Wikimedia Commons / Arab Warrior circa 1914

De oorsprong van religieus extremisme II

In een vorig artikel betoogde ik al dat extremisme niet van origine of exclusief toevalt aan de islam. Terwijl het gros van de wereldbevolking de gruwelijkheden van IS met afschuw aanziet blijft er een aanzienlijke groep sympathisanten in de wereld die juist bewondering heeft voor dit fundamentalistische moslimleger. Vanuit verschillende landen in de wereld ontvangt IS steun en reizen jonge mannen en soms vrouwen naar het oorlogsgebied om mee te vechten. Zelfs een groep islamitische jongeren in het westen, toch niet opgegroeid onder het juk van een dictator en meestal opgevoed volgens het warm pedagogische ideaal van onze crèches en scholen, zijn er vatbaar voor. Vanuit heel West-Europa zijn er jongeren die naar brandhaarden reizen om zich aan te sluiten bij ‘heilige oorlogen’ waar ze worden omgeschoold tot koelbloedige moordenaars. Wat bezielt deze groep inmiddels derde en vierde generatie immigranten hun leven op het spel te zetten?

Hoewel het om een kleine minderheid van de islamitische jongeren in West-Europa gaat, zijn er alleen al in Nederland naar schatting van de AIVD 130 jongeren die de oversteek gemaakt hebben. Er is een veelvoud van jongeren die hen volgt via verschillende kanalen en dus door hen wordt beïnvloed. Moeten we deze jonge mannen wegzetten als psychotische dwazen of godsdienstwaanzinnigen? En is daarmee de zaak verklaard? Dan is het moeilijk uit te leggen waarom zo’n specifieke groep, derde en vierde generatie moslims, dit alleen doen. Zijn ze simpelweg domkoppen die niet zijn opgevoed of slecht zijn geïntegreerd? Ook dat lijkt niet een afdoende verklaring, in publieke optredens blijken jihadisten vaak redelijk eloquent en tonen ze geen spoor van taalachterstand. Of is dit een verschijnsel wat specifiek een probleem is van de islam? Hoewel ongetwijfeld de onderbuikgevoelens van vele Nederlanders naar de laatste verklaring of een combinatie van deze verklaringen neigen, zijn deze niet afdoende voor het verschijnsel. Een sociaal-historische beschouwing van religieus extremisme binnen de monotheïstische tradities biedt een bevredigender antwoord op de vraag wat islamitische West-Europese jongeren beweegt hun leven op het spel te zetten in Syrië of Irak.

Zijn ze simpelweg domkoppen die niet zijn opgevoed of slecht zijn geïntegreerd?

Het huidige islamitisch extremisme in Irak en Syrië valt in een traditie van religieus extremisme dat onderdeel is van de monotheïstische traditie. De bakermat van deze traditie ligt in het jodendom, in het wespennest van de Levant onder Grieks-Romeinse overheersing in de oudheid. Met de veroveringen van de Egyptenaren, Perzen, Grieken en Romeinen werd deze regio een belangrijk onderdeel van diverse internationale handelsroutes en kwam er een rijke uitwisseling tussen verschillende volkeren op gang. De joden handelden, vochten en vermengden zich net zoals de andere volkeren in de regio. Echter, door sommigen werd assimilatie gezien als een groot gevaar. In het monotheïsme van de joden was geen ruimte voor de Romeinse, Griekse of Oriëntaalse goden. Groeperingen die de invloeden van buitenaf vreesden organiseerden zich.

Globalisering is ook nu waarschijnlijk een belangrijke factor in moslimextremisme. Groeperingen als Boko Haram en IS keren zich in hun doctrine expliciet tegen overheersende westerse cultuur. Zij beschouwen assimilatie als verraad aan de eigen cultuur en vechten voor een samenleving die gebaseerd is op de religieuze waarden van (hun versie van) de sharia.

De joodse bewegingen in de oudheid keerden zich ook tegen buitenstaanders, maar nog vaker tegen andere joden. Binnen de eigen groep was het markeren van de tegenstelling tussen de juiste leer en de afgedwaalde orthodoxie belangrijk ter karakterisering van de eigen beweging. Deze extremistische sektes dachten in termen van puurheid en reinheid ten opzichte van de niet pure en niet reine buitenstaanders. Ook joden die in aanraking kwamen met het onreine, door bijvoorbeeld een gemengd huwelijk te sluiten, niet-joodse vrienden te hebben of zelfs maar in dezelfde straat te lopen als een niet-jood, zagen zij als fundamenteel onrein.

De regels van de sekte verlangden dat ze de banden met hun familieleden verbraken

Fundamentalisten propageerden een compromisloze houding ten opzichte van buitenstaanders en beschouwden iedereen die zich inliet met die buitenstaanders als afvallig. Ze liepen in herkenbare kleding en keerden zich af van hun omgeving door geen maaltijden te delen met andere joden. Andere sektes zoals die van de qumran-beweging sloten zich zelfs helemaal af door in de woestijn te gaan wonen. Daar verlangden de regels van de sekte dat ze de banden met hun familieleden verbraken.

Deze puriteinse groepen omvatten naar schatting hoogstens 5 procent van de joodse gemeenschap. Toch konden zij op bepaalde momenten zeer invloedrijk zijn. Zij presenteerden zich als hoeders van het ware geloof en bereikten zodoende een status die werd gezien als een standaard. In het joodse monotheïsme was er, in tegenstelling tot het polytheïsme, slechts één god, één tekst en in principe dus ook maar één interpretatie van de doctrine mogelijk. Natuurlijk bestond er discussie over de juiste interpretatie, maar men was het erover eens dat er niet meerdere interpretaties naast elkaar juist konden zijn.

Eeuwenoud monotheïstisch fundamentalisme vormt de basis voor de huidige strijders in Syrië en Irak. In het volgende stuk zal het historische kader verder worden uitgediept en de brug met het heden geslagen.

Dit is het tweede artikel in een drieluik over religieus extremisme.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven