privécollectie Timon de Groot

Discipline, natiestaat en sport

Voorafgaand aan de Olympische Spelen klaagde Sven Kramer over politici die altijd over de rug van sporters politieke statements willen maken. Kramer was niet de enige sporter die termen als ‘misbruik van de sport’ gebruikte op de momenten dat een eventuele politieke boycot van de Spelen in Sotsji dreigde. Het zijn prachtige uitspraken, maar het komt vooral over als bijten in de hand die je voedt.

Ook Rik Peters hield op deFusie een pleidooi tegen bemoeienis rondom sport. In zijn geval ging het niet om de politieke inmenging, maar om de bemoeizucht van sportexperts met hun trainingsschema's en aerodynamische pakken. Hij sprak zich uit tegen de mechanisering en professionalisering van de sport en ziet liever een terugkeer naar de romantische sportopvatting van Bok de Korver, de oud-voetballer die trainingen en speltactiek onsportief vond. In deze benadering is toeval nog een belangrijke, of zelfs doorslaggevende factor. Peters’ pleidooi voor een verbod op trainingen is terecht vanuit het perspectief van de door voetbalanalisten zo bewierookte ‘neutrale toeschouwer’. Zijn artikel gaat echter over spelletjes, niet over sport.

Bok de Korver was geen sportman, maar slechts een liefhebber van het spelletje.

Er is een belangrijk begrip dat inherent verbonden is aan sport en waarin het zich onderscheidt van een simpel spelletje: discipline. In sport gaat het om trainen, het afwerken en optimaliseren van het lichaam. Het lichaam en de onderwerping ervan staan centraal in iedere sport - dat geldt zowel voor schaatsen, wielrennen en Formule 1 als voor voetbal. Sport is om die reden iets anders dan Mens-erger-je-niet, waar iedereen na afloop hartelijk kan lachen om een verloren potje, omdat het geluk dit keer niet aan de zijde van de verliezer was. In een kansspel als Mens-erger-je-niet valt geen eer te behalen. De sportman daarentegen wordt geëerd omdat hij zichzelf het best heeft weten te disciplineren en zijn lichaam meer dan de rest heeft weten te onderwerpen. Bok de Korver was daarom geen sportman, maar slechts een liefhebber van het spelletje.

In tegenstelling tot wat Kramer zegt, staat sport nooit los van politiek en het is discipline die sport de politieke betekenis geeft. Topsport bestaat immers bij de gratie van een zeer specifiek politiek systeem: de natiestaat. Er is een directe ideologische connectie tussen de natiestaat en de disciplinering van het lichaam. De ontstaansgeschiedenis van veel sporten laat zien hoe ze zijn ontstaan in dienst van een natiestaat. De Olympische wintersport biatlon is daarvan een goed voorbeeld. Deze sport is ooit ontstaan uit de trainingsarbeid van het Noorse nationale leger. De militairen moesten leren om zich op hoge snelheid te verplaatsen door de sneeuw en tegelijkertijd met scherp te schieten. De kunst was om onder de meeste barre omstandigheden je hartslag onder controle te houden om het doel goed in het vizier te krijgen. Dit vergt ijzeren discipline.

Dan een voorbeeld uit de zomersporten: het turnen. Het was de Pruisische ideoloog Friedrich Wilhelm Jahn die het turnen in het begin van de negentiende eeuw tot een werkelijke sport maakte. De ‘turnvader’ Jahn wilde met de door hem ontwikkelde oefeningen Pruisische jongens opvoeden tot moedige Duitse burgers die in staat waren zich tegen het Napoleontische gevaar uit Frankrijk te weren. In Jahns opvattingen was er een directe verbinding tussen de lichamelijke disciplinering en de opvoeding van krachtige Duitse burgers met een juiste hoeveelheid nationale trots. Hij hoopte dat deze lichamelijk opvoeding uiteindelijk bij zou dragen aan de totstandkoming van een grote Duitse eenheidsstaat bestaande uit nobele Duitse burgers.

Nog steeds zijn sporters volledig afhankelijk van de natiestaat. Het is de natie die hun de ruimte en de tijd geeft om te sporten. De natie doet echter meer dan de sporters vrijaf geven; zij verschaft de sporters de eer rondom hun prestaties. De meeste sportcompetities zijn immers nationale competities en op de Olympische Spelen vertegenwoordigt iedere sporter ook zijn of haar natie. In Nederland zijn de gouden medaillewinnaars van de afgelopen Spelen zelfs met een ridderorde geëerd. Ze zijn de helden van de natie. Als Kramer zegt dat de politici de sport misbruiken, gaat hij voorbij aan deze symbolische waarde van de sporter.

Sinds het ontstaan van de moderne natiestaat aan het begin negentiende eeuw is de opvoeding van individuen tot nationale burgers een belangrijk onderdeel van deze staatsvorm. Vanwege de onmogelijkheid iemands gedachten te controleren was de disciplinering van het lichaam van de burgerij het beste alternatief. De Olympische Spelen zijn in feite een wedstrijd tussen de naties in wie de meest gedisciplineerde burgers kan tentoonstellen. Hier is een voorbeeldfunctie voor de sporters weggelegd naar de buitenwereld toe, maar de sporters hebben die functie ook binnen de natiestaat. De medaille op hun borst zegt: ‘iedereen die het lichaam weet te disciplineren kan hetzelfde succes bereiken als wij’.

De ideale burgers van de moderne natiestaat zijn burgers met zelfdiscipline.

Discipline is overigens niet noodzakelijk hetzelfde als gehoorzaamheid, want die discipline komt niet enkel tot stand door autoritaire druk. Natuurlijk zijn er vaak landen met een autoritair regime die de medailleklassementen domineren. De sporters uit die landen zijn misschien van jongs af aan afgebeuld door autoritaire trainers en hadden eigenlijk geen andere keus. In moderne liberale naties zijn de sporters echter bovenal de boegbeelden van zelfdisciplinering: discipline die zij zichzelf hebben opgelegd. De ideale burgers van de moderne natiestaat zijn burgers met zelfdiscipline. Niet voor niets zijn topsporters veelgevraagde gasten bij de grote bedrijven om daar te laten zien wat mensen met zelfdiscipline in het leven kunnen bereiken.

In de figuur van Bok de Korver schetst Peters het tegenovergestelde van de moderne topsporter. Peters vergeet echter waarom sport in de moderne samenleving de politieke voorkeur geniet boven het spel. Sport zonder training en zonder lichamelijke disciplinering is voor de natiestaat niet interessant. Toeval heeft geen symbolische waarde voor de natie. Een verbod op training zou in onze tijd daarom nooit een serieuze kans maken. Discipline is het woord. De vraag is alleen of het een vies woord is.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Wieger Bootsma,

    Beste Timon de Groot, Bok de Korver was absoluut een sportman. Hij speelde 21 seizoenen in het eerste elftal van Sparta. Werd met Sparta vijf keer landskampioen. Scoorde in de eerste interland het eerste doelpunt van het Nederlands Elftal. Ook deed hij met Oranje twee keer mee aan de Olympische Spelen en won beiden keren een bronzen medaille (destijds bestond het WK nog niet). Als je deze carrière aan toeval toeschrijft ontken je het bestaan van de twee belangrijkste kenmerken van Bok de Korver, namelijk talent en sportiviteit. 

    Bok was namelijk een enorm talent, anders had hij nooit voor Sparta mogen spelen. Sparta was in die tijd nog een club met een ballotagecommissie die uitsluitend de hogere burgerij toe liet. Daar behoorde Bok de Korver niet toe. Zo kwam Bok terecht bij een andere club die op dezelfde velden speelde als Sparta. En op die velden viel hij op dankzij zijn aangeboren talent, waardoor de ballotage van Sparta opeens geen probleem meer was. Met de gloriejaren van Sparta als gevolg.

    Dat De Korver niet wilde trainen had niets te maken met een gebrek aan discipline, maar door de overtuiging dat trainen tegen de regels van sportiviteit in ging. Het zou Sparta een oneerlijke voorsprong kunnen geven op tegenstanders die niet of minder trainden. Net als doping wielrenners een oneerlijke voorsprong geeft op wielrenners die geen doping gebruiken.

    Dat moderne topsport vaak op gespannen voet staat met het begrip sportiviteit is absoluut waar. Maar dat Bok de Korver niet aan schwalbes deed maakte hem niet een mindere sportman. De Korver was ook zonder twijfel een nationale held van onze natiestaat, een status die had verworven met zijn grote talent. Dat blijkt ook uit de anekdote over de jonge prinses Juliana die ooit gezegd zou hebben. “Wat staan onze portretten toch dikwijls in de bladen, veel meer dan die van andere mensen.” Waarop koningin Wilhemina antwoordde. “Neen, Juliaantje. Er is één mens, wiens portret meer in de bladen staat dan het onze. En dat is mijnheer De Korver uit Rotterdam.”

    Ook ben ik het niet volledig eens met je stelling dat Kramer zijn succes aan de Nederlandse natiestaat heeft te danken. Juist nadat het Nederlandse schaatsen stopte met het systeem met één nationale kernploeg en schaatsers toestond of via commerciële ploegen zelf hun weg uit te stippelen naar de Olympische Spelen halen de Nederlanders grote successen.  In die 17 edities met één nationale kernploeg haalde Nederland 47 medailles. In de 5 edities na de opkomst van de commerciële ploegen behaalde Nederland 58 medailles. Die stijging is te danken aan sponsoren zoals TVM die alle kosten voor Sven Kramers en Ireen Wüsts voorbereiding hebben betaald terwijl het ook TVM is die beide schaatsers zeer ruim beloont. Deze professionele sporters zetten zich allang niet meer in voor het belang van de natie, maar juist voor hun eigen commerciële belang. In de moderne topsport staat niet alleen sportiviteit onder druk, maar heeft de commercie allang door dat de ouderwetse nationalistische vorm van een evenement als de spelen juist heel goed verkoopt.

    Voor de rest vraag ik mij af met wie jij potjes mens-erger-je-niet hebt gespeeld. Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand hartelijk kon lachen na een verloren potje. Volgens mij is dat spel ontworpen om bloedfanatiek te zijn en huwelijken en vriendschappen te breken. Maar spelers die zich na afloop van een potje zo sportief opstellen om ruimhartig hun verlies te erkennen moeten wel verre familie zijn van Bok de Korver.

     

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven