Chris Sorge / Flickr

Een cascade van stroperig rood

‘Zal ik nog een verhaal voorlezen?’
‘Graag.’
‘Ik wil er ook nog eentje horen.’
‘Ja, ik ook, als het maar niet te lang is. Ik moet zo weg.’

Is het een spannend verhaal?

‘Het hoeft niet, hoor, ik kan het bewaren voor de volgende bijeenkomst.’
‘We hebben nog wel even tijd, toch?’
‘En de zon schijnt, het gras is lekker zacht. Daar moeten we van profiteren. De volgende keer zitten we misschien weer binnen.’
‘Vooruit dan.’
‘Is het een spannend verhaal?’
‘Jullie kunnen kiezen: ik heb een lief sprookje, een soort van sprookje en een beetje een vies verhaal.’
‘Vies!’
‘Ja, doe maar het vieze.’
‘Jullie zijn gewaarschuwd…’
‘Graag.’
‘Laat maar komen.’
‘Als jullie me niet onderbreken. Dat haalt me uit mijn concentratie.’
‘Lees nu maar.’
‘Berthold voelt aan zijn broeiend gebit. Hij heeft overgevoelige tanden en die loeien de hele dag maar door. Voor het eten, tijdens het eten, na het eten, alsof minikabouters met genagelde handschoenen de zenuwen masseren. Naar de tandarts gaat hij niet meer. Alle kiezen zijn al gevuld en een kunstgebit wil hij absolúút niet. De tandpijn neutraliseert zijn ontstoken geest, amortiseert de schulden die zijn hoofd maakt, en daar wil hij graag gebruik van blijven maken. Bertholds geweten hanteert een compulsieve betalingscultuur. De pijn van het lichaam moet de kwelling van de geest solveren…’
‘We luisteren.’
De pijn van het lichaam moet de kwelling van de geest solveren. Omdat zijn hoofd vandaag maar blijft razen, sluipt Berthold naar de werkplaats van zijn vader, op zoek naar verlichting. Hij vindt daar een lange staalspijker en een hamer. In een lade ontdekt hij een gloednieuw naaisetje: naalden in verschillende diktes en enkele klosjes garen. Dat brengt hem op een idee. Hij verstopt de spullen onder zijn trui en vlucht weer naar boven.

De pijn van het lichaam moet de kwelling van de geest solveren

Even later staat Berthold voor de spiegel. De spijker zet hij schuin op een kies, zodat hij ruimte heeft om een klop te geven. Met de hamer tikt hij voorzichtig een gat in de bodem van de kies, de kroon mag niet splijten. De punt van de spijker schiet door het glazuur en het tandbeen heen en raakt de zenuw. Een stekende pijn vlamt door zijn kaak. Verlichting. Eindelijk verlichting.
De steken zijn helaas snel uitgewerkt. Berthold haalt een naald van het kartonnetje en steekt die in de kies. Hij prikt door de zenuw heen en duwt de naald diep in het wortelkanaal. Bloed welt nu op uit het gat. Berthold spuugt het warme spul uit en verwijdert de naald. Hij raakt langzaam in een soort trance. De pijn verdooft zijn geest.
Nu is het de beurt aan de kies erboven. Ook die wordt met een spijker bewerkt en ruw van zijn vulling ontdaan. Vervolgens pakt Berthold twee naalden en bindt die in tegenovergestelde richting aan elkaar vast. De punten glimmen vervaarlijk.
De onderste punt schuift hij in het bloedende gat en de andere richt hij in de kies erboven. Het is even wringen, maar de naalden geven gelukkig mee. Hij probeert te bijten en voelt dat de zenuw wordt doorboord, maar dat de naald niet in een van de wortelkanalen schiet. Met zijn vinger duwt hij de naald in een kanaalopening. De kaken gaan nu bijna dicht. Slechts een klein deel van de naalden blijft zichtbaar; waarschijnlijk houdt het kaakbeen ze tegen.
In de spiegel ziet hij zijn bloedende mond open- en dichtgaan. Het dunne staal schiet als een jaknikker in en uit de kiezen. De pijn is zaligmakend. Berthold neemt nu een beslissing: alle vullingen gaan eruit! Ultieme verlichting!
Dat blijkt nog een heel karwei, want het bloed zit in de weg. Uiteindelijk lukt het hem om al het amalgaam te verwijderen, Berthold is een doorzetter. De bebloede zilvergrijze klompjes legt hij op de wastafel. Met zijn schoenen staat hij in een plakkerige plas, hij moet uitkijken dat hij niet uitglijdt.
Berthold maakt zeven nieuwe naaldensetjes. De naalden brengt hij zorgvuldig aan in de onderste kiezen. Vastbesloten prikt hij door de zenuwen heen en leidt de naalden naar een wortelkanaal. Even moet hij zich vasthouden, want hij raakt door de steken bijna buiten bewustzijn. Hij herstelt zich en duwt de naalden nu ook in de bovenste kiezen; hij krijgt er gaandeweg handigheid in. Wanneer ze allemaal op hun plek zitten, sluit hij zijn ogen en klemt zijn kiezen hard op elkaar. Dan geeft hij met zijn handpalm een paar klappen tegen de onderkant van zijn kin. De naalden schieten in het kaakbeen. Door de vlammende pijn raakt Berthold buiten bewustzijn.
Na een tijdje wordt hij weer wakker. Hoelang heeft hij op de grond gelegen? Half verdoofd kijkt Berthold even later opnieuw in de spiegel. Zijn lichtblauwe hemd is met bloed bedekt. Zijn mond produceert een cascade van stroperig rood. Hij maakt happende bewegingen en bekijkt zijn mondholte. Zo ziet geluk er dus uit…’

Berthold is een doorzetter

‘Hoe verzin je het?’
‘Gatverdamme.’
‘Bizar, jongen. Behoorlijk bizar.’
‘Ik heb het er koud van gekregen.’
‘Is dat als compliment bedoeld?’
‘Zeker.’
‘Wat een verhaal, zeg. Hoe kóm je erop?’
‘Mag ik ook iets zeggen? Ik vind het géén goed verhaal. Het wordt afgeraffeld, er zit geen goede opbouw in. Te wolkig geschreven – hij doet dit, hij doet dat. Te veel op het effect gericht ook.’
‘Ik vind het juist wél goed opgebouwd.’
‘Ik ook, maar ik snap wat Karin zegt. Het gaat misschien iets te snel.’
‘Het is pas een eerste aanzet. Ik heb het vanmorgen geschreven.’
‘Het idee is goed. Lekker viezig.’
‘Ik mis ook een psychologische onderbouwing.’
‘Jij altijd met je psychologische onderbouwing. Het is geen wetenschappelijke casus. Het is een verhaal. Literatuur drijft op verbeeldingskracht, niet op realiteit.’
‘Dat zal wel, maar het personage blijft mij te vlak. Waarom doet hij wat hij doet? Waarom heeft hij zoveel pijn?’

Literatuur drijft op verbeeldingskracht, niet op realiteit

‘Ik wil dat graag in het midden laten. Ik hou niet van een auctoriale verteller die zijn personages tot in detail duidt. Ik ben geen Amerikaan.’
‘Dat hoeft ook niet, maar nu blijft het wel erg plat. Zo komen de motieven niet tot leven.’
‘De motieven. Het thema. We zitten niet op school!’
‘Misschien moet je het eens in de verleden tijd schrijven, dat leidt tot meer reflectie. Dan krijg je misschien meer grip op het onderwerp.’
‘Ik wil helemaal niet meer grip krijgen op het onderwerp. Waarom zou ik meer grip moeten krijgen op het onderwerp?’
‘Nou, gewoon. Dat je als schrijver de regie in handen hebt. En de lezer meegevoerd wordt.’
‘Heb jij grip op het leven?’
‘Ik?’
‘Ja, jij.’
‘Wat heeft dat ermee te maken?’
‘Je kunt toch wel antwoord geven? Heb je grip op het leven?’
‘Natuurlijk heb ik daar grip op.’
‘Daar geloof ik dus niets van. Niemand heeft grip op zijn leven. Het leven overkomt ons.’
‘Wat een onzin.’

Heb jij grip op het leven? Ik? Ja, jij

‘Inderdaad. Een beetje raar dat je dit zegt, Richard. Ik dacht dat jij zo goed tegen kritiek kon?’
‘Ik kan ook tegen kritiek, maar ik hoef het daar toch inhoudelijk niet mee eens te zijn?’
‘Het is je toon. Die is erg aanvallend.’
‘Ik bedoel het niet aanvallend, ik ben het er gewoon niet mee eens.’
‘Waarom schrijf je eigenlijk altijd van dit soort verhalen? Bloed, ongemak, vervreemding. Kun je niet eens gewoon over het leven schrijven, over de wereld waarin we leven?’
‘De mond is een metafoor voor de wereld. Jammer dat ik dit moet uitleggen.’
‘Misschien moet je een ander schrijfgroepje zoeken, wij zijn blijkbaar te dom.’

Dit verhaal komt uit het onlangs verschenen boek De dag dat de gieren buigen.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven