Wikimedia / Agence Rol

De toekomst van de wetenschap: ken het verleden

Begin september zette de nazomer net in, toen donkere wolken zich boven de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) samenpakten. 'Kritiek op NWO zwelt aan' vatte UTnieuws.nl twee opinieartikelen in één week Volkskrant samen. Het ontspoorde, tijd en talent verspillende NWO-beleid van 'neoliberale signatuur' moet worden omgegooid, niet in de laatste plaats omdat de 'inhoudelijke kwaliteit en integriteit' ernstig te wensen over laten. NWO-voorzitter Jos Engelen reageerde diezelfde week nog op deze 'anekdotische kritiek' met 'feiten'. De storm van kritiek op de organisatie is geen unicum in haar geschiedenis en moet begrepen worden als symptoom van de meer structurele onrust die door de wetenschappelijke wereld trekt in tijden van bezuinigingen, fraudegevallen en ophef over publiceerdruk. Wat ontbreekt is een historische blik op wetenschapsorganisatie in Nederland. Contextualisering van de samenhang van wetenschap en maatschappij kan het huidige debat goed gebruiken.

Dit jaar wordt herdacht dat de Eerste Wereldoorlog honderd jaar geleden begon. De oorlog waarin alle grote Westerse naties de dubbelzijdigheid van de moderniteit aan den lijve ondervonden, de tijd waarin zowel wijdverbreide voorspoed als massale destructie mogelijk werden. In de Duitse chemicus Fritz Haber komt dit proteïsche karakter duidelijker dan bij wie dan ook naar voren. In 1918 ontving hij een zeer controversiële Nobelprijs voor de ontdekking van het Haber-Bosch proces. Dit zet stikstof uit de lucht om in ammonia en legde de basis voor de grootschalige productie van zowel kunstmest als dynamiet. Wetenschap biedt een samenleving nieuwe mogelijkheden – maar kan haar ook ernstig schaden.

Het was de Tweede Wereldoorlog die de overheid ervan overtuigde ook een faciliterende rol op te nemen in de ‘zuivere’ wetenschap.

Aan het Kaiser Wilhelm Instituut van Haber werd expliciet fundamenteel onderzoek bedreven met het oog op het belang voor de samenleving. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog duurde het niet lang voor het onderzoek zich daar compleet op de ontwikkeling van gifgassen en gasmaskers richtte. Het was onder anderen Haber zelf die als Kapitän de eerste gifgasbombardementen aan het front overzag. Hoewel dit nieuwe, ongrijpbare wapengebruik alom verguisd werd, volgden andere Europese naties snel met vergelijkbare tactieken. Wat in alle oorlogvoerende landen zich parallel ontwikkelde was de mobilisatie van wetenschap en wetenschappers voor het belang van het vaderland.

Ook Nederland volgde, maar het kwam wat laat op gang. In februari 1918 werd er door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen de ‘Wetenschappelijke Commissie van Advies en Onderzoek in het belang van de Volkswelvaart en de Weerbaarheid’ opgericht onder leiding van fysicus Hendrik Lorentz. Deze commissie moest, net als in andere landen gebeurde, onderzoek doen naar brandstofbesparing en substitutiematerialen van grondstoffen die door de oorlog moeilijk verkrijgbaar waren. Snel liep de oorlog op zijn eind, waarmee de bestaansreden van de commissie verdween. Maar als uitvloeisel van de ambitie toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek in dienst te stellen van de maatschappij, werd uiteindelijk wel in 1932 de ‘Centrale Organisatie voor Toegepaste Natuurwetenschappelijk Onderzoek’ (TNO) opgericht. Hier schemert een scherp onderscheid door tussen zogenaamd ‘zuiver’ en ‘toegepast’ wetenschappelijk onderzoek. Zuiver, universitair, onderzoek gaat van het alledaagse naar het algemene, zo verwoordde bestuurslid en later voorzitter Hugo R. Kruyt, terwijl toegepast onderzoek juist van het algemene naar het alledaagse tracht te bewegen.

Het was de Tweede Wereldoorlog die de overheid ervan overtuigde ook een faciliterende rol op te nemen in de ‘zuivere’ wetenschap. In 1945 werden enkele wetenschappers, onder wie fysisch chemicus Kruyt, bij de minister geroepen om ideeën te spuien over het stimuleren van zuiver wetenschappelijk onderzoek in Nederland, dat in de oorlogsjaren terrein zou hebben verloren. Daarnaast heerste de opvatting dat de versnelde industrialisatie, noodzakelijk voor de wederopbouw, enkel werkelijkheid kon worden door forse investeringen in de wetenschap. Nu waren het Amerikaanse instituten, organisaties en gigantische investeringen in fundamentele wetenschap – die hen de atoombom en de overwinning op Japan gegeven hadden – die indruk maakten op de Nederlandse politiek en wetenschap. Na verschillende commissies, wetsontwerpen en kabinetten zag in 1950 de ‘Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek’ (ZWO) het levenslicht als ‘tegenhanger en aanvulling’ van TNO. Deze twee organisaties vormden samen de optimale benutting van wetenschappelijk onderzoek voor het maatschappelijk belang.

TNO, ZWO en NWO zijn in wezen de belichaming van de relatie tussen maatschappij en wetenschap.

Wat het maatschappelijk belang van wetenschap was en hoe dit het beste gestimuleerd kon worden, stond ook toen al ter discussie. Veel politici  waren gecharmeerd van het idee van ‘science pour la science’. Het waren juist de natuurwetenschappers die wensten te benadrukken dat zuiver wetenschappelijk onderzoek niet alleen een intrinstieke, culturele betekenis had maar op termijn ook in economische en praktische zin van nut zou zijn voor de samenleving. Alle belanghebbenden deelden een groot vertrouwen in de wetenschap als motor van de wederopbouw, wat zich onder de vlaggen van NWO en TNO vertaalde in forse investeringen en wetenschappelijke autonomie. De crises van de jaren ’70 en ’80 deden het budget slinken terwijl sturing door de overheid toenam met een volwaardig wetenschapsbeleid. Aan het eind van de jaren ’80 werd de plaats van ZWO ingenomen door de ‘Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek’ (NWO): deze moest vorm geven aan een nieuwe benadering van de verhouding tussen wetenschap en overheid.

TNO, ZWO en NWO zijn in wezen de belichaming van de relatie tussen maatschappij en wetenschap. De vorm en invulling van deze verhouding zijn sterk ingebed in de tijd: politieke, sociale, economische en culturele factoren bepalen betekenis, belang en budget dat aan de wetenschap verleend wordt. Daarnaast liggen er ook filosofische ideeën over kennis en haar toepassing ten grondslag aan de richting en rationale van wetenschapsorganisatie. Het debat dat zich de laatste jaren rondom NWO en Nederlands wetenschapsbeleid ontspint zou gebaat zijn bij meer aandacht voor deze historische en filosofische context. Discussies over investeringen in wetenschap en de waarde voor de maatschappij kunnen eigenlijk niet ahistorisch gevoerd worden. Uiteindelijk zal een politieke vraag centraal moeten komen te staan: welke plaats willen wij in de toekomst voor de wetenschap in de samenleving? Terugkerend naar de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, geef ik Max Weber het woord, die Tolstoj aanhaalt: “Ze [wetenschap] is zinloos omdat ze op de enige vraag die voor ons van belang is, namelijk ‘Wat moeten wij doen?’, ‘Hoe moeten wij leven?’, geen antwoord geeft.”

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven