Titels die op de shortlist staan voor de ECI Literatuurprijs 2017

ECI Literatuurprijs: de rivier, de hond en de winnaar

YuccaPeter Terrin2016
HallelujaAnnelies Verbeke2017
Eindeloos eilandHuub Beurskens2017
De mensengenezerKoen Peeters2017
NoodweerMarijke Schermer2016
De warenDaniël Rovers2017

Een winnaar kiezen uit een lijst met zes goede boeken is ingewikkeld, zeker als de lijst het resultaat is van een lang en kritisch selectieproces. Yucca van Peter Terrin, Halleluja van Annelies Verbeke, De mensengenezer van Koen Peeters, Eindeloos Eiland van Huub Beurskens, Noodweer van Marije Schermer en De waren van Daniël Rovers hebben grote namen achter zich gelaten; zo stonden onder andere Adriaan van Dis, Kader Abdolah en Stefan Hertmans op de longlist van de ECI Literatuurprijs 2017. Het is zonder twijfel een prachtige prestatie om op de shortlist te belanden, en in alle zes de gevallen zeer terecht, maar de rit zit er nog niet op. Donderdag 9 november wordt in het Haagse Theater aan het Spui de winnaar van de ECI Literatuurprijs 2017 bekendgemaakt. Maartje Amelink bespreekt hier alle zes de titels, haar persoonlijke top drie wat uitgebreider, inclusief de wat haar betreft beoogde winnaar.

De waren van Daniël Rovers begint met de droom van een jonge, anonieme ik-figuur, die voor het eerst ervaart wat echte vriendschap is. Eenmaal wakker voelt de ik-figuur zich veranderd: completer maar ook leger, na de droom ontbreekt er iets. Daarop volgt het verhaal van Ade, Ricky en Bob die hun vriendschapsjubileum vieren langs de Waal in Nijmegen waar ze elkaar in hun studietijd leerden kennen. ‘Twintig jaar vriendschap, zo lang houden de meeste huwelijken niet stand’; het is een ode waard zo lijkt aanvankelijk, maar al gauw blijkt het een oneerlijke vergelijking: vrienden stellen minder hoge eisen aan elkaar. Rovers schetst subtiel, rustig en in detail hoe de drie bijna-veertigers hun leven leiden. Waar zijn dialogen soms wat aan de oppervlakte blijven of wat hakkelend overkomen, zijn Rovers’ beschrijvende observaties zeer geraffineerd. ‘Er is niets gebeurd die nacht’, merkt de ik-figuur aan het eind van de roman op, ‘niets wat je na twintig jaar zou kunnen navertellen’. Maar Rovers illustreert dat bijzonderheid geen noodzaak is voor een prachtig verstild verhaal.

Yucca van Peter Terrin is een detective- en kunstenaarsroman ineen

Yucca van Peter Terrin is van een andere orde: detective- en kunstenaarsroman ineen. Twee verhaallijnen, die van ex-gedetineerde Viktor en kunstenares Renée, raken elkaar halverwege de roman maar blijven toch enige afstand tot elkaar houden. Viktor komt na zijn gevangenschap terecht in het netwerk van ‘de gier’, of zoals anderen hem noemen, ‘de kolonel’. In een Jaguar rijdt hij regelmatig naar een afgelegen havengebied, waar hij pakketjes ophaalt, en met een bestelbus van voedingsbedrijf Yucca bezorgt hij maaltijden bij ouderen en zieken. Viktor belandt per toeval in dit dubieuze circuit, maar heeft tenminste iets om handen, zo lijkt hij te denken. Renée is performanceartieste en woont in een beveiligd kasteel wegens bedreigingen; op een bandje spreekt ze daarom, voor het te laat is, verhalen over zichzelf in voor haar zoontje Willem. Onheil dreigt in beide verhaallijnen en stimuleert de drang tot verder lezen. Toch is Yucca geen traditionele misdaadroman; er blijven veel vragen onopgelost en, getreiterd door de open plekken, stelt dat toch enigszins teleur. Bovendien bouwt Yucca voort op eerder werk van Terrin, wat de vraag doet rijzen of Yucca wel als zelfstandig werk gelezen zou moeten worden. Dat is niet onmogelijk, maar het lijkt wel een meerwaarde om de voorgeschiedenis van de hoofdpersonages te kennen.

In het literaire non-fictieboek De mensengenezer vertelt Koen Peeters het verhaal van zijn vroegere antropologieprofessor, Remi, die als boerenzoon opgroeide in de Frans-Belgische Westhoek. In de Westhoek zijn de restanten van de eerste wereldoorlog – bommen, granaten, graven – diepgeworteld in het leven van de mensen. In prachtige literaire zinnen weet Peeters een magie op te roepen die ‘het wezen’ van de Westhoek beschrijft – het is een verademing hoe zijn discours indruist tegen de rationele taal die zo vaak dominant is. Later in het verhaal, nadat Remi is ingetreden in een Jezuïetenklooster en ontdekt dat hij de lijdende mens wil genezen, vertrekt hij als pater naar Belgisch Congo. Daar raakt hij steeds meer gefascineerd en uiteindelijk zelfs bezeten door de Yaka-cultuur. Op sublieme wijze weet Peeters het bijgeloof, de mystiek en rituelen die Remi in Congo leert kennen, terug te voeren naar de Westhoek, naar Remi’s eigen schijnbaar nuchtere achtergrond. Zoals Peeters zelf toelicht: ‘Ik wil met dit verhaal geenszins het zogenaamd zwarte, het primitieve, het hart van de duisternis in ‘hen’, in Afrika aanduiden, maar veeleer wil ik het scherp aanwijzen in ‘ons’.’ Dat doet Peeters overtuigend met soms ontroerende passages die ‘iets’ weten op te roepen, wie weet de zinderende geest in de lezer.

Hoewel De waren, Yucca en De mensengenezer alle drie beslist de moeite waard zijn, halen ze het wat mij betreft niet bij de volgende drie titels. Het is met lichte pijn in het hart, vooral denkend aan De mensengenezer, dat ik deze boeken hier achterlaat om tot een top drie en winnaar te komen.

De verkrachting in Schermers roman lijkt vooral te resulteren in een obsessief verlangen naar autonomie

Marijke Schermer opent in Noodweer de binnenwereld van Emilia, die wordt overspoeld door een trauma dat twaalf jaar eerder plaatsvond: in haar eigen huis wordt ze verkracht en ze besluit om er met niemand over te praten. De stap tussen fictie en realiteit is hier flinterdun; de #metoo-campagne maakt van Noodweer een verontrustend actuele roman. Hoewel Schermer nergens directe lijnen trekt, en daarmee een intrigerend, complex personage neerzet, lijkt de verkrachting voor Emilia vooral te resulteren in een obsessief verlangen naar autonomie. Steeds meer zondert ze zich af, raakt op een psychologisch eiland, praat weinig, denkt veel, slikt valium. Haar man zoekt contact, stelt vragen, maar Emilia raakt verward in haar eigen reflecties. ‘Denk je dat intimiteit en openhartigheid synoniem zijn?’ vraagt ze haar broer, verwijzend naar haar jarenlange stilzwijgen. ‘Nee’, antwoordt hij, niet wetend van het geheim dat zijn zus met zich meedraagt.

Het huwelijk tussen Emilia en Bruch zwakt af, verandert in een monochrome grijze massa, zoals de kolkende rivier die hun buitendijkse huis met haar uitdijing bedreigt en uiteindelijk zelfs onder water zet. Over het woekerende zevenblad in hun tuin zijn ze vastbesloten: ‘Zij gingen de natuur niet bedwingen, ze zouden het omkeren en zichzelf laten temmen.’ Wanneer de rivier serieus haar opmars maakt, besluiten Emilia en Bruch niet te evacueren. Ze timmeren planken, verhuizen meubels, sturen de kinderen uit logeren, totdat ze, als getemde wilde dieren, samen op zolder belanden, wachtend op vaste grond. In deze snijdende eindscène weet Schermer de verbeten pijn, aanhoudende benauwenis en onstuimige strijdlust in Emilia tot in detail te regisseren. Bijna onder water, moeizaam zwemmend, gaan Emilia en Bruch het gevecht met elkaar aan.

Hoewel Schermer Emilia’s psyche met finesse beschrijft, zijn haar observaties over het gezinsleven soms wat clichématig. Zo is het gezin ‘een isolement’, ‘een mal om je geluk in te gieten’ en ‘een gevangenis waarin je je veilig op kunt sluiten’. Ook andere huwelijken komen er niet goed vanaf in Noodweer; zo verzucht Emilia’s broer dat zijn vrouw ‘alles gewoon schoon wil hebben’ en is Emilia verontwaardigd over een bevriend stel dat al sinds jaar en dag samen is (‘onvoorstelbaar’ en ‘dan neem je het leven toch niet serieus’). Bruch werpt hier en daar iets tegen, maar is niet in staat substantieel weerstand te bieden aan het beeld dat Emilia schetst van wat zij met de statisticus Quetelet l’homme moyen, de gemiddelde mens, noemt. Jammer, want door alle strijd heen schemert juist ook in Emilia de behoefte aan warmte en vertrouwdheid, iets wat Schermer niet expliciet uitspeelt.

Imaginaire passages maakt Eindeloos Eiland van Huub Beurskens tot een droomachtige wereld

‘Herkent u me? Ti ricordi di me? Erinnerst du dich an mich?’ Van Rossum wordt wakker van de stilte in zijn straat. Hij gluurt door het raam en ziet voor zijn huis duizenden mensen staan, zwijgende mensen. Beduusd opent hij de voordeur en, lopend door de menigte, is het steeds dezelfde prangende vraag die hem wordt gesteld: weet je wie ik ben? De passanten kijken hem hoopvol aan. Ik serveerde je drankje, je hielp me met mijn gevallen tas, ik zag je in Maastricht, herken je me? ‘Nee’, antwoordt Van Rossum steeds spijtig, en dwalend in zijn gedachten, als ook dolend door de straten, doorziet hij de tragiek van zijn herinneringen.

Dit soort imaginaire passages maakt Eindeloos Eiland van Huub Beurskens tot een droomachtige wereld. ‘Als losse verhalen’, kondigt personage Lucas Ramakers al in het begin van de roman aan, ‘die je het gevoel geven van een samenhang, als vormden ze een organisch verbonden geheel’. De taal, met haar vele zou- en als-constructies, draagt nog eens bij aan het surreële, arbitraire karakter van de episodes, alsof er ook steeds iets anders had kunnen staan. Niet voor niets is het motto ‘there is always another story, there is more than meets the eye’ (W. H. Auden). Een eindeloze reeks eilanden dus: Lucas die afreist naar Praag op zoek naar zijn grote liefde, een platinablonde pornoactrice, Otto die juist lange tijd niets van romantische liefde en al haar uitvloeisels moet hebben (‘Literatuur? Niks dan in misleidende taal verpakte paringsdictaten’) en Rudolph die op miraculeuze wijze ontsnapt aan een overval vanwege een pasfoto die hij op de kop tikte in Marrakesh. De kleurrijke beelden volgen elkaar razendsnel op, maar raken in al hun vluchtigheid ook doordrongen van een leegte die steeds nijpender wordt. De personages komen niet echt tot leven, hun gestalten blijven flarden, indrukken, schaduwen, gedirigeerd door willekeur. Beurskens schept zo een afstandelijke en gevoelloze wereld – maar weet de aandacht des te meer vast te houden met zijn unieke taal en fantasie.

En dan de honden. Er iets eigenaardigs hoopvol aan de honden in Eindeloos Eiland. De hond van Camus, Floc, draaft in het verhaal op terwijl de ik-figuur fantaseert over de plek waar hij eigenlijk geboren had moeten worden: Samos. Hij vraagt zich af of een hond kan beseffen of dromen dat hij op een eiland verblijft. Het is misschien wel de meest cruciale vraag van de roman. Jaren later, thuis in een klein appartementencomplex, belandt de ik-figuur in het leven van zijn onderbuurman, Adriaan Rigter, die al sinds zijn studententijd een hond verzorgt. De hond heeft menig leven doorstaan en wordt met recht als ‘buiten-gewoon’ omschreven. Hij is oneindig trouw, levend en speels. Ecce canis, zie de hond, verkondigt zijn eerste eigenaar meermaals, Pilatus’ woorden ecce homo echoënd. De hond als verlossing van de zonden? Wie weet, als de ik-figuur in het slot van de roman op de Azoren rondsnuffelt, denkt hij: ‘Ik voelde me als een hond op een eiland, want wanneer besefte een hond dat hij op een eiland verbleef? Wanneer hij eraf wilde. Welnu, ik wilde er helemaal niet af.’ En vrolijk kwispelend piept hij ‘tralalie tralala’. Het eeuwige paradijs als speels hondenbestaan.

Verbekes schrijfstijl zorgt ervoor dat het absurde niet allesoverheersend wordt

De indrukwekkende verhalenbundel Halleluja van Annelies Verbeke opent met ‘Huilbaby’, een verhaal verteld vanuit het betraande perspectief van een klein alwetend mens. De baby voorziet de toekomst, voelt de verliezen die hij later zal lijden, huilt zich kapot, maar weet dat hij vanaf zijn derde levensjaar net als iedereen zal terugkeren naar ‘het blanco’, dat hij oud zal worden zonder de alwetendheid die hij als pasgeborene nog had. Dat is een troost, maar zolang hij nog in de wieg ligt, is klagelijk krijsen de enige optie. ‘En dan overvalt het me weer, het snikken, verheft zich opnieuw een golf vooruitzichten vol verlies,’ wanhoopt de baby. Zijn ouders houden het op krampjes, geven vermoeide kusjes, en vragen zich verwonderd af waar al dat verdriet toch vandaan komt. Ze moeten er zelf van huilen, van verloren verwachtingen en angst voor het ongewisse. De tranen van zijn ouders doen de baby beseffen dat het blanco niemand zal vrijwaren van verdriet; ook onwetendheid kent haar treurnis. Verbeke heeft de toon gezet: Halleluja is tragisch, grappig, creatief en onvoorspelbaar.

Twee verhalen later volgt ‘Voorbeelden van verdriet’, waarin Jenifer Kortjans met haar collega’s van een Brussels architectenbureau op het New Yorkse platteland terechtkomt, een door hun eigenaardige baas geïnitieerd teamuitje. Waarom niet gewoon de Ardennen, vraagt Jenifer zich af, struinend door een kleurrijk Indian Summer-bos. Of, als ze dan toch de oceaan over moeten steken, waarom niet naar het walhalla van de architectuur, de metropool zelf? Het antwoord komt als hun baas tijdens een presentatie aankondigt dat de wereld zal vergaan, niet over tienduizend jaar, maar de volgende ochtend. Als ware herder heeft hij zijn werknemers in veiligheid gebracht; de ondergrondse bunker is niet ver. Het plan is duidelijk: zij, bouwers van de toekomst, zullen de apocalyps overleven en een nieuwe wereld maken. Verbekes schrijfstijl, altijd nuchter, licht humoristisch, en toch serieus, nooit ironisch of ondermijnend, zorgt ervoor dat het absurde niet allesoverheersend wordt. Haar personages zijn overtuigend, geloofwaardig, en de lezer kan zich meermaals in de bundel afvragen: hoe ben ik hier, zo ogenschijnlijk vanzelfsprekend en normaal, verzeild geraakt in de vreemde capriolen van een karakter?

Een terugkerend thema in de verhalen is vervreemding. Toch is Halleluja geen wereld van individuen die zich niet weten te identificeren met hun omgeving, ze zijn niet zonder communicatie, gevoelens of verleden. Integendeel: de personages bruisen, ook als de setting totaal onrealistisch is. In ‘De beer’ excelleert Verbeke in dit levendige vreemd maken. Het verhaal opent meteen goed: ‘De auteur is een beer geworden.’ Deze metamorfose leidt tot een opmerkelijke dag (de beer vraagt zich ook al snel af of het wel beter is om als beer te ontwaken dan als insect). ’s Ochtends valt het de partner van de auteur niet op dat zijn vriendin in een beer is veranderd. ‘De man moet halsoverkop een ontkennende fase zijn in getuimeld,’ denkt de beer sprakeloos, en hij besluit een wandeling door het bos te maken in plaats van door de stad, zoals de auteur altijd deed. In het bos ontmoet de beer, nadat hij boosaardige gnomen heeft afgeschrikt, twee personages uit een boek van de auteur. Hij spreekt ze aan, maar ook zij kijken er niet vreemd van op dat ze praten met een beer. De beer raakt steeds vermoeider, gekwelder, verwarder. Waarom herkent niemand hem, waarom is niemand bang voor hem? Hij zet zijn tocht voort, ontmoet een grafdelver, ziet een citroenvlinder sterven en praat met een worm. Dwars door deze fantasierijke kronkels gaat het beer-zijn steeds over auteurschap, over ‘iemand zijn’, over keuzes maken, maar ook over somberte, twijfel en desillusie. De beer wil verandering, maar hoe realiseer je verandering? Verbeke is hier misschien wel op haar best: de beelden zijn helder, de dialogen scherp en de dynamiek tussen lichtheid en diepgang zijn in de roos.

Verbeke is wat mij betreft de terechte winnaar van de ECI Literatuurprijs 2017, halleluja

En er is nog veel meer in Halleluja, bijvoorbeeld het liefdesverhaal van Erika Vuystjens, celliste, en Johannes Lelache, pianist, dat prehistorisch en verontrustend eindigt op de Serengeti-savanne. In ‘Start’ begint Brad Van den Brande een nieuw leven na een jarenlange gevangenisstraf te hebben uitgezeten. Ook zijn er de veelzeggende titels ‘Aankomstwijk (1)’ en ‘Aankomstwijk (2)’ waarin onder meer de Marokkaanse Nadia naar Brussel verhuist om bij haar man Farid in te trekken, maar daar op een onvoorziene situatie stuit. In ‘Prins’ wordt de bejaarde moeder van de ik-figuur verzorgd door een zeer menselijke en zelfs verleidelijke robot. En zo zijn er nog zeven verhalen die stuk voor stuk een eigen wereld oproepen, steeds een beetje vreemd, maar ook altijd voorzien van een natuurlijk ogende logica. Verbeke speelt met vorm, zo is het verhaal ‘Lente’ voorzien van een poëtische tekst die bovenaan de bladzijden een apart geheel vormt ten opzichte van het eigenlijke verhaal. ‘In de knop’ is volledig geschreven in de je-vorm, en de bundel begint met een pasgeboren baby en eindigt met een stervende oma. Het is indrukwekkend hoe Verbeke het klaarspeelt. Een verhalenbundel is altijd meerstemmig, maar Verbeke werkt het genre zonder twijfel tot in de puntjes uit. Verbeke is wat mij betreft de terechte winnaar van de ECI Literatuurprijs 2017, halleluja.

Dit essay kwam tot stand in samenwerking met de Nederlandse Boekengids

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven