Flickr / THOR

De tuinboon

Ieder jaar zet ik tuinbonen in mijn moestuin. Voordat ik ze zaai, laat ik ze een dag en een nacht weken. Dan zuigen ze zich vol en worden zachter. Sommige bonen barsten open, die kun je niet meer gebruiken. De goeie druk ik in de aarde, op een beschutte plek. Dan kiemen ze en na twee weken verschijnt er een rozetje groene blaadjes. Donkergroen en vlezig, het tegenovergestelde van bijvoorbeeld een net gekiemde wortel. Die is zo teer en bijna doorzichtig, dat je met je oor op de grond moet liggen om te zien of hij er echt is. Om een tuinboon kun je niet heen. Als een plantje dat eigenlijk al af is, komt hij ineens uit zijn bruine huls.

Om een tuinboon kun je niet heen

Dit jaar was ik laat met mijn tuinbonen. Het weer zat niet mee en eerder weken en zaaien had daarom geen zin. Halverwege maart kon ik eindelijk aan de slag, toen viel me nog niets op. In de keuken pakte ik van een plank de pot die ik daar elk jaar voor gebruik. De zak met bonen stond al klaar op het aanrecht, ik knipte hem open en stak mijn hand erin. De zaden waren glad en embryovormig. Droog rammelend gleden ze in de pot. De helft was meer dan genoeg, de rest van de pot vulde ik met water. Daar lagen ze, op de bodem, bruine zaden met af en toe een belletje lucht ertussen. Sommige waren gerimpeld. Ze waren vreemd groot, het ronde glas en het water werkte als een loep. Zacht schudde ik de pot en roerde er met mijn vinger in. Koud water. Ik zette hem weg, droogde mijn vinger af en liep naar de kamer. Morgen zou ik ze zaaien.

Na het eten stond ik weer in de keuken en deed de afwas. Er was niets om aan te denken. Ik zette het laatste bord in het afdruiprek en hoorde een zachte piep. Even dacht ik aan mijn kat, maar die kon het niet zijn, die was al zeker vijf jaar dood. Misschien waren het muizen. Geërgerd keek ik om me heen, zoekend naar kieren en gaten. Uitgesloten, er was weinig eetbaars te vinden in mijn keuken. De stilte die volgde wilde doorbroken worden door mijn stem, een zin, iets, maar ik zweeg, stond met mijn handen op het aanrecht en twijfelde of ik een glas jenever in zou schenken. En daar klonk het geluid weer, dezelfde piep sneed door de ruimte. Als een nachtdier liet ik mijn ogen langs alle kasten, hoeken en rommel glijden. De gebroken witte tegels met de bruine stippen, de blauwe theedoek naast de bruine ovenwanten, de koffiemolen aan de muur, met de weegschaal ernaast en de schone vaat op het aanrecht. De kou van de vloer trok door mijn pantoffels naar mijn voeten. Ik liep naar de tuindeur en trok met een ruk het gordijn dicht. Er was hier sinds vanmiddag maar één ding veranderd. Ik draaide me om en keek naar de pot met bonen die op de plank stond. Weer die piep, en nu zag ik dat het geluid gepaard ging met een stroom kleine belletjes. Bloed suisde in mijn oren. In één stap was ik bij de pot, pakte hem met twee handen beet en bracht hem voorzichtig naar mijn oor. Dezelfde piep, maar nu dichterbij. Met een klap zette ik hem op het aanrecht en keek ernaar. Ik woonde te lang alleen.

Mijn buurvrouw had me vorige week verteld dat haar kat was weggelopen. Dat verschoten oranje beest met een hap uit zijn oor, ik had hem vaak genoeg kwijlend in haar vensterbank zien liggen. Al pratend had ze een stap in mijn richting gezet en nu stond ze zo dichtbij dat ik de fijne tekening van haar oorschelpen kon zien. Klein waren ze. Ik verzekerde haar ervan dat ik naar hem uit zou kijken en om het daar niet bij te laten, het klonk wat mager, voegde ik eraan toe dat hij vast snel weer zou opduiken. Ze had zacht geantwoord dat ze het echt hoopte en terwijl ze dat zei, had ze haar hand op mijn onderarm gelegd.

Ik woonde te lang alleen

Ik keek naar de pot terwijl ik over mijn arm wreef. De stilte van het huis werd af en toe doorbroken door de piep. Dat moest stoppen, gek worden hoefde niet meer op mijn leeftijd en in één beweging viste ik het ding eruit. Hij voelde heel gewoon. Koud en een beetje geribbeld. Een boon. In mijn open palm lag hij en er was helemaal niets ongewoons aan te zien, bovendien bleef het erg stil. Overduidelijk. Het was het water geweest. Daarom piepte de boon. Toch nam ik hem mee naar de woonkamer en trok ook hier de gordijnen met een ruk dicht. De schemerlamp verspreidde geel licht rond mij en de stoel. De boon hield ik tussen duim en wijsvinger en legde hem op mijn broek. Het vocht maakte een donkere plek in de ribstof. Misschien moest ik iemand bellen of een foto maken. Het bleef stil. Ik liep te hard van stapel. Er was niets dat knelde, toch strekte mijn andere hand zich met de vingers wijd gespreid. Op dat moment klonk er zacht geslis.

‘Je hebt het wel goed gehoord’, lispelde de boon.
Het had niet hard geklonken, maar ik verbeeldde het me niet.
‘Wat?’ Fluisterde ik terug, met een ongewoon hoge stem. Ik schraapte mijn keel. ‘Wat zeg je?’ Ik ging wat rechter zitten
‘Je moet beter voor jezelf zorgen!’ Weer dat lispelende stemmetje.
Ik fronste.
‘Ik weet niet...’, begon ik, maar de boon onderbrak me.
‘Ja, en die buurvrouw, hoe zit het daarmee?’
Ik knipperde met mijn ogen.
‘En vergeet je de kapucijners niet?’
Wat een bemoeizucht, ik zette me schrap, pakte de boon en liep met grote passen naar de keuken. In het donker vond ik de pot, pakte hem en deed de boon erin. Een zachte plons.

Natuurlijk was ik het niet vergeten, de volgende ochtend. Het gepiep had zich als een terugkerend motief door mijn dromen gevlochten, maar bij het wakker worden had ik als altijd naar mijn gesloten gordijnen gekeken die vaal ochtendlicht door lieten. Het was nog steeds droog, goed weer om te zaaien. Buiten deed iemand zijn balkondeur hardhandig open. In huis was het stil. Gisteren had ik het zaaibed al gemaakt.

Op de trap besloot ik vandaag alle bonen te zaaien, dan was het daarmee klaar. Maar nog voor ik de keukendeur opende, hoorde ik het al. Staand aan het aanrecht at ik luidruchtig kauwend een boterham met kaas, het gepiep naar de periferie van mijn gehoor verdringend. Mijn kaken maalden, snel dronk ik er een slok melk achteraan. Ik klopte wat kruimels van mijn trui en wierp toen een blik op de pot. Kleine belletjes kringelden omhoog, steeds voorafgegaan door die langgerekte piep. Zuchtend pakte ik de pot en liep naar de schuur. Morrelend aan het slot van de schuurdeur, hoorde ik voetstappen op mijn tuinpad. Het gepiep verstomde en ik draaide me gehaast om. Daar stond de buurvrouw, leunend op één been, lichte blosjes op haar wangen.

Het gepiep had zich als een terugkerend motief door mijn dromen gevlochten

‘Dag, goedemorgen, ga je zaaien?’ Haar ogen wezen richting de pot die ik even op de grond had gezet.
Ik knikte en veegde een ingebeelde vieze hand af aan mijn broek.
‘Tuinbonen. Het is er eindelijk goed weer voor.’ Ik keek naar boven, iets wat ik als kind vaak deed maar waar je als volwassene eigenlijk niet meer mee wegkwam.
‘Verse tuinbonen, er zijn maar weinig dingen lekkerder.’ Haar zachte stem zong door de lucht en haar blik bleef op mij hangen.
‘Misschien heb je daarna wel zin in koffie?’ Ze friemelde aan de schort die ze om had. Ik keek naar de individuele vingers met de korte nagels waar zich toch wat aarde onder had verzameld, en voelde me warm worden.
‘Dat lijkt me gezellig buurvrouw’, antwoordde ik terwijl ik met hernieuwde gedrevenheid de onwillige sleutel in het slot bleef wrikken.

Ze deed twee stappen naar achteren, maar ik bleef haar blik op mijn rug voelen. Een zachte piep steeg op van beneden, ik kromp ineen en keek vluchtig naar de pot, maar de buurvrouw bleef stralend mijn richting op kijken. Eindelijk gaf de deur mee, met een droog geluid sloeg hij naar binnen open. Ik draaide me om.
‘Tot straks dan!’
Ze knikte en glimlachte.

Binnen had zich vochtige lucht opgehoopt, met een koude hand greep ik naar mijn nek. Klimop had het enige raam overwoekerd. In het donker pakte ik een hark, liep naar buiten, schudde mijn hoofd, liep weer naar binnen, zette de hark neer, rolde een eindje touw op, liep naar buiten en pakte de pot met de bonen van de grond. Lichtpuntjes knetterden voor mijn ogen. Wat een chaos, misschien moest ik inderdaad beter op mezelf letten. Vanochtend had ik een boterham minder gegeten dan normaal. Ik zette de pot weer neer, liep naar binnen en pakte een handhakje en kniebeschermers. Maar dit jaar zou ik erwten doen in plaats van kapucijners. De buurvrouw had geen tijd genoemd. Onderwerpen. Waar konden we straks over praten? Normaal spraken we over tuinkwesties zoals aardappelmoeheid, knolvoet en wortelvlieg. De piep vermengde zich met het gekwetter van de vogels. Ze leken met veel te zijn, niet eerder waren ze me opgevallen maar nu was ik ze dankbaar. Mensen, zoals mijn vader, stopten op zeker moment met tuinbonen. Je moest ze op tijd toppen, anders werd het een gore, plakkerige luizenbende.

Ik bond de kniebeschermers om en stelde me voor hoe de piep-boon onder de grond door zou blijven gaan met piepen. Er zou een piepend plantje uit groeien, die een veelvoud aan bloemetjes zou krijgen, die allemaal piepten, in koor, wuivend in de wind. En af en toe zou het gepiep onderbroken worden door zinnen als, ‘meer je best doen!’, of, ‘veel te vroeg om aardappels te poten!’ Ik stelde me voor dat alle andere bonenplanten bedekt zouden raken met een dikke laag plakkerige zwarte luizen, de toppen doorbuigend onder het gewicht. Uitgemergelde, doffe planten, behalve de piepende. Die zou er geweldig mooi uitzien. Het geteisterde gewas zou ik moeten rooien, in gedachte triomfantelijk gadegeslagen door mijn vader. Maar die ene plant, die piepende, die had dikke, vlezige bladeren met glanzende peulen, onaangetast door de luizen, geen bruine roestplekken, maar het gezwollen groen egaal van kleur en zacht als een piepkuiken. In zijn eentje zou hij fier op het zaaibed staan, geschoffelde grond aan zijn voeten. En natuurlijk piepten zijn bonen ook, niet heel hard, maar net hoorbaar. En dan zou de buurvrouw eindelijk komen eten, dat had ik haar dan gevraagd. Ik zou tuinbonen uit eigen tuin maken, gestoofd in wat roomboter met een beetje bonenkruid, twee slavinkjes erbij en gebakken aardappeltjes. Misschien zou ik zelfs een fles wijn opentrekken, iets nieuws aandoen. En die ochtend, als ik de bonen wilde gaan plukken, zou ik tot de conclusie komen dat ik het niet kon. Piepende bonen van de plant afdraaien. Piepende bonen doppen. Bovendien zou ik ze niet zomaar in de gesmolten, warme roomboter kunnen laten glijden. Aanzien hoe ze al piepend langzaam donkerder groen zouden verkleuren. En dan op het bord piepten ze nog steeds. De buurvrouw zou haar vork zonder reserve in zo’n boontje planten en gespietst zou hij klagelijk piepend in haar mond verdwijnen.

Mensen, zoals mijn vader, stopten op zeker moment met tuinbonen

Absurd, zoiets kon helemaal niet. Ik strekte mijn rug en keek naar de pot. Een paar huizen verderop hadden ze varkens. Ongezien zou ik ze het boontje kunnen voeren. Hun kaken zouden malen, tevreden knorrend zouden ze er korte metten mee maken. Piepend en knorrend ten onder, ik grinnikte ondanks de benarde situatie. Maar zo’n beest kon hem ook in één keer doorslikken. Dan zou de boon in zijn geheel in een perfect hoopje mest naar de mesthoop verdwijnen. Hij zou daar alsnog ontkiemen en dan waren de gevolgen niet te overzien. Dat kon ik niet laten gebeuren.

Ik pakte de boon uit de pot, wierp er nog een laatste blik op en stak hem toen in mijn mond. Mijn tong gleed langs het slijmerige vocht en duwde de boon richting mijn kiezen. Verbaasd merkte ik hoe makkelijk mijn kaken door de schil heen braken. De inhoud was gruwelijk wrang en terwijl ik bleef kauwen met een vertrokken gezicht, neuriede ik een oud liedje dat mijn vader vroeger altijd zong als ik hem hielp met bonen leggen.

Het werd stil op de tuin, ook de vogels leken te pauzeren. Langzaam slikte ik alle brokjes bittere, harde boon door en werd het ook in mij steeds stiller. Met mijn tong pulkte ik een laatste stukje tussen mijn tanden en slikte. Heel langzaam kwam al het geluid weer terug. Ik wreef over mijn oren, pakte de pot en liet me op mijn knieën zakken. Met een gestrekte vinger duwde ik de bonen een voor een in de zachte aarde.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven