Een balling in eigen land

Al te luide eenzaamheidBohumil Hrabal1976
Liefde en straatvuilIvan Klíma1986
De ondraaglijke lichtheid van het bestaanMilan Kundera1984
De geknechte geestCzesław Miłosz1951
Mijn gelukkige dagen in de helGyörgy Faludy1962

Schrijvers die onder het communisme leefden hoefden het land niet te verlaten om een banneling te zijn. Koos een schrijver ervoor zich niet te conformeren aan de literaire voorschriften van het regime, dan volgde er censuur en eventueel een publicatieverbod: de schrijver werd op een maatschappelijk zijspoor gezet en in een verdomhoekje geplaatst. Veel schrijvers verlieten hun vaderland als de mogelijkheid daartoe bestond. Enkele prominente voorbeelden zijn Joseph Brodsky, Milan Kundera en Czesław Miłosz. Sommigen verlieten op den duur ook hun taal. Kundera schreef bijvoorbeeld zijn laatste vier romans en een aanzienlijk deel van zijn essayistisch werk in het Frans in plaats van het Tsjechisch. Maar de status van banneling werd evengoed opgedrongen aan iemand die bleef, zoals de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal (1914-1997).

Hrabal boekte in de jaren zestig literair succes in Tsjecho-Slowakije. Na de Praagse Lente volgde vanaf 1968 een periode van culturele repressie, waardoor hij voor een dilemma kwam te staan. Hij wilde blijven schrijven en publiceren, wat echter onmogelijk was zonder zich in enige zin te compromitteren. Zijn werk werd vervolgens gecensureerd, terwijl hij zich tegelijkertijd de woede van een deel van de dissidentengemeenschap op de hals haalde. Hrabal belandde zo tussen de wal en het schip: enerzijds beknot door de censuur, anderzijds verteerd door schuld. Deze persoonlijke ervaringen hebben zijn oeuvre in zoverre beïnvloed, dat zijn werk niet slechts een aanklacht is tegen een regime dat inmiddels op de vuilnisbelt van de geschiedenis ligt: het is tevens een unieke getuigenis die invoelbaar maakt hoe de poging om oprecht te leven en te schrijven in een dictatuur ook een vorm van ballingschap kan zijn. In de roman Liefde en straatvuil (1986) van Hrabals landgenoot Ivan Klíma is schrijven voor de hoofdpersoon een manier om in leven te blijven en om de werkelijkheid te verdragen, maar tegelijkertijd wordt hij verscheurd door het onheil dat hij met zijn schrijverschap over zichzelf afroept. Deze spanning was ook in het leven en werk Hrabal aanwezig: literatuur als vloek en als vlucht.

Miłosz brak met zijn vaderland omwille van een opstandige maag

Voor Hrabals landgenoot Milan Kundera was de gedachte zichzelf en zijn werk te laten knechten door de overheid ondraaglijk: in 1975 verliet hij Tsjecho-Slowakije. Een pijnlijke beslissing die verre van eenvoudig was, zoals de romans Afscheidswals (1982) en De ondraaglijke lichtheid van het bestaan (1984) laten zien. ‘Van buitenaf bekeken is het makkelijk om te zeggen dat een dergelijke beslissing een logisch gevolg is van iemands haat jegens tirannie,’ schrijft de Poolse dichter Czesław Miłosz in De geknechte geest (1951) over zijn eigen redenen om te breken met zijn vaderland. ‘Mijn eigen beslissing kwam echter niet voort uit ratio, maar uit een opstandige maag. Een man kan zichzelf er rationeel van overtuigen dat het doorslikken van levende kikkers goed is voor zijn gezondheid. Vervolgens kan hij, nog steeds volkomen rationeel, een eerste kikker doorslikken, dan een tweede; maar bij de derde kikker zal zijn maag in opstand komen. Op dezelfde manier kwam mijn volledige wezen in opstand tegen de groeiende invloed van de doctrine.’

Waar er redenen bestaan om te vluchten, bestaan er ook redenen om te blijven. Naast familie en vrienden, speelt bij een gevoel van thuis ook taal een niet te onderschatten rol. In de bovengenoemde roman van Klíma verklaart de hoofdpersoon tijdens een verblijf in de Verenigde Staten zijn verlangen om terug te keren: ‘Thuis kennen de mensen me. Zelfs als ik straten zou moeten vegen, ben ik voor hen nog steeds wat ik was, wat ik boven alles zou willen zijn, een schrijver, terwijl ik hier, rondrijdend in mijn kleine Ford, altijd een immigrant zou blijven waar een groot land medelijden mee heeft. Dat waren mijn stoere woorden. Eigenlijk wilde ik naar huis, naar de mensen waarvan ik hield en waar ik vloeiend zou kunnen spreken, naar mijn eigen taal zou kunnen luisteren.’ Een ander voorbeeld van taalheimwee komt uit de autobiografie van de Hongaarse dichter György Faludy, Mijn gelukkige dagen in de hel (1962). In de Tweede Wereldoorlog diende hij in het Amerikaanse leger. Hoewel iedereen hem waarschuwde, keerde hij na de oorlog terug naar Hongarije, waar hij na korte tijd terechtkwam in een concentratiekamp. Wanneer hij met een Amerikaanse soldaat praat over Hongarije, vraagt de soldaat hem waarom hij eigenlijk naast het Hongaars, niet in het Engels dicht. Faludy antwoordt hem dat wanneer hij wood zegt, het daarmee heeft over ‘het dichte, donkergroene woud van vreemd gevormde, vergroeide bomen dat ons omgeeft (…) een onvatbare, beangstigende duisternis,’ terwijl wanneer hij het Hongaarse erdö in de mond neemt, hij ‘de dun gezaaide, slanke jonge bomen van het Mátragebergte’ ziet, ‘met stukjes blauwe lucht tussen de takken en wilde aardbeistruiken en plukken gras aan hun voeten.’

Hrabals werk is intrinsiek verbonden met zijn speelse omgang met het Tsjechisch

Een dergelijke liefdevolle verbondenheid met zijn omgeving en taal karakteriseert ook het werk van Hrabal. Wanneer hij over Praag schrijft bijvoorbeeld, ‘mijn Praag, waar ik dagelijks in de kroegen van Libeň, Žižkov, Vysočany en Malá Strana en Staré Město moest zijn (…) daar voelde ik me prima, daar zat mijn slag mensen, daar waren mijn kelners en chefs, met hen sloot ik vriendschappen, daar voelde ik me thuis, daar was ik kind aan huis.’ Hrabals werk is ook intrinsiek verbonden met zijn speelse omgang met het Tsjechisch. Voor zijn rijke, barokke stijl liet hij zich niet alleen inspireren door de verhalen van zijn drank- en disgenoten in de vele cafés die hij frequenteert, maar ook door de vertelkunst van zijn collega’s in de ijzergieterij waar hij begin jaren vijftig werkte. Het oeuvre van Hrabal is door Kees Mercks prachtig vertaald, en levert regelmatig pareltjes op zoals in de volgende zin: ‘de speelsheid in de mens noopt me ertoe dat ik met mijn verbeeldingskracht de loop der gebeurtenissen enigszins rangschik. (…) Deze haast chemische reactie noem ik: vermafkezen.’

In 1975 werd aan Hrabal in een ongelukkig interview een loyaliteitsverklaring aan het regime ontlokt, een uitspraak waar de censor waarschijnlijk de hand in heeft gehad. Hoewel de meeste van zijn collega’s vrij mild waren in hun kritiek, werd hij door anderen verguisd (Mercks maakt in zijn nawoord van de bundel Verpletterde schoonheid zelfs melding van verbrandingen van Hrabals boeken). Zijn werk, dat nu onder toezicht van de overheid en in verminkte staat van de drukpersen rolde, circuleerde tegelijkertijd in de samizdatkringen. In deze context schreef hij Al te luide eenzaamheid, over de lotgevallen van de papierpletter Haňťa. ‘Vijfendertig jaar lang zit ik in het oud papier en dat is mijn love story.’ Talloze boeken verdwijnen in de drukpers, die Haňťa steevast met een pul bier in de hand opereert. Hiertussen zitten papieren uit een abattoir en nazipropaganda, maar ook boeken over religie, filosofie en literatuur. ‘Ik ben niet meer dan een liefdevolle slager’, vertelt Haňťa. Zijn ondergronds gelegen werkruimte verwijst tegelijkertijd naar de illegale literatuur die in Tsjecho-Slowakije verscheen. Soms maakt hij een mooi kunstwerkje van een kuub geplette boeken: hij is zowel beul als kunstenaar.

In 1997 viel Hrabal uit het raam terwijl hij duiven aan het voeren was

Hrabals houding heeft hem meermaals verwijten opgeleverd, variërend van morele onstandvastigheid, tot ‘lafheid’ en ‘hoererij’. Hrabal raakte hierdoor ‘innerlijk verscheurd’, zegt de bevriende filosoof Egon Bondy in de documentaire Het leven is overal (2000). De schrijver was zelf de eerste om een genadeloos oordeel te vellen en werd achtervolgd door een immens schuldgevoel, zoals hij laat merken in het autobiografische verhaal ‘Wie ik ben’: ‘Ik sta echter in mijn eentje voor mijn eigen rechtbank en mijn innerlijke rechtbank is één groot kruisverhoor, is tegelijkertijd aanklacht en verdediging, ik ben zowel mijn eigen aanklager als verdediging.’ Deze ontboezeming wordt prachtig verdicht in het verhaal ‘Autootje. Een ballade’. In zijn buitenhuis in Kersko komen steeds meer katten, zo veel dat er niet meer voor ze gezorgd kan worden. In al zijn zachtaardigheid, vanuit zijn liefde voor deze katten (waaronder de kat Autíčko, ‘autootje’) ziet de verteller zich gedwongen tot een barbaarse maatregel: hij verzamelt een nestje in een zak en slaat de katten dood met een bijl. Na de begrafenis verongelukt hij met zijn auto en de kleine bolide landt ondersteboven. De wereld staat, op geheel hrabaliaanse wijze, op zijn kop.

In 1997 viel Hrabal uit een raam van het ziekenhuis waar hij verbleef, terwijl hij de duiven aan het voeren was. Dit detail geldt wellicht als literaire opsmuk in de geest van Hrabal (duiven zijn in veel van zijn verhalen vertegenwoordigers van de Heilige Geest), maar of het om een ongeluk of zelfmoord ging, is nog steeds onduidelijk. Die onduidelijkheid mag tekenend heten voor Hrabals (literaire) nalatenschap, dat de complexiteit van een keuze voor of tegen de vlucht uit een thuisland blootlegt. Uit Hrabals geschiedenis blijkt dat een onderdrukkend regime niet alleen in staat is om haar burgers te doen vluchten, maar om hen ook tot vreemdelingen in eigen land te maken. In dit licht bezien is de huidige politieke tendens verontrustend. Berichten uit Polen en Hongarije, waar politieke partijen als de PiS (Recht en Rechtvaardigheid) en Fidesz van kunst en literatuur wederom een staatsaangelegenheid proberen te maken, stemmen droevig. De subsidiekraan dichtdraaien voor bepaalde toneelstukken en vertalingen van romans hóéft geen glijdende schaal te zijn naar een totale censuur en een daaropvolgende exodus van schrijvers en critici; juist de hybride vorm die dit aanneemt en de schijn van fatsoen en democratie die hierbij wordt opgehouden – Curzio Malaparte waarschuwde daar al voor in zijn Techniek van de staatsgreep – zijn gevaarlijk.

Miłosz merkte terecht op dat schrijvers, en de literatuur, de essentiële taak hebben ‘om naar de wereld te kijken vanuit zijn eigen onafhankelijke standpunt, de waarheid te vertellen zoals hij deze waarneemt, en zo te waken in het belang van de gehele samenleving.’ Dit deed Hrabal uiteindelijk ook, ondanks de moeilijkheden die hij hiervoor moest trotseren. ‘Ik ben schrijver en ik schaam me dan ook een beetje voor die missie,’ schreef hij in een van zijn nooit verzonden Brieven aan Dubenka. ‘Ik beweer zelfs over mezelf en herhaal dat keer op keer, ik ben eerder een scribent, een literair verslaggever en ik ben ook dol op mystificaties, tja, dat is mijn mafkezerij, dat is mijn verweer tegen de politiek, dus eigenlijk mijn politiek, mijn trant van schrijven.’

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven