Wikimedia Commons / Moskee Atjeh

In de Transvaal spreken wij Nederlands

"We hebben nog niemand die Arabisch spreekt" breng ik voorzichtig in. "Moet dat dan?" sneert de roodharige dame. We zitten in een zaaltje van het buurthuis met een stuk of twintig bewoners bij elkaar en zoals regelmatig gebeurt, komt het onderwerp van gesprek op de participatie van de Marokkanen en Turken in de wijk. Gewapend met een flip-over, stiften en kleurige post-its proberen we met deze enthousiaste groep bewoners iets te bedenken om de buurt te informeren over de vele activiteiten die hier plaatsvinden. Alle leeftijden en vrijwel alle straten zijn vertegenwoordigd, maar "de hoofddoekjes" zijn absent.

Een van de oudere deelnemers weet wel hoe dat komt. "Laatst was er een bijeenkomst over veiligheid, en dan staan alle mannen om half 9 op, die moeten dan naar de moskee. En de vrouwen mogen sowieso het huis niet uit." In onvervalst plat Amsterdams vervolgt hij zijn verhaal: "maar ik heb het aan de imam gevraagd, en ze mogen best een keertje weg blijven hoor." Anderen drukken zich voorzichtiger uit en willen graag activiteiten organiseren waarbij iedereen zich welkom voelt, van jong tot oud, van arm tot rijk, van Limburger tot Irakees. Waar iedereen het over eens is, is dat de participatie van allochtonen in de wijk een probleem is. We kunnen van alles organiseren, maar het lukt ons niet hen te bereiken. Ze moeten participeren.

“Allochtoon” is allang niet meer synoniem voor “immigrant”

Maar wat verwachten we eigenlijk van die participatie? Mark Rutte verdedigde de "In Rotterdam spreken we Nederlands"-poster met het argument dat het leren van de Nederlandse taal de eerste stap is op weg naar participatie. De agressieve retoriek van de poster even daargelaten - heeft Rutte een punt met zijn nadruk op het leren van de taal en de noodzaak tot participeren? Wat verwachten we eigenlijk van participerende Nederlanders?

Hier stuiten we op een aantal dubbele standaarden. Want “allochtoon” is al lang niet meer synoniem voor “immigrant”. “De allochtoon” is tegenwoordig een makkelijke short-cut voor “de Marokkaan,” “de Turk,” of “de Somaliër”, kortom: iedereen die geen wit of geel kleurtje heeft. Wanneer ik opmerk dat mijn (blanke) vriendin ook een allochtoon is, wordt er meestal gegrinnikt: “haha ja, dat is ook zo.” De storm #bornhere selfies van Marokkaanse Nederlanders wijst precies op deze discrepantie: of je nu eerste-, tweede-, of derde-generatie Marokkaan bent, de stempel “allochtoon” raak je niet meer kwijt. Je ziet er anders uit en zult daarom altijd een vreemdeling blijven.

En alleen van vreemdelingen wordt verwacht dat ze zich aanpassen, dat ze de taal leren, dat ze par-ti-ci-pe-ren. Waar van Turken en Marokkanen verwacht wordt dat ze na een paar jaar vloeiend Nederlands spreken, wordt de Amerikaan die drie woorden Nederlands spreekt begroet met uitgebreide complimentjes. Een groep blanke immigranten heet een “international community”, zijn bruine tegenhanger een groep die niet participeert.

Terug naar de Transvaal. Wat willen we precies in deze multiculturele wijk? We willen onze buren leren kennen, we willen iedereen erbij betrekken, we willen mensen ontmoeten. Maar hoe bereiken we de allochtonen? “Blijkbaar moeten we toch echt naar hen toe gaan,” zucht Huug, een 60-jarige cultureel ondernemer: “foldertjes neerleggen in de koffiehuizen en in de moskee, dat soort dingen.” “Nou zo’n koffiehuis ga ik echt niet in hoor,” roept iemand. “Maar wie heeft er contacten met de moskee?” Het blijft akelig stil. “Nou, een jaar geleden hebben we wel contact gehad, en hebben we al hun activiteiten opgenomen in onze kalender. Ja, want ze hebben best veel hoor: taallessen, computerlessen, kinderactiviteiten, theekransjes voor de vrouwen, dat soort dingen.”

Blijkbaar is wat ‘wij’ willen van allochtonen, niet alleen dat ze meedoen, maar vooral dat ze net als wij meedoen. Activiteiten organiseren vanuit de moskee is niet genoeg. We willen dat zij net als wij gezellig nippend aan ons glaasje wijn langs de kraampjes van het buurtfeest slenteren. We willen dat zij in onze café’s komen, dat ze onze taal spreken, dat we gezellig samen bladeren harken in het biologische buurttuintje. Misschien is het maar goed dat Wilders het allemaal zo expliciet heeft gemaakt. Borrelend racisme los je niet op met een suikerlaagje multicultureel ontmoeten.

De angst voor vreemdelingen weegt blijkbaar mee in de verwachtingen die we van hen hebben.

Begrijp me niet verkeerd, ik geloof niet dat we op dit moment allemaal als “one big happy family” samenleven. Verre van dat. Maar als we daar een begin mee willen maken, moeten we open zijn over onze eigen verwachtingen en onze (racistische) dubbele standaarden. Ook al schaam ik me voor mijn neiging om significant vaker naar de portemonnee in mijn zak te grijpen in de buurt van donkere mensen, wordt het tijd dat we eerlijk zijn over deze reflexen. De angst voor vreemdelingen weegt blijkbaar mee in de verwachtingen die we van hen hebben. Alles met de mantel der multicultiliefde bedekken is desastreus.

Pas als we die mantel afgooien, zien we dat onze participatie-eisen fundamenteel gekleurd zijn. Belangrijker nog: pas dan kunnen we zien waar onwenselijke culturele segregatie verschilt van “normale” segregatie. Normale segregatie is namelijk iets van alle tijden en van alle klassen. Er zijn nu eenmaal hipster café’s en echte bruine café’s en daar is niets mis mee. Waar ligt dan precies het verschil tussen deze segregatie en die tussen autochtonen en allochtonen? Omdat onze dubbele standaarden onbenoemd blijven, kunnen we dit verschil niet duidelijk meer zien. Pas als we open zijn over onze eigen rol in het participeervraagstuk, kunnen we echt mensen ontmoeten in de Transvaal.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven