Flickr / Germán Póo-Caamaño

Een gevecht met de menselijke trots

Een mooie jonge vrouwTommy Wieringa2014

De titel is van een fraai soort eenvoud. Met Een mooie jonge vrouw presenteert Tommy Wieringa zijn Boekenweekgeschenk als een rechttoe rechtaan liefdesverhaal. Toch behelst de novelle veel meer. Wieringa schreef een ingetogen menselijke tragedie en overtreft daarmee zichzelf.

Edward Landauer is een Utrechtse viroloog wiens academische ster in de jaren tachtig meerees met de verspreiding van het aidsvirus. Op zijn tweeënveertigste verovert hij de veertien jaar jongere studente Ruth. Een van de eerste momenten van hun relatie, wanneer hij met Ruth in het gras ligt, vertelt Edward haar over kunstenaars die geloven de geschiedenis te overtreffen. Bombastisch als het klinkt voor een nuchtere wetenschapper als hij beschrijft het precies hoe hij zich voelt.

Wieringa schreef een ingetogen menselijke tragedie en overtreft daarmee zichzelf.

Maar al snel maken de bevrijding en triomf plaats voor het conflict tussen zijn eigen verval en Ruths jeugd. Edward wordt namelijk niet jonger van haar, zij worden samen ouder van hem. Tijdens de zwangerschap en na de geboorte van hun huilbaby komt de klad in de relatie. Wat blijft er nog over van zijn trots, die hem liefde, succes en lust heeft gebracht?

Een mooie jonge vrouw is ritmisch opgebouwd. Met heldere cadans wisselen afzonderlijke delen van Edwards biografie zich af. Hierdoor stapelen de verschillende pagina’s Edward op tot een wankele toren die niet eens hoeft om te donderen om het drama voelbaar te maken. Eerst is er de verovering, dan het nieuwe licht dat Ruth op zijn wetenschappelijke carrière werpt, en ten slotte zijn pijnlijke verval. Wieringa geeft zijn personage, met passages die niet langer worden dan een pagina of zes, steeds kort de ruimte: voor geluk, trots, onzekerheid en wanhoop. De mooie jonge vrouw blijkt geen bezit te zijn, maar veeleer een moment dat gedurende het verhaal langzaamaan vervliegt. Niet omdat Ruth zoveel ouder wordt, maar omdat het eerste, enthousiaste moment dat hij haar zag, zo snel wegzakt in de tijd.

Zoals verwacht mag worden van Wieringa zit er flink wat vaart in het verhaal. Subtiel maar voortvarend ontstaan de eerste barstjes in het geluk van Ruth en Edward: zij interesseert zich voor de pijn van de ander terwijl hij, gehard door de tijd, de empathie lijkt te hebben verloren. De vaart wordt slechts één keer onderbroken door een vreemde verteller die in beeld stapt. Wieringa sluit een passage over de bruiloft van Edward en Ruth af met de volgende interventie: ‘Daar laten we hen achter, te midden van hun geluk..’ Wat er na dat geluk ook allemaal moge gebeuren, deze aankondiging is nergens voor nodig. Het is een detail dat nauwelijks stoort, maar niettemin misstaat in de strakke compositie van Wieringa.

Gelukkig treedt meer nog dan de verteller de stijl op de voorgrond: Wieringa’s zinnen zijn even zuiver als in zijn andere werk, maar de beelden die hij oproept minder zwierig. De stoffige woestijn en het roestige appartement van Dit zijn de namen en de buitenspeellucht van de weilanden uit Joe Speedboot maken plaats voor een simpeler omgeving. Een mooie jonge vrouw speelt zich af tegen de achtergrond van het Utrechtse academieleven waar poëtische grillen van de natuur geen grip op krijgen.

Wieringa’s zinnen zijn even zuiver als in zijn andere werk, maar de beelden die hij oproept minder zwierig.

Het doet niets af aan de sfeer die Wieringa optrekt want de treffende details zitten hem nu in een scherp script en een goede cast. Hij heeft maar één moment, één figurant en één woord nodig om twee verschillende werelden op te roepen. In de laatste scene van het boek houdt Edward tijdens een hoorcollege een persoonlijk verhaal over een gevoeliger Edward, jarenlang geleden. Hij beschrijft zichzelf als jongeman in een stal, te midden van plofkipkuikens die allemaal dezelfde leeftijd hebben als studenten op een festival. Wanneer hij de ‘dikke koek van uitwerpselen’ op de grond beschrijft roept een student uit de zaal: ‘Lowlands!’ Twee scherpe opmerkingen van twee totaal verschillende personages, Edward en de anonieme student. De student versterkt Edwards verhaal met zijn luchtige erkenning, maar vergroot tegelijkertijd de afstand tussen een gedesillusioneerde Edward en zijn lichtvoetige studenten.

Edward stuit aan het einde van het verhaal op het verval van zijn zekerheid en daarmee op de zekerheid van zijn verval. Schetst Wieringa daarmee de tragedie van een leven of slechts de tragedie van een moment? Het maakt niet uit omdat Wieringa op sublieme wijze de breekbaarheid van trots verbeeldt.

Wieringa verwerkt het Boekenweekthema –ondertussen ergens anders- vederlicht. Hij dient Edward op als iemand die gedurende zijn eigen leven ondertussen ergens anders is beland. Hiermee ontstijgt hij de krampachtigheid die het Boekenweekgeschenk wel eens eerder heeft gekenmerkt. Tegelijkertijd dwingen de negentig pagina’s die zijn novelle mogen tellen hem zijn verhaal klein te houden. Dat is winst, na het prachtig opgeschreven, maar in het laatste hoofdstuk enigszins ontspoorde Dit zijn de namen. In een tijd waarin steeds meer hoeders van de novelle opstaan, is dit werk misschien wel een van de betere recepten tegen de alomtegenwoordige roman met overgewicht.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven