere behoefte aan inspraak over dezelfde regels ligt de kiem van het westerse democratische denken. De protagonisten van dit proces waren de grote en kleine ondernemers. Deze middenlaag werd het meest direct geconfronteerd met economische schaalvergroting en voor hen was de behoefte aan inspraak dus het meest urgent.

 Dit primaat van de middenklasse als hoeder van de democratie lijkt anno 2011 nog steeds een strekgewortelde opvatting te zijn. De term civil society is de afgelopen twintig jaar een vakdiscipline overstijgend begrip geworden wiens aan- of afwezigheid voor gunstige en ongunstige voorwaarden voor democratisering zorgt. Veel Rusland-deskundigen zien de voorzichtige opkomst van een middenklasse bijvoorbeeld als een mogelijke aanwijzing dat de autoritair gestructureerde maatschappij in de nabije toekomst zou kunnen democratiseren.

Waarom kent deze historisch toegeschreven rol aan ‘diegenen die niet met hun handen werken’ een aantal problemen? Ten eerste lijkt het bovenbeschreven sociologische model te kloppen, maar vergeet het een deductieve stap te zetten. Want waarom ontstond er door het ontstaan van grootschaligere kapitalistische structuren enkel bij de ondernemingsgezinde groepen een behoefte aan inspraak? Waren buiten deze groep als de belangenbehartigers van democratie ook boeren en later arbeiders niet gebaat bij grootschaligere regelgeving op basis van inspraak?

Een tweede aanwijzing voor een te grote nadruk op de middenklasse is de aard van de grondwet van 1848. Hoewel het kiesmodel van evenredige directe vertegenwoordiging een democratische structuur kent, waren de ontwerpers ervan niet primair op democratisering uit. De hoge census wijst erop dat de grondwet in beginsel vooral gericht was op de gegoede middenklasse. Pas in de decennia na 1848 werd het kiesrecht geleidelijk uitgebreid, culminerend in het algemeen kiesrecht in 1917. Dit gebeurde echter eerder onder druk van Sociaal Democratische Arbeiders Partij dan van middenklasse-partijen.

Na 1945 werd een interessante paradoxale ontwikkeling in gang gezet. Hoewel door de invoering van het algemeen kiesrecht de verschillende klassen een evenredige stem hadden verworven in de Nederlandse politiek, vervaagden onder invloed van de economische groei de scheidslijn tussen onder- en middenklasse. Het aantal mensen zich dat als middenstander beschouwde groeide vanaf de jaren zestig drastisch.

Dit proces lijkt nog steeds bezig te zijn. De Nederlandse middenklasse is relatief groter dan ooit. Met de groei komt echter de diffusie. De indeling van de maatschappij in economische lagen lijkt hier door minder identiteitsbepalend te zijn geworden. De economische crisis heeft hier echter verandering in gebracht. De ‘hardwerkende Nederlander’ lijkt onder premier Mark Rutte het te verdedigen bataljon te zijn geworden. Met de middenklasse wordt de ruggengraat van Nederland zwaar onder druk gezet door economische en culturele bedreigingen. Waar Jan-Peter Balkenende met zijn normen en waarden vooral uit was op culturele harmonie, lijkt Rutte de economische identiteit terug op de agenda geplaatst te hebben.

Deze koerswijziging lijkt uiterst succesvol. Onder Rutte-I verspreidt een gevoel van economisch onbehagen zich soepel door de maatschappij heen. Er vindt de afgelopen maanden een opvallende verschuiving plaats in de mentaliteit van Rutte’s doelgroep. Een gevoel van economische onrechtvaardigheid en bedreiging lijkt de huidige middenklasse veel meer te karakteriseren dan een bepaald gemeenschappelijk democratisch ideaal. Meer dan ooit lijken mensen een hiërarchische maatschappijvisie te hanteren op basis van economische rendabiliteit en culturele aanpassing. Misschien komt dit doordat Nederlanders de laatste decennia ingepeperd zijn met democratische idealen, die daardoor een vanzelfsprekendheid geworden zijn. Het is juist de uitdaging deze democratische inclusiviteit hoger op de agenda te houden dan economische exclusiviteit. Zolang dit niet het geval is, kan de opvatting van de middenklasse als hoeder van de democratie (laat staan als graadmeter voor democratie) moeilijk volgehouden worden.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven