Flickr / Asher Isbrucker

De problematiek van Socrates

Socrates, wie is dat? Dit lijkt misschien een domme vraag. Immers: iedereen weet wie Socrates is. Toch is deze vraag moeilijker dan hij lijkt, want het gaat er maar net om wie met Socrates bedoeld wordt: de historische figuur Socrates; de fictieve Socrates uit de dialogen van Plato of Xenophon of misschien wel de Socrates International Honour Society. Dit is een organisatie die als doel heeft het promoten van excellentie in het voortgezet en wetenschappelijk onderwijs. Zij is ervan overtuigd dat “mensen die doelgericht bezig zijn met het ontdekken en ontplooien van hun talent(en), geluk zullen vinden in het leveren van topprestaties” [1]. Door haar naam suggereert de Socrates Society verwantschap met de filosofie van Socrates. Maar is deze suggestie gerechtvaardigd? Past Socrates wel in het eenentwintigste-eeuwse jasje van de Society?

Voor het antwoord op deze laatste vragen moeten we eerst terug naar de eerste vraag: wie is Socrates? De onzekerheid over de figuur van Socrates komt voort uit het feit dat hij zelf nooit de moeite heeft genomen om zijn ideeën en filosofie op te schrijven. Daardoor is alles wat we van hem weten afkomstig van personen die over Socrates hebben geschreven. De twee voornaamste bronnen zijn afkomstig van Xenophon en Plato. Beiden hebben dialogen geschreven waarin Socrates sprekend wordt opgevoerd. Socrates spreekt niet zelf; het zijn de woorden van de auteurs. Het waarheidsgehalte van deze dialogen, i.e. de mate waarin de dialogen de werkelijkheid en dus de historische Socrates weergeven, is onmogelijk vast te stellen. De grote verschillen tussen de dialogen van Xebophon en Plato illustreren die onmogelijkheid.

Past Socrates wel in het eenentwintigste-eeuwse jasje van de Society?

In zijn boek The concept of irony with continual reference to Socrates schrijft Kierkegaard over die verschillen: “if a comparison is made between Xenophon and Plato, one will find that the first takes too much from Socrates, the second raised him too high; neither of them finds the truth”. Kierkegaard bedoelt hiermee dat Xenophon Socrates weergeeft als een soort allesweter die iedereen van praktische en nuttige tips voorziet, zonder enige diepere filosofische betekenis. Plato daarentegen, zet Socrates neer als een filosoof die zich volkomen afkeert van het nuttige en zich richt op waarden die het menselijke en het aardse overstijgen. Dit deed de ‘echte’ Socrates ook, maar volgens Kierkegaard heeft Plato te veel van zijn eigen ideeën op Socrates geprojecteerd en is daardoor niet duidelijk in hoeverre Plato’s Socrates authentiek is.

Deze grote verschillen tussen de Socrates van Plato en die van Xenophon zouden verklaard kunnen worden door de relatie van beide schrijvers tot Socrates en hier zit voor Kierkegaard precies het probleem. Xenophon was naast schrijver en (quasi-)filosoof ook een huurling. Socrates diende zelf een tijd in het leger en was in die zin dus de gelijke van Xenophon. Plato, aan de andere kant, leerde Socrates kennen op de markt van Athene. Op dat moment was hij nog een dichter, maar nadat hij Socrates hoorde spreken besloot hij diens voorbeeld te volgen. Hij werd een trouwe volger van Socrates en beschouwde hem als leermeester. Uit de manier waarop zowel Xenophon als Plato Socrates weergeeft, blijkt dat zij Socrates te letterlijk en te serieus nemen. Het probleem voor Kierkegaard is dat zij beiden daardoor geen volledig beeld van hem schetsen.

Socrates is namelijk nooit helemaal serieus, hij is ironisch en hier hebben Xenophon en Plato niet genoeg oog voor. Kierkegaard beschrijft socratische ironie als negatief, omdat Socrates dingen duidelijk probeert te maken door te zeggen wat het niet is. Socrates zegt dus nooit hoe dingen wel zijn, middels zijn adagium ‘al dat ik weet, is dat ik niets weet’. Daarnaast is zijn ironie ook destructief, omdat Socrates door middel van zijn ironie de vaste overtuigingen van zijn gesprekspartners onderuit haalt. Juist doordat hij de vaste overtuigingen van zijn gesprekspartner vernietigt, dwingt Socrates hen zelf te denken en dus creëert hij wat Kierkegaard “subjectiviteit” noemt. Hij dwingt zijn gesprekspartner zelf na te denken en dus niet te vertrouwen op dingen die vaststaan en buiten henzelf zijn. Hierdoor vormen ze een eigen, subjectieve, mening en niet een mening die berust op de autoriteit van anderen.

Socrates is nooit helemaal serieus, hij is ironisch.

De ironische levenshouding van Socrates staat haaks op de conventies van de stad Athene en haaks op de autoriteit van anderen. Hierin ligt de basis van zijn veroordeling tot de gifbeker door de Atheense volksjury. Dit wordt duidelijk uit de aanklacht tegen Socrates. Hij werd vervolgd voor twee punten. Ten eerste dat hij de Atheense Goden niet erkende en ten tweede dat hij de Atheense jeugd corrumpeerde. Met andere woorden: hij verwierp de fundamenten van de Atheense samenleving en ondermijnde het vaderlijk gezag en het gezin als zodanig. Socrates stelde het individu centraal in plaats van de groep, hij verwierp de antwoorden die de groep voor vaststaand hield en moedigde anderen in plaats daarvan aan om zelf op te zoek te gaan naar hogere waarheden. Oftewel, Socrates pleitte voor introspectie en zelfreflectie.

In de Platoonse dialoog Apologie verdedigt Socrates zich tegen de aanklachten en het is deze dialoog waar volgens Kierkegaard het meest accurate beeld van Socrates wordt weergeven. Dit werk wijkt namelijk in zo’n mate af van Plato’s andere dialogen dat vaak gedacht werd dat het niet door Plato geschreven is, omdat de schrijfstijlen zo verschillen. Kierkegaard, echter, stelt dat de Apologie een historisch werk is en dat het ironisch gelezen moet worden om zodoende een beeld te krijgen van de ‘echte’ Socrates. Maar wie is die echte, ironische Socrates dan?

Socrates’ ironie komt misschien wel het duidelijkst naar voren wanneer hij in zijn verdedigingsrede zegt dat alles wat hij weet, is dat hij niets weet. Immers hij praat de hele dag met andere mensen met het doel om kennis te vergaren. Het zou dus dwaas zijn om deze opmerking letterlijk te nemen. Eerder is het een opmerking waarmee hij zijn gesprekspartners uit de tent lokt om hun vaststaande en beperkte ideeën bloot te leggen. Waar zij ophouden door te zeggen: “het is dit en dat”, begint Socrates door te zeggen: “ik weet het niet, is dat wel zo?” Hij gaat zelfs zo ver dat hij tijdens zijn verdedigingsrede niet zozeer de aanklacht weerlegt, maar in plaats daarvan de Atheense opvatting van rechtvaardigheid afwijst en het begrip rechtvaardigheid opnieuw uitvindt. Hij beweert dat hij de jeugd niet zozeer corrumpeert, maar dat hij haar onderwijst en inwijdt in een leven dat gericht is op welzijn van de ziel en op ‘deugden’ als zodanig. In andere woorden, hij stelt dat hij van de Atheense jeugd goede mensen maakt en hij acht dit superieur aan de Atheense opvatting van rechtvaardigheid, die gericht is op de gemeenschap beheersende conventies in plaats van op zelfdenkende individuen [2].

Maar wie is die echte, ironische, Socrates dan?

Tegelijkertijd, en dit maakt zijn hele verdedigingsrede uitermate ironisch, is Socrates zich vanaf het begin bewust dat zijn poging om de jury van zijn superieure waarden en normen te overtuigen gedoemd is om te mislukken. Zo begint hij zijn verhaal met de opmerking dat hij terecht staat voor twee aanklachten. Ten eerste de eigenlijke aanklacht, en ten tweede de aanklacht die in de vorm van roddels en kwaadsprekerij al meer dan 25 jaar de ronde doet. In andere woorden, er is een hele generatie Atheners, waarvan een groot deel in de jury zit, opgegroeid met een bepaald beeld van Socrates dat tegen hem werkt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Socrates er niet in slaagt de jury te overtuigen. Zijn verdedigingsrede is een mislukking, maar wel een opzettelijke mislukking. Dit wordt vooral duidelijk als Socrates zelf een voorstel voor de strafmaat mag doen. In plaats van voor te stellen hem een boete op te leggen of te verbannen, oppert hij dat de rechters hem veroordelen tot gratis maaltijden in het Prytaneum − de ereplaats in het hart van Athene waar grote staatslieden, generaals en kunstenaars geëerd werden.

De ironie spat ervan af. Socrates, de persoon die bij uitstek niks geeft om een publiek leven, die geld veracht en niet eens schoenen draagt, pleit ervoor om zichzelf publiekelijk te laten eren door de hele stad. Deze zelfspot werd door de Atheense Jury erg letterlijk genomen. Had hij deze opmerking niet gemaakt, dan was het misschien inderdaad bij een geldboete of verbanning gebleven, maar door zijn provocerende en ironische optreden (ironie die de jury duidelijk niet inzag) veroordeelt de jury Socrates tot de gifbeker.

Het lijkt wel alsof, net als de Atheense jury, de Socrates International Honours Society deze ironie ook niet ziet. De Society heeft als voornemen om “bij te dragen aan een cultuuromslag in het voortgezet en hoger onderwijs”, want, aldus de website, “de realiteit leert ons dat leerlingen en studenten te weinig worden uitgedaagd”. De Society wil ons dus helpen om ons eigen plekje in het Prytaneum te veroveren, om te presteren. Zij is ervan overtuigd dat “mensen die doelgericht bezig zijn met het ontdekken en ontplooien van hun talent(en), geluk zullen vinden in het leveren van topprestaties”. Maar in hoeverre heeft dit te maken met de ironische filosofie van Socrates? En in hoeverre heeft de Society dus het recht om de naam Socrates te dragen?

Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat Socrates mensen zou aanmoedigen om topprestaties te leveren.

Socrates was bezorgd en besteedde aandacht aan het individu. Hij vond het belangrijk dat iemand zelf tot hogere inzichten kwam en ironie, een halfslachtige houding tegenover conventie en waarheid, was zijn middel om tot deze hogere inzichten te komen. Het ging hem er niet zozeer om als individu te excelleren binnen de samenleving, maar meer om de plek van de ziel binnen het individu. Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat hij mensen zou aanmoedigen om topprestaties te leveren. Zou hij niet eerder vragen: wat is een topprestatie? Waarom moeten wij topprestaties leveren? Welke talenten moeten mensen ontplooien, en hoe doe je dat? In de Apologie vergeleek Socrates zichzelf met een horzel en Athene met een paard. Hij beschouwde het als zijn taak om als horzel het paard wakker te houden. Om haar van tijd tot tijd te steken en irritant om haar hoofd te zoemen. Vervolgens legt hij de Atheense jury, en dus de Atheense samenleving, de keuze voor of zij liever onwetend is en slaapt, of van tijd tot tijd wakker gemaakt wordt en onderwezen door Socrates, om zodoende tot een ‘betere’ [3] samenleving te komen. [4]

Net zoals de Atheense jury prefereert de Socrates Society de passieve houding van slapende koe boven een actieve en zelf-reflecterende houding. Op geen enkele manier zet zij haar leden aan om in navolging van Socrates te handelen. Allesbehalve: zij stelt zelfs slechts aan te haken bij een reeds aanwezige ‘maatschappelijke trend’. De dichotomie tussen publiek en privé, staat en individu, die zo kenmerkend is voor Socrates wordt door de Society compleet genegeerd. Tegelijkertijd dwingt dit ons om zelf over de vragen die Socrates stelde na te denken en er onze eigen antwoorden op te geven. Het gebrek aan ‘Socrates’ in de filosofie van de Society, als daar al van gesproken mag worden, dwingt ons na te denken over de reden voor de naam van de Society en wat de waarde van haar doelstellingen zijn. Op deze manier is de Society dus uitermate socratisch; op een ironische wijze, welteverstaan.

[1] www.socrateshonours.nl
[2] Niet voor niets ligt de origine van het woord “idioot” in het Grieks. Een idioot in het oude Athene was iemand die zich slechts bekommerde om zijn eigen private belangen en geen oog had voor de publieke zaak. Zie: Simon Goldhill – Love, sex and tragedy, How the ancient world shapes our lives, p.180
[3] Een betere samenleving volgens Socrates zou uiteraard een samenleving zijn waarin elke individuele persoon deugdzaam is. Oftewel, een samenleving waarin Socrates in het privé individuele personen onderwijst. Dit staat uiteraard haaks op het Atheense begrip van een goede samenleving en maakt deze hele paragraaf uitermate ironisch.
[4] Voor de hele passage zie: West and West - 4 texts about Socrates, pagina 82 (30e-31b).

Dit is een bewerking van een artikel dat binnenkort zal verschijnen op www.socrateshonours.nl.

 

Gerelateerde artikelen
Reacties
2 Reacties
  • Wat ik mij afvraag na het lezen van dit stuk: wat is nu precies de vraag die de auteur probeert te beantwoorden? En: wat is daarvan het belang voor de lezer? Daarbij is Kierkegaard op zijn minst een twijfelachtige bron van Socrates' interpretatie te noemen. Een bron die de schrijver hier zonder reserves en zonder opgaaf van reden tot autoriteit opwerpt.

  • Ps. Een en ander neemt niet weg dat de auteur een verder prettige schrijfstijl heeft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven