Flickr / Alessandro Valli

De struikeldans van Bouazza

MeriswinHafid Bouazza2014
SpotvogelHafid Bouazza2009

In zijn nieuwe roman Meriswin struint Hafid Bouazza zijn geheugen af om de werkelijkheid van zijn verbeelding te achterhalen. Hij grijpt terug op het delirium van zijn leverziekte en het gelag van zijn dronkenschap. Zijn geest leeft op, zijn lichaam ontspoort en zijn zinnen kruipen er verkneukelend achteraan.

Zo’n anderhalf jaar geleden schreef ik voor deFusie over het in afwachting zijn van een boek. Vaak hoor je van de anticipatie wanneer het wachten al voorbij is, terwijl je van mensen die nog ergens op wachten nauwelijks iets hoort. Als wachtende besloot ik, nog voor het werk zou verschijnen, van mijn afwachting te laten horen. Het boek waar ik in 2012 op wachtte was Meriswin.  Inmiddels is de roman er, en is hij met open armen ontvangen. Recensenten en interviewers stonden verheugd klaar om zich na vijf jaar (Bouazza’s laatste novelle Spotvogel verscheen in 2009) weer over een nieuw werk van de schrijver te buigen. Waarom kijken zo veel mensen uit naar nieuw werk van deze schrijver? Hoe komt hij aan dat krediet? En wat is het waard?

Bij Bouazza is vorm niet alleen een vehikel voor inhoud, vorm is alles.

Literair Nederland hangt aan Bouazza’s lippen omdat hij een lyrisch fenomeen is. Al sinds zijn debuut De voeten van Abdullah in 1996 is zijn taal bedwelmend en zijn z’n woorden stoutmoedig. Hij is er nooit op uit het zijn lezers gemakkelijk te maken en zoekt als vorser van Arabische teksten en Middeleeuwse literatuur liever naar het ritme van een zin dan naar het realisme ervan. En altijd staat dat alles ten dienst van de verbeelding. Ook in zijn nieuwste werk gaan zijn beschrijvingen de representatie ver voorbij: ‘Hij hoorde de nacht in schoeisel van druppels over de bladeren van elzenbomen nader komen. Betoverd bleef hij luisteren naar die zachte xylofoontikjes alsof de nacht een gerinkelbelde staf bij zich droeg.’ Bij Bouazza is vorm, kortom, niet alleen een vehikel voor inhoud, vorm is alles. Vorm is de wereld, en al wat daar gebeurt. Bouzza’s werkelijkheid bestaat uit lyriek en voorstelling en in de Nederlandse literatuur, die nauwelijks een traditie van mystiek kent, scoor je dan punten.

Goed, een kleine disclaimer tussendoor. In medialand gaat het natuurlijk niet enkel om het inhoudelijke. Zelfs niet bij literatuur. De grote aandacht voor de mediaonverschillige Bouazza is er dan ook niet enkel voor zijn werk, maar ook voor zijn persoon. Een fles absint en twintig biertjes per dag zou hij drinken. Hij werd er uiteindelijk doodziek van, maar drinkt nog altijd. Bouazza’s verhouding tot gezondheid, leven en dood is zo afwijkend van wat gangbaar is, dat zijn onbezonnen houding bezwerend werkt. Mensen willen daarover lezen.

Niettemin staat de literaire status van Bouazza buiten kijf. Hoe opvallend zijn verschijning ook is, zijn taal springt altijd in het oog. Bovendien: zoals een afwijkende levensstijl publieke interesse wekt, leidt zijn originele schrijfstijl tot literaire verheuging. En dergelijk krediet is, hoe oneerlijk het ook moge zijn, heel wat waard. Althans, het had zijn duidelijke functie toen ik zijn nieuwste werk las. Anders dan bij eerder werk van hem, is in Meriswin een aantal zinnen mij iets te ‘pafferig’. Een uitgebreide beschrijving draagt namelijk niet altijd bij aan het ontstijgen van de representatie. Detailisme wordt dan ook ronduit storend in een zin als: ‘Sinds die fuf van een luns, Lieber, in zijn jas met panterpatroon, met dartele krullen en wat pepoenen pafferigheid in zijn gezicht met rosse konen, dichters in zijn stamkroeg opnam en toeliet, hing er elke ochtend een smuilende vleug van alcohol, waarop de vliegen afvlogen.’

Zoals een afwijkende levensstijl publieke interesse wekt, leidt zijn originele schrijfstijl tot literaire verheuging.

Of het eerste delirium dat in het boek wordt beschreven. De hoofdpersoon, die wij eerst nog vrolijk drinkend op het Amsterdamse Spui tegenkomen, bevindt zich ineens in een schemergebied van ‘monsters en pastorale geniepigheden.’ Af en toe zegt een vrouw dat ‘het goed komt’, er is een moment dat iemand om een zetpil roept – dit doet de lezer vermoeden dat de hoofdpersoon in een ziekenhuis ligt – maar verder doolt de hoofdpersoon door een bos. Hij struikelt over een boomwortel, waarop een beschrijving in een paginalange zin volgt van alles wat hij in het bos tegenkomt, en hoe hij daar vervolgens over denkt. Er zijn vooral kleuren, maar de aangekondigde monsters ontbreken. Hoewel de beeldspraak in de hallucinatiepassages vaak treffend is, worden hier toch de ontastbare onderdelen van het waanbeeld opgedist.

Voor de schrijver mogen die beelden weliswaar werkelijk zijn en bol van de betekenis staan – dat eerste beweert Bouazza namelijk in alle interviews die hij deze maand gaf – maar voor de lezer zijn het vooral geestelijke voorstellingen die maar weinig houvast bieden. Heeft Bouazza hier de hallucinatie misschien te realistisch willen verwerken en onbegrijpelijk willen maken? Als idee niet eens zo slecht, maar als vroege passage, die maar nauwelijks tot je doordringt, is het storend. Misschien zijn de beelden wel iets te persoonlijk, misschien was mijn lezersempathie nog niet helemaal op gang, waardoor ik de beelden slecht kon plaatsen. Maar heeft de schrijver daar niet ook een taak?

Empathie wordt gedurende het werk gewekt. En hier komt dan de waarde van het krediet van de schrijver naar voren. Hoewel mijn lezen hier en daar stokt, mijn interesse voor de betekenis van wéér een oud Nederlands woord afneemt, lees ik toch door. Meriswin krijgt alsmaar het voordeel van de twijfel. Bouazza’s intentie – het uitdagen van taal, het uitputten van verbeelding – is mij bekend. Ik heb hem vaak genoeg zien slagen. De buitenissige woorden, het uitblijvende plot en de omslachtige beschrijvingen zijn dan ook snel vergeven. Zoals de getalenteerde straatvoetballer zijn balverlies wordt vergeven wanneer hij een ingewikkelde truc uithaalt.

Bouazza kiest voor een massieve taal, die langzaam verteerd moet worden en misschien wel eens zwaar op de maag valt.

Maar wanneer pas je het principe van het voordeel van de twijfel nu eigenlijk toe? Van het voordeel van de twijfel zou in ieder geval gemakkelijk een karikatuur kunnen worden gemaakt. Stel je de criticus voor die een tekst nauwelijks doorgrondt, maar weet dat de schrijver in kwestie talent heeft. Omdat hij de genialiteit van de schrijver, vanwege zijn eigen beperking, niet wil missen komt hij uit bij het voordeel van de twijfel. De uit de Middeleeuwen opgediepte woorden zullen vast precies treffend zijn, want waarom zou Bouazza ze anders hebben uitgezocht? De bonzende, allitererende zinnen zijn poëtisch, want waarom zouden ze anders zo ingenieus in elkaar geschroefd zijn? Wanneer het voordeel van de twijfel louter voortkomt uit ontzag, ziet het er erg onbeholpen uit.

De kritiek volledig laten varen is dan ook een slecht idee. Maar geduld opbrengen voor een schrijver die een gierende verbeelding probeert te vatten in lyriek is misschien ook gewoon een onderdeel van de literaire bijsluiter. Bouazza kiest voor een massieve taal, die langzaam verteerd moet worden en misschien wel eens zwaar op de maag valt. Het werk van Bouazza is een grote verheuging over de spanning tussen verbeelding en werkelijkheid. En een dergelijk verheugen gaat nu eenmaal samen met slordigheid en overenthousiaste.

Meriswin is niet Bouazza’s sterkste werk. Daarvoor zijn sommige zinnen iets te pafferig en gebruikt hij (lullig als het klinkt) iets te veel moeilijke woorden. Maar de moeizame stukjes Bouazza staan niet op zichzelf, ze zijn onderdeel van de struikeldans van zijn oeuvre. Zinnen ontsporen soms, beeldspraak landt af en toe niet. Maar dat is de aard van zijn spel, en daarom eigenlijk helemaal geen misstap. Je leest de hele tijd mee met een schrijver die het juiste moment in de juiste voorstelling wil laten verschijnen. Alleen zo kom je terecht bij een prachtige zin als deze: ‘Zijn oren schoven achter twee plukjes haar naar voren als een doucher die zich achter een gordijn vergewist of hij de deurbel hoort.’ Het belangrijkste punt dat Bouazza maakt, is dat literatuur er voor is om nieuwe beelden op te roepen. En zolang die beelden leren dat er een voorstelling achter de platte werkelijkheid mogelijk is, dat de woorden de dingen kunnen betoveren, is zijn werk het wachten waard. Of dat nu de vijf jaar op zijn volgende werk is, of de ellenlange zin waar je nauwelijks doorheen komt.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven