Flickr / Mukumbura

Dit gaat helemaal fout: editie Suriname

Joris Luyendijk schreef aan het einde van zijn project over de City dat de volgende grote beurscrash onvermijdelijk is. Volgens de geschiedenis heeft hij allang gelijk gekregen: we trappen er elke keer weer in. Overoptimistische beleggers, beurscowboys, bailouts, banken die wel de lusten maar niet de lasten van risico investeren dragen, disfunctionele ratings. Zo ging het in 2008, maar ook aan het einde van de 18e eeuw, zoals de geschiedenis van de negotiatiefondsen in Suriname laat zien.

De negotiatie was een financieel instrument ontwikkeld in de grachtengordel dat zich in het kort laat omschrijven als een hypotheekfonds waarvan de leningen werden gefinancierd door obligaties in handen van particuliere beleggers. De kapitaalkrachtige burger in de jaren 1770 kon voor 1000 klinkende guldens per stuk een obligatie kopen, tegen 6% rente per jaar. Een aflossingstermijn was er niet, maar er werd jaarlijks een percentage obligaties uitgeloot die vervolgens tegen de koopsom werden afgekocht. Een relatief veilige landbouwbelegging en 6% rente per jaar, what could possibly go wrong?

Eigenaars van plantages konden tegen een bijzonder gunstig tarief leningen krijgen om slaven, gereedschap en de benodigde koffie- en suikerstekjes te kopen, met hun plantage als onderpand. Om er voor te zorgen dat de bedrijven rustig konden opbloeien hoefden de planters pas na 10 jaar af te lossen. Omdat alle inkoop en verkoop via de bank liepen bleef het geld binnen het systeem. Ook was de hoeveelheid kapitaal in het fonds vooraf vastgesteld, net als het aantal bedrijven dat steun ontving. Om de risico’s van de beleggingen goed in kaart te brengen werden de leningen uitgegeven op basis van onafhankelijke taxaties. Zo leek het fonds voorspelbaar en beheersbaar. Again, what could possibly go wrong?

We trappen er elke keer weer in.

Toch zaten er een paar belangrijke weeffouten in het systeem. De eerste zwakte lag bij het ego van de bankiers, die zich als “beurscowboys” gingen gedragen door leningen uit te schrijven op basis van nog niet binnengekomen stortingen. De bankiers gaven trouwens geen rekenschap van de financiële huishouding: dat was te complex en ze wilden niet 'vooruitlopen' op lopende zaken. De bankiers hadden zelf geen geld in de fondsen zitten, maar verdienden geld door percentages te pakken op elk moment dat er geld binnen het systeem verschoven werd. Ze pakten een stuk van de inleg, van de kredieten, een commissie op de gekochte slaven en machines en een percentage van de verkochte producten. Omdat de bankiers alleen op de transacties verdienden en niet op eigen vermogen was er dus weinig remming op de gokdrift van de bankiers.

Niet alleen de bankiers hadden schuld, maar ook de planters. Zij kregen te makkelijk te veel krediet en namen het vervolgens te gretig af, ook al wisten ze dat ze onmogelijke grote oogsten moesten halen om het allemaal terug te kunnen betalen. Ook kregen ze de ruimte om veel geld te steken in de eigen woning op het terrein. Logisch dat de planters het maximale krediet aanvroegen.

De derde zwakte van dit systeem school in de taxatie. In het belang van de banken en de planters werden er, al dan niet na betaling van smeergeld, veel te gunstige taxatierapporten uitgeschreven. Ook werden er met de taxatierapporten flinke gokken genomen: de bankiers gingen uit van het allergunstigste scenario, wat in de landbouwpraktijk inhield dat men uitging van een zonnig jaar met genoeg regen, geen hagelstormen en orkanen en al helemaal geen insectenplagen en overstromingen. In de praktijk kwamen deze natuurlijk vaak voor. Tot slot werd de belegger een prognose voorgeschoteld gebaseerd op slechts de allerbest presterende plantages uit de portefeuille.

De beleggers werden net zo lang uitgewrongen tot de laatste rekeningen waren betaald.

De eerste problemen kwamen aan de oppervlakte toen bleek dat allerlei cheques die bedrijven aan hun leveranciers uitschreven niet door het fonds gedekt bleken te zijn. In plaats van dat de bankiers het ongedekte bedrag uit eigen zak voorschoten werden beleggers gedwongen om voor 25% van hun ingelegde bedrag garant te staan. De beleggers werden dus net zo lang uitgewrongen tot de laatste rekeningen waren betaald.

Minder zichtbaar, maar even zo gevaarlijk is dat de portefeuilles van binnenuit worden uitgehold: plantages die niet aan de betalingsverplichtingen kunnen voldoen worden door de bank tegen opbod verkocht, vaak onder de eigenlijke waarde. Omdat met de opbrengsten hiervan de couponrentes worden uitgekeerd lijkt er aan de voorkant niets aan de hand: de beleggers merken er niets van, want de rente komt gewoon binnen.

Deze situatie bleek pas onhoudbaar toen de fondsen de couponrentes niet meer uitkeerden en het krediet voor de plantages opdroogde. Na enkele geruchtmakende busts verdwenen de negotiaties van het toneel of werden ze omgezet in andere financiëringsvormen. De structurele problemen verdwenen echter niet. De gokkende bankiers, de naïeve beleggers, de gretige aanvragers van te zware hypotheken en de onbetrouwbare en corrumpeerbare raters zijn van alle tijden.

Meer over dit onderwerp in het boek van prof. Alexander van Stipriaan Luscius, Surinaams Contrast, online te lezen in de digitale bibliotheek van het Koninklijk instituut voor Taal- Land en Volkenkunde.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven