Wikimedia Commons

De universiteit als klassensamenleving

Momenteel voltrekt zich een opvallende verandering in de microsamenleving van de universiteit. De universiteit, ooit gesticht voor alleen de heersende burgerlijke klasse, maakt nu zelf klassenonderscheid in de academie. Dit onderscheid is zichtbaar bij de protesten van de Humanities Rally, de actiegroep tegen de reorganisatie aan de geesteswetenschappenfaculteit van de UvA. Studenten en docenten van verschillende disciplines treden op als één tegen het universiteitsbestuur. Deze eensgezindheid is echter ontstaan doordat het universiteitsbestuur studenten tot homogene massa reduceert en de intrinsieke waarden en verschillen van vakgebieden ontkent.

Studenten en docenten van verschillende disciplines treden op als één tegen het universiteitsbestuur.

In de negentiende eeuw werd de universiteit gesticht om ‘das Bildungsbürgertum’, de burgerlijke wil tot universele kennis, te verwezenlijken. Decennialang waren het de universele claims van de geesteswetenschappen die de positie van de heersende klassen konden rechtvaardigen. Idealen als onderwijs, mensenrechten en toegankelijkheid van cultuur kennen allemaal een oorsprong in dit negentiende eeuwse Bildungsdenken. Dat dergelijke beleidskeuzes een problematische ideologie met zich mee kunnen brengen mag duidelijk zijn; wát er in de geschiedenislessen wordt onderwezen is niet noodzakelijkerwijs de enige waarheid, maar wat ons als waarheid wordt aangeleerd. De geesteswetenschapper vond daarom ook een kritische rol voor zichzelf, waarin de maatschappelijk geldende waarheden binnenstebuiten worden gekeerd. Vandaag de dag worden beleidskeuzes op de universiteit niet meer vanuit een Bildungsideaal gemaakt, maar op economische gronden. Het belang van de geesteswetenschappen, of we dat nu in een Bildungsideaal zoeken of in een ideologiekritische functie, staat daarmee onder spanning. Steeds meer voert de universiteit een beleid dat geen ideologische motieven kent, maar vooral bepaalde budgettaire doelen moet waarmaken. Opleidingen worden wegbezuinigd omdat ze te duur worden bevonden, niet omdat die opleidingen inhoudelijk overbodig zijn. De geesteswetenschapper kan daarom niet op inhoudelijke gronden het gemaakte beleid bekritiseren, aangezien die keuzes alleen economisch gerechtvaardigd zijn. Maar juist deze economische rechtvaardiging maakt een andere vorm van verzet mogelijk.

In economische productiesectoren is al eeuwen sprake van een tegenstelling tussen enerzijds een bezittende klasse en anderzijds een arbeidende klasse. Voor de bezittende klasse telt alleen het economische resultaat van het productieproces, terwijl het produceren zelf voor de arbeider ook intrinsieke eigenschappen telt die niet tot financiële parameters zijn te reduceren. Met de vermarkting van het hoger onderwijs hebben ook de bestuurlijke lagen van de universiteit zich losgeweekt van de praktijk waar hun instituut zich op richt. Voor de bestuurder telt alleen een zo efficiënt mogelijke huishouding van onderwijs en onderzoek en niet de inhoudelijke merites daarvan. Onderzoek en opleiding zijn succesvol als zij studenten zo snel mogelijk laten afstuderen en onderzoekers als zij zo veel mogelijk financiële stromen weten aan te trekken. In deze wijze van besturen worden echter niet alleen de ‘verdiensten’ van de wetenschap, maar vooral ook de enorme diversiteit van de wetenschappelijke onderneming stelselmatig over het hoofd gezien. Nog schrijnender is dat financiering van discoursoverschrijdend onderzoek onmogelijk wordt; alleen projecten die beantwoorden aan bestaande beleidsdoelen kunnen worden gefinancieerd, onafhankelijk onderzoek dat zou kunnen leiden tot een alternatieve denkwijze krijgt geen plaats meer. De recente plannen van het faculteitsbestuur van de geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam, maar ook de Wetenschapsvisie van het Ministerie van Onderwijs zijn hier voorbeelden van.

         Studenten en docenten profileerden zich eensgezind als één klasse omdat zij als homogene massa worden bestuurd

Door het doorgevoerde marktdenken van universiteitsbesturen kon ook binnen universiteit een klassenantagonisme ontstaan. Doordat studenten en medewerkers tot financiële parameters worden gereduceerd, zijn zij vanuit bestuurlijk oogpunt een vervangbare en homogene massa. Afgelopen maanden is bekend geworden hoe de UvA op basis van financiële doelstellingen de geesteswetenschappen wil omvormen. Studenten en docenten, normaliter opgesloten binnen hun eigen discipline, zagen echter in dat zij niet alleen geschaad worden in hun individuele projecten, maar dat de financiële kaders van het universiteitsbeleid de continuïteit van onderwijs en onderzoek in het algemeen in gevaar brengt. Zij konden zich profileren als eensgezinde groep, één klasse, precies omdat zij als homogene massa bestuurd worden. Door de geesteswetenschappen als zodanig te beschouwen heeft het efficiencydenken van het universiteitsbestuur een klasse van academici gecreëerd, een klasse die bereid is tot verzet. Onder de naam Humanities Rally protesteerden zij tegen het beleid van de bestuurlijke klasse van de UvA.

Hoewel Humanities Rally de eerste plannen van tafel heeft gekregen, lijken de voorstellen hoe dan ook doorgevoerd te worden. Onduidelijk is dus of een dergelijke ‘klassenbeweging’ de ondoordachte vermarkting van de universiteit kan voorkomen. Tegelijkertijd zijn studenten en universiteitsstaf bewust geworden van de wijze waarop de universiteit bestuurd wordt en verhouden zij zich hier nu kritisch tegenover. Voor zover dit geen hoop biedt tot het stopzetten van de vermarkting van onderwijs en onderzoek, stemt de vorming van breed gedragen maatschappelijke ideeën en een kritische houding ten aanzien van het geneoliberaliseerde publieke domein optimistisch.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven