Flickr / US Army Africa

De toekomst van de Euro

We horen steeds vaker dat we uit de crisis beginnen te komen. Maar welke crisis? De mondiale financiële crisis uit 2008, waarbij alle banken rond de wereld klappen moesten incasseren door de afwaardering van de zogenaamde NINJA (No Income, No Job, No Assets) leningen en andere toxische hypotheken, is grotendeels voorbij. Uit de recente verlaging van het renteniveau naar een historisch lage 0,25% door de ECB blijkt echter dat de Eurocrisis alles behalve opgelost is. Duitsland, Nederland en Oostenrijk stemden tegen deze renteverlaging. De Zuidelijke lidstaten stemden voor. Dit is illustratief voor het verscheurde monetair beleid binnen de Europese Unie.

Wat is een crisis? De meest nauwe definitie stelt dat er sprake moet zijn van een krimpende economie, oftewel een dalend bruto nationaal product (BNP). Aan de hand van deze definitie zou je voorzichtig de conclusie kunnen trekken dat Europa uit de crisis begint te komen. De gemiddelde groei van het BNP in het tweede kwartaal van 2013 was voor het eerst positief (+0,3%). Dit was al niet meer voorgekomen sinds het derde kwartaal van 2011. Het BNP op zichzelf is echter een uiterst naïeve methode om de staat van een economie te beoordelen. Het BNP geeft slechts de monetaire grootte van de economie aan en zegt niets over de structuur van de economie, de concurrentiekracht, verdeling van inkomen en werkloosheid en het maatschappelijk welvaartsniveau. Daarnaast is ook het woord ‘gemiddeld’ erg verraderlijk. De meest zorgelijke staten als Griekenland, Spanje, Italië en Cyprus zijn/zitten nog steeds in (een) recessie. Verder lijdt de bevolking onder de almaar intensievere bezuinigingen en is het consumentenvertrouwen en het vertrouwen in de politiek ellendig laag. Dit zijn echter nog maar de symptomen van het werkelijke probleem.

Het huidige monetaire beleid: one size fits nobody.

De problematiek met de (Zuid-)Europese economieën is veel fundamenteler dan het ontbreken van groei. Met de invoering van de Euro in 2002 zijn de landen impliciet akkoord gegaan met het opgeven van een eigen monetair beleid. Voorheen had elk land zijn eigen centrale bank bevoegd om de geldhoeveelheid en rentevoet te wijzigen. Door het introduceren van een gezamenlijke munteenheid is dit nationale recht overgedragen naar een supranationale instantie: De Europese Centrale Bank (ECB). Voor producenten en consumenten levert dit een aantal voordelen op. Door een gezamenlijke munt neemt de internationale handel toe en daarmee de afzetmarkt voor producenten. De producenten lopen binnen de EU-landen bovendien geen risico door schommelingen van onderlinge wisselkoersen. Als bijvoorbeeld een Nederlandse producent nu een product of dienst levert aan een klant in Duitsland, en betaald krijgt bij oplevering over een jaar, hoeft hij geen producten te kopen op de financiële markten om zich te verzekeren dat hij nog dezelfde hoeveelheid Guldens krijgt voor de betaalde Duitse Marken. De kosten van productie waren immers ook in Guldens. Daarnaast is de Euro als munt door het grote volume stabieler geworden. Voor reizende consumenten neemt het gemak toe en ook is de invoering van de Euro een grote politieke en symbolische overwinning in de Europese integratie.

In de economische wetenschap zijn er een aantal factoren die een muntunie, ook wel monetaire unie genoemd, rechtvaardigen. Een muntunie is een logische keuze wanneer landen onderling veel handel drijven, relatief dicht bij elkaar liggen, beschikken over een vergelijkbaar loon- en prijsniveau en ongeveer even concurrerend zijn. Indien de deelnemende landen niet aan deze eisen voldoen, dan kan men beter kiezen voor een gemeenschappelijke markt. In het geval van de Eurozone zijn de eerste twee factoren aanwezig, maar het is gewoonweg lariekoek dat Griekenland bij de invoering van de Euro de overige factoren gemeen had met Noordelijke landen. Zo had Griekenland een BNP per capita van €15.100 in tegenstelling tot de €30.500 en €26.600 respectievelijk van Nederland en Duitsland. Ondanks ons hogere prijsniveau konden we in Nederland hier 54% meer goederen van kopen (verschil in BNP per Capita gedeeld door prijsniveaus).

De EU kan maar één monetair beleid voeren voor alle Eurolanden.

In tijden van economische voorspoed zijn problemen moeilijk aan te wijzen. In de huidige economische recessie, met een afzwakkende vraag naar producten, is pas echt goed te zien welke prijs we betalen voor een gezamenlijke munt. Wanneer een land met een eigen valuta in recessie komt of internationaal niet meer concurrerend is, lost dit probleem zich namelijk vanzelf op. De vraag naar de producten in dat land neemt af waardoor ook de vraag naar die munt afneemt. Bij daling van de vraag daalt ook de prijs. Hierdoor wordt importeren duurder, maar internationaal gezien worden de producten die binnenlands worden geproduceerd goedkoper en dus aantrekkelijker. De vraag naar producten neemt toe, er komen weer nieuwe banen en de economie herstelt zich.

Het probleem met de huidige situatie is dat dit mechanisme niet meer werkt. De EU kan maar één monetair beleid voeren voor alle Eurolanden. Duitsland heeft een handelsoverschot en heeft baat bij een stijgende Euro, terwijl de Zuid-Europese landen juist een zwakkere Euro nodig hebben. Met als gevolg een monetair beleid dat het beste te karakteriseren is als one size fits nobody. De ECB heeft geprobeerd lenen aantrekkelijker te maken door het renteniveau extreem laag te houden om zo de uitgaven te stimuleren. Schulden maken om meer uit te geven zonder het achterliggende probleem aan te pakken is echter slechts een doekje voor het bloeden. De enige manier om het probleem op te lossen is door structureel geld van landen met een overschot te herverdelen onder de landen met een handelstekort. En gratis geld weggeven ligt nu net politiek erg gevoelig.

Het is goed om te beseffen dat dit probleem niet nieuw is. Vanaf de start van de muntunie waren er al verschillen in handelsoverschotten en -tekorten tussen landen. Dit bleef echter verborgen door de grote betalingen die er in de eerste jaren naar de nieuwe lidstaten gingen en de economische voorspoed tussen 2002 en 2008. Zolang er een verschil in concurrentieniveau is zal dit probleem blijven bestaan. Maar welke mogelijkheden hebben we dan binnen Europa? Wat is er nodig om de Euro bij elkaar te houden en is dit economisch gezien wel verstandig?

Dit artikel is deel 1 van een tweeluik. Lees deel 2 hier.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Edwin Hauwert,

    Op basis van onderstaande zou ik zegen, Noord Europa heeft een competitief voordeel in het beheren van geld en arbeidsproductiviteit wanneer het gaat om kapitaal of technologie(kennis) intensieve banen. Zuid Europa gaat automatisch compenseren en Noord-Europa inreizen om de arbeidsintensieve banen aan te nemen. Met betrekking tot het beheren van geld, zullen zij de schulden(afhankelijkheid) moeten dragen en zal het Noorden 'vrij' zijn en zeggenschap hebben.

    Ricardo (1817) demonstrated that two countries can gains if

    they specialize in the production of goods for which they have

    a comparative advantage. In the Ricardian perspective,

    differences in comparative labour productivity depend on

    differences in production technologies between industries

    and countries.

     

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven