Flickr / Studio Roosegaarde

De verschrikkelijke onverschilligheid van Verlichters

‘Wat vind je daar nou van?’ vroeg Zomergastenpresentator Wilfried de Jong meermaals aan zijn gast, de designer Daan Roosegaarde. Behalve ‘gaaf’ vond de ontwerper niet zo veel, althans niet op moreel gebied. Kan dat? Kun je als designer naar believen afstand doen van moraliteit, van de consequenties van technologie, van de gevolgen die je werk heeft op het functioneren van de wereld?

Ja, sterker zelfs: als kunstenaar, als techneut kun je juist niet anders dan moreel géén stelling te nemen. Waardevrij zijn is een van de belangrijkste adagia als het gaat om het kunnen maken, om grenzen opzoeken, om taboes doorbreken. Als een kunstenaar zich gaat bezig houden met de moraal, dan wordt hij belet in het kunnen maken. Zelfs een maatschappelijk verantwoord designer als Roosegaarde, die geen stoelen en tafels ontwerpt, maar onder andere slimme snelwegen, houdt zich niet bezig met moraliteit. Wel met het opnieuw vormgeven van een nieuwe en beoogd betere wereld, maar voor een designer is ‘kunnen’ veel belangrijker dan ‘moeten willen’.

In Zomergasten liet Roosegaarde een fragment zien van lichtgevende kwallen. ‘Kunnen we deze lichtgevende eigenschappen toepassen op andere dieren?’, vraagt De Jong. Een domme vraag volgens Roosegaarde. We kunnen het ‘natuurlijk’ toepassen op alle dieren, ook op mensen, ‘maar’, zo zegt de designer in een bijzin: ‘dat mag niet in Europa’. Deze bijzin beschrijft precies dat moraliteit een andere wereld voor designers is.

Waardevrij zijn is een van de belangrijkste adagia als het gaat om het kunnen maken, om grenzen opzoeken, om taboes doorbreken.

Kunstenaars zijn net als wetenschappers verlichtingsdenkers, en geen romantici. Dit zorgt ontegenzeggelijk voor verwarring. Het zijn geen ‘mooimakers’, maar ‘grenzenopzoekers’. Kijk naar hoe wetenschappers handelen en denken. Zij hebben ook een amorele houding; ze moeten wel amoreel zijn om te kunnen ontdekken dat je een muis zo kan manipuleren dat zijn vacht lichtgevend wordt. Of om te ontdekken dat de aarde om de zon draait en niet andersom. Het gaat er bij deze ontwikkelingen niet om of het past in ons huidige denken van correct en wenselijk, het gaat om het doorbreken van het bekende, op zoek naar de waarheid. Er iets van vinden, anders dan het ‘wow, gaaf’ vinden dat we het kunnen maken, is voor de techneut en de wetenschapper niet relevant. Dit moet hij dus ook niet doen, het kan alleen maar in de weg zitten.

Het wordt alleen wel spannend wanneer we de moraliteit laten voor wat het is, en gaan kijken naar hoe de spelregels onder druk komen te staan. Dus om niet te kijken naar wat correct is, maar naar wat mag. Want wanneer er voor de nieuwe situatie, ontstaan door nieuw ontwerp, nog geen wetten zijn, of in ieder geval geen volledig toereikende wetten, hoe behandelen we dan deze nieuwe wereld? We zitten middenin een technologische revolutie, maar juridisch lopen we gigantisch achter de feiten aan. Het is jammer dat De Jong en Roosegaarde dit urgente probleem niet bespraken in het drie uur durende interview.

Neem drones. Over of we de onbemande vliegtuigjes moeten willen, woedt een hevige discussie. Die discussie laat ik nu voor wat zij is, maar het is wel een relevante en interessante kwestie, omdat het aantoont dat we niet goed om kunnen gaan met deze nieuwe technologie. En als we vooruit kijken, zien we vele mogelijkheden, bijvoorbeeld in human enhancement; we weten genoeg van biologie, neurologie, programmeren, robotica en materialen om het menselijk lichaam te hacken en het opnieuw naar wens vorm te geven. Om vechtrobots te maken, om pakken te maken zodat soldaten tegen muren op kunnen klimmen, enzovoort. Mag dit allemaal? Dat weten we niet, sterker, het is zelfs onduidelijk onder welke wetgeving deze hybride soldaten moeten vallen. Voor de wetenschappers en ontwerpers van het Spidermanpak maakt dit niet uit, zij willen iets nieuws maken, zij willen iemand een muur op laten klimmen.

Ook miljoenenbusiness sport wordt door modern design en human enhancement in grote problemen gebracht. Een voorbeeld: als een voetballer zijn enkelband afscheurt, dan mag een arts er een nieuwe in zetten. Maar stel, er wordt een synthetische enkelband ontworpen waardoor je harder kunt rennen – als een inwendige klapschaats – mag zijn blessurevrije teamgenoot dan cosmetisch die enkelband in laten zetten? En als het niet mag, hoe ga je dit handhaven? Deze nieuwe vorm van doping kan alles hoe we denken over sport aan het wankelen brengen. Want waar zit het verschil tussen materiaal als een klapschaats en ‘inwending materiaal’ als de hierboven geschetste enkelband? Allemaal relevante vragen voor regelmakers, maar niet voor de ontwerpers, zij willen ‘alleen maar’ iemand met behulp van een nieuwe enkel een wereldrecord laten rennen.

We zitten middenin een technologische revolutie, maar juridisch lopen we gigantisch achter de feiten aan.

Los van of we iets te willen hebben over de hierboven geschetste vergezichten is het maar de vraag of we wel kunnen inschatten of we het willen. We wilden, zo liet Roosegaarde zien middels een fragment, veertien jaar geleden ook geen mobiele telefoons. Nu loopt iedereen met de hele wereld in zijn broekzak. Wetenschappers en kunstenaars bieden ons nieuwe werelden, terwijl wij alleen maar kunnen verlangen naar wat we al kennen. Het nieuwe is eng voor de behouden mens, en het is taak van de politiek om de roekeloze Verlichters moreel en wettelijk in te kaderen.

Het probleem is alleen dat het huidige wetgevende systeem te langzaam is voor de snelle uitvinders. De technologische ontwikkelingen gaan te snel voor de wetgever, en dat zal niet snel anders worden. De designer en de wetenschapper zal zich ook niet gaan bezighouden met moraliteit, en dat mogen we ook niet van ze vragen; het is immers niet aan hen – amoreel zijn is een voorwaarde voor scheppen. Ondertussen is de wetgever een generaal die de vorige oorlog aan het vechten is. En ze kan ook niet anders, maar in een wereld die zo snel verandert, is de huidige vorm van wetgeving ontoereikend en daarmee zelfs – hoe ironisch – achterhaald.

Hoe het anders moet, ik weet het niet, misschien kan een designer zich daarover buigen en voor ons een nieuw systeem ontwerpen?

Gerelateerde artikelen
Reacties
3 Reacties
  • Shannon Spruit,

    Ko, ik vind dat je nogal wat aannames doet over de morele gevoelens en motivaties van wetenschappers, techneuten en kunstenaars. Ten eerste denk ik dat er nogal wat verschillen zitten tussen deze verschillende 'scheppende beroepen'; uit eigen ervaring weet ik dat veel wetenschappers en ingenieurs bezig zij met het creeren van een betere wereld (dat schrijf je ook boven), hen amoreel noemen lijkt me dus niet gepast.

    Ik ben het wel met je eens dat we moeite hebben met het inschatten wat we willen, maar denk niet dat de afwezigheid van een wettelijk kader het voornaamste probleem is. Natuurlijk is het jammer dat we geen wetten hebben, maar het is veel erger dat we geen democratisch debat hebben over wat we willen dat de wetenschappers en ingeneurs voor ons doen/welke wereld zij voor ons moeten creeeren (kunstenaars even daargelaten).

  • Joost de Bont,

    Naar mijn idee ben je ook erg kort door de bocht hier Ko, ik kan zo een hele rits met voorbeelden van wetenschappers, ingenieurs, ontwerpers en kunstenaars geven die maatschappelijk betrokken zijn en een morele inslag in hun werk hebben. Sterker nog er zijn steeds meer ontwerpers die ervan bewust zijn dat hun ontwerpen maatschappelijke impact hebben en daar op sturen.

  • Ko, ik denk niet dat de noodzaak om buiten gebaande paden te treden, om innovatief te kunnen zijn, je ontslaat  van  alle verantwoordelijkheid. Als je mensen geen mobieltjes willen, dan kan het zeker waardevol zijn om ze er van proberen te overtuigen ze wel te willen. Maar juist omdat je denkt dat ze voldoen aan een behoefte die mensen hebben. Of is dat niet wat kunstenaars en uitvinders drijft? Zelfs de grenzen willen opzoeken lijkt in jouw betoog soms zelfs een waarde op zichzelf te zijn, moeten kunstenaars zich daar dan ook van ontdoen? Zo ja, wat blijft er dan over?

    Blijkt dat innovaties of kunstwerken juist het tegenovergestelde teweeg brengen dan het vervullen van een (nog niet ontdekte) behoefte, dan is dat zeker toe te rekenen aan degene die beweerde dat ze goed waren. Innovatieve kunst of techniek in het publieke domein brengen lijkt me juist een morele daad bij uitstek, juist omdat het getuigt van een innovatieve moraliteit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven