Flickr / Tyler Merbler

De wijsheid van David Foster Wallace

Infinite JestDavid Foster Wallace1996
Brief Interviews With Hideous MenDavid Foster Wallace1999
This Is WaterDavid Foster Wallace2009

Buiten enkele intellectuele kringen, zoals faculteiten Engels en overijverige lezers, is het slecht gesteld met de bekendheid van David Foster Wallace (1962-2008). Men kent hem meestal vanwege Infinite Jest – een berucht boek dat zijn status meer te danken heeft aan de gelijkenis met een baksteen dan aan de inhoud. Het zou een onleesbare pil van een onleesbare schrijver zijn. Dat deze mening de overhand heeft is erg jammer, want het boek biedt een meesterlijk portret van het moderne leven: mensen sluiten zich af voor de buitenwereld en, zonder dat iemand het in de gaten heeft, geven ze zich volledig over aan hun verslavingen: van televisie tot alcohol en van wiet tot Toblerone. Daarom dus de hoogste tijd voor een antwoord op de vraag waarom David Foster Wallace en Infinite Jest de tijd en moeite (ook de uwe!) waard zijn.

Toegegeven, de omvang van Infinite Jest liegt er niet om. Met 1079 pagina’s weet het waarschijnlijk zelfs de meest ijverige lezers een tijdje bezig te houden. De chronologie van de plot is bovendien verhaspeld, en daarnaast bevat het boek honderden voetnoten en zo mogelijk nog meer personages. Dit alles zorgt voor een nogal imposant geheel, en in het begin is de vorm inderdaad wat onwennig.

De meeste boeken zijn een soort rondleiding. De auteur heeft een wereld bij elkaar verzonnen en neemt de lezer bij de hand om deze aan hem te tonen.

De meeste boeken zijn namelijk een soort rondleiding. De auteur heeft een wereld bij elkaar verzonnen en neemt de lezer bij de hand om deze aan hem te tonen. De personages en gebeurtenissen ontvouwen zich langs een duidelijk uitgestippeld pad, en op die manier ontstaat een coherent verhaal. Van het pad afwijken is onmogelijk: er is geen weg buiten de gebaande. In Infinite Jest is dit anders; door middel van zijn bijzondere stijlmiddelen (zoals voetnoten-in-voetnoten en één enorme fictieve filmografie) vouwt Wallace een kaart uit. Deze is niet zozeer bedoeld om de lezer te desoriënteren, maar meer om hem alle mogelijke vrijheid te geven. Er is geen route – zelfs van bordjes met “Zo zie je alles” ontbreekt ieder spoor – dus het is volledig aan de lezer om een weg, en daarmee een betekenis, te vinden.

Daarom wordt Wallace vaak verweten dat er achter zijn academische vocabulaire en postmoderne kunstgrepen geen diepere betekenis schuilgaat, en dat ze slechts dienen om lezers te sarren. Maar dat is slechts schijn; wie de moeite neemt over het boek na te denken en af en toe eens een woordenboek ter hand neemt, ontdekt in Infinite Jest een oprechte en dikwijls humoristische analyse van verslaving, televisie, en topsport; en ontdekt waarom die drie eigenlijk één en hetzelfde zijn.

Er ontstaat niet zozeer één op zichzelf staande verhaallijn; de personages begeven zich in verschillende arena’s waar ze allen worstelen met hun eigen dagelijkse problemen: op een tennisschool voor atletisch en intellectueel begaafde studenten worden de consequenties van het leveren van topprestaties onder de loep genomen. In de buurt van de tennisschool staat een huis voor gerehabiliteerde drugsverslaafden, dat als toneel dient voor verslavingsproblemen in de meest letterlijke zin; en ondertussen zorgt een terroristische organisatie voor onheil, waardoor geheim agenten met elkaar in discussie treden over thema’s als vrije wil en de relatie tussen overheid en burger. Door de moeilijke taal en de soms wat onlogisch aanvoelende gebeurtenissen kan het boek als een klap in het gezicht voelen. Tenminste, als je niet weet dat Wallace’s uitgangspunt is dat situaties en mensen vaak veel ingewikkelder zijn dan ze op het eerste gezicht lijken, en dat het moderne leven (en zijn boek) een stuk beter te behappen zijn als je dit beseft.

Naast het monumentale Infinite Jest heeft Wallace twee andere romans, drie bundels korte verhalen, en een weelde aan reportages en essays geschreven. De onderwerpen die hij hierin aansnijdt variëren van de geometrie van een tenniswedstrijd tot een uitgebreide analyse van de gelaagdheid van de films van David Lynch. De moeite om zijn onderwerpen niet eenvoudiger voor te doen komen dan ze zijn en ze met gepaste nuance te benaderen is de rode lijn die door zijn werk loopt. Dat is erg duidelijk in sommige van zijn essays zoals bijvoorbeeld E Unibus Pluram, over de invloed van televisie op literatuur. Dit klinkt als een stoffig onderwerp, maar Wallace relateert het aan relevante kwesties als ironie en het uitgangspunt van fictie; namelijk het ‘begluren’ van andere mensen. Zijn punt is dat ironie – omdat het bijna altijd negatief is – een ziekelijke overhand heeft gekregen in de meeste tv-programma’s, en dat de invloed hiervan veel verder reikt dan de beeldbuis alleen – bijvoorbeeld tot in de hedendaagse literatuur. Terwijl Wallace zijn punt uiteenzet leert hij ons waarom reclames zo over the top zijn, en hoe presentatoren aan hun hysterische toon komen.

Er is geen route, dus het is volledig aan de lezer om een weg, en daarmee een betekenis, te vinden.

De analytische vermogens van Wallace blijven niet beperkt tot de literatuurkritiek. Hij heeft namelijk ook hart voor individuen, en probeert zijn lezers (niet altijd even expliciet) van het belang hiervan te overtuigen. Zijn meest bekende oproep voor empathie is waarschijnlijk This is Water, de beroemde speech die hij ooit tijdens een afstudeerceremonie op Kenyon College gaf. Hierin stelt hij dat het makkelijk is voor een individu om in een schelp van vooroordelen en eerste indrukken te kruipen, en de wereld vanuit daar te beschouwen. Maar, waarschuwt hij, hierdoor reduceer je anderen tot hun voorkant, waardoor je ze per definitie oneerlijk behandelt. Op die manier wordt een claxonnerende bestuurder van een BMW achter je op de weg een zak in een pak met onnodig veel haast. Daarmee komt er een eind aan elk medeleven: de mogelijkheid dat de bestuurder met grote haast op weg is naar zijn bevallende echtgenote krijgt geen kans.

In zijn fictie is hij meestal wat subtieler en onderzoekt hij situaties waarin iedereen zich maximaal terugtrekt. Dit doet hij bijvoorbeeld in een van zijn Brief Interviews With Hideous Men, een kort verhaal uit de gelijknamige bundel. In dit verhaal vertelt een seksueel promiscue man over een onenightstand die hij ooit met een vrouw had. In een postcoïtaal gesprek vertelt de vrouw dat ze eens ontvoerd is door een verkrachter/moordenaar. De vrouw, die erg veel inlevingsvermogen heeft, besefte dat haar ontvoerder een pathologische vorm van bindingsangst had. Het ontvoeren, verkrachten, en vermoorden van vrouwen was voor hem nog de enige manier om een betekenisvolle verbinding met een andere persoon aan te gaan. Door haar bovenmenselijke vermogen tot empathie zag de vrouw haar ontvoerder niet slechts als een kwade kracht in haar leven, maar als een persoon die meer is dan haar beleving van hem. Deze opstelling ontwrichtte de ontvoerder dusdanig dat hij zijn plannen niet kon voltooien, en zodoende overleefde de vrouw het voorval.

Het verhaal van de vrouw klinkt natuurlijk absurd, maar door het zo te vertellen bezorgt ze de man van haar onenightstand wel een openbaring. Hij ziet namelijk in dat hij door steeds met een andere vrouw het bed in te duiken evengoed emotionele verbinding ontloopt waardoor hij erg op de ontvoerder lijkt.

In zijn fictie is hij meestal wat subtieler en onderzoekt hij situaties waarin iedereen zich maximaal terugtrekt.

Aan het eind van het verhaal is het niet duidelijk of de vrouw haar ontvoering al dan niet verzonnen heeft (een standaardingrediënt uit de postmoderne trukendoos). Deze mogelijkheid wordt sterk geïnsinueerd omdat uit alles blijkt dat de vrouw een ruimdenkend persoon is die graag zou zien dat mensen zich wat opener opstellen – een standpunt dat bekend klinkt, welhaast als één van Wallace zelf. Dit geeft het verhaal een ingenieuze dubbele laag, zowel de lezer als de man in het verhaal laveren namelijk steeds tussen 'dit is niet echt gebeurd' en 'maar het lijkt wel heel erg op de werkelijkheid.' Door hier met bijzonder veel vaardigheid op in te spelen lukt het Wallace in een kort verhaal als dit om een ingewikkeld punt te maken, namelijk dat er tegenwoordig een onterecht stigma rust op het aangaan van emotionele banden. Tegelijkertijd benadrukt hij dat empathie geen wondermiddel is dat alle misdaden rechtvaardigt. Daarentegen kan het wel meer begrip kweken – en daar zou de wereld wat minder kil van worden. Dit soort dingen doet Wallace aan de lopende band in zijn verhalen, en om die reden straalt zijn fictie een zeldzame wijsheid uit.

Welbeschouwd lijkt Wallaces hele oeuvre op deze manier te convergeren tot Infinite Jest, waar al deze kenmerken (empathie, nuance, en complexiteit) samenkomen. Het boek laat zich lezen als een odyssee van een aantal onooglijke personages tegen een karikatuur van de werkelijkheid. Dankzij de uiteenlopende gebeurtenissen die op hun pad komen doen ze soms de meest afgrijselijke dingen, maar Wallace is keer op keer in staat ze als mensen neer te zetten. Hierdoor wordt het voor de lezer een stuk moeilijker ze als ‘goed’ of ‘slecht’ te bestempelen, en dit is waar het ongemak tijdens het lezen van zijn boek dikwijls vandaan komt. Dankzij de meeste boeken, films en televisieprogramma’s zijn we gewend een tweedeling tussen helden en schurken te kunnen maken, maar hier is dat – verlamd door een overvloed aan details en de afwezigheid van een route – ineens niet zo eenvoudig meer. Wallace dwingt ons langer na te denken voor we conclusies trekken, en als we na een maand of wat klaar zijn met zijn magnum opus is dat ineens een stukje makkelijker.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven